Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR6674

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
30-11-2004
Zaaknummer
112746
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease-overeenkomst is geen huurkoop.

Naar het oordeel van de rechtbank strekt het product WinstVerDriedubbelaar niet tot (eigendoms-)overdracht van de aandelen. Aan het einde van de looptijd van de overeenkomst heeft de klant de keuze tussen verlenging van de overeenkomst, uitlevering van de aandelen onder aflossing van de lening of verkoop van de aandelen onder verrekening van de opbrengst met de lening en hetzij uitkering van het surplus, hetzij aflossing van de restschuld.

Daarmee beantwoordt het product WinstVerDriedubbelaar niet aan de kenmerken van koop, die ziet op (eigendoms-) verkrijging door de koper, en daarmee evenmin aan die van huurkoop.

In de tweede plaats betaalt de klant gedurende de looptijd van de overeenkomst met zijn maandtermijnen slechts rente over de lening. Hij lost niets van de lening af. Aan het einde van de looptijd is de lening nog even groot als aan het begin. Zou de klant op dat moment de aandelen willen verwerven, dan zou hij opnieuw en voor de volledige aankoopsom financiering moeten vinden. Dit betekent dat aan het product WinstVerDriedubbelaar het wezenskenmerk van koop op afbetaling ontbreekt, namelijk betaling van de koopsom in termijnen. Ook dat brengt mee dat er geen sprake is van huurkoop.

De Winstverdriedubbelaar wijkt zozeer af van huurkoop, dat zij ook niet de strekking van huurkoop heeft (artikel 7A:1576h lid 2 BW): er is geen verplichting tot (eigendoms-)overdracht en er is geen sprake van afbetaling. De rechtbank, sector civiel, zal de zaak dan ook niet verwijzen naar de sector kanton.

Partijen hebben zich niet uitgelaten over de betekenis voor deze zaak van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: de Wck) en de Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lidstaten inzake het consumentenkrediet, Pb EG 1987 L 42/48, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 90/88/EEG van 22 februari 1990, Pb EG 1990 L 61/14 en 98/7/EEG van 16 februari 1998, Pb EG 1998 L 101/17 (hierna: de Richtlijn).

De Wck dient mede ter omzetting van de Richtlijn. In artikel 1 lid 2 aanhef en onder c Richtijn is het begrip “kredietovereenkomst” als volgt gedefinieerd:

“een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent of toezegt.”

Deze definitie is naar het voorlopige oordeel van de rechtbank zo ruim, dat een overeenkomst als de WinstVerDriedubbelaar, waarin Dexia de klant met geleend geld in staat stelt te beleggen in aandelen, als een kredietovereenkomst moet worden aangemerkt. Dexia verleent immers aan de klant door middel van een lening krediet ter hoogte van de aankoopwaarde van de aandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 112746 / HA ZA 04-778

Datum vonnis: 20 oktober 2004

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

tevens verweerster in het incident,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

tegen

[gedaagde]

wonende te Barneveld,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

tevens eiser in het incident,

procureur mr. P.A. aan de Kerk.

In dit vonnis worden partijen Dexia en [gedaagde] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Na het uitbrengen van de dagvaarding zijn de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie alsmede exceptie van onbevoegdheid;

* een conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

in conventie

2.1 Dexia vordert -samengevat en zakelijk weergegeven- dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.372,52 vermeerderd met rente en kosten.

2.2 Aan deze vordering legt Dexia ten grondslag dat zij met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten ten behoeve van haar product WinstVerDriedubbelaar onder contractnummer 74485634, dat die overeenkomst is geëindigd door het verstrijken van de overeengekomen looptijd, dat Dexia een eindafrekening ten bedrage van € 11.032,26 heeft opgesteld en aan [gedaagde] heeft verzonden en dat [gedaagde] in verzuim verkeert door na te laten dat bedrag aan Dexia te betalen. De contractuele rente daarover bedraagt van 25 april 2003 tot en met 4 september 2003 € 410,87 en de buitengerechtelijke incassokosten bedragen € 929,39 inclusief BTW.

2.3 [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Daarop zal voor zover van belang onder de beoordeling worden ingegaan.

in reconventie

2.4 [gedaagde] vordert -samengevat en zakelijk weergegeven- dat de rechtbank:

- primair voor recht zal verklaren dat de genoemde overeenkomst op grond van artikel 1:89 BW door mevrouw I. [gedaagde]-de Regt bij aangetekend schrijven van 2 februari 2003 is vernietigd;

- subsidiair voor recht zal verklaren dat genoemde overeenkomst door [gedaagde] bij dagvaarding is vernietigd wegens dwaling dan wel misbruik van omstandigheden;

- Dexia zal veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat;

- Dexia zal veroordelen tot ongedaanmaking van de registratie bij het BKR te Tiel;

- Dexia zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,-- exclusief BTW ter vergoeding van kosten van rechtsbijstand;

- Dexia zal veroordelen in de kosten van dit geding.

2.5 Aan deze vordering legt [gedaagde] het volgende ten grondslag.

De overeenkomst is een huurkoopovereenkomst waarvoor [gedaagde] ingevolge artikel 1:88 en 1:89 BW toestemming van zijn echtgenote, mevrouw I. [gedaagde]-de Regt, behoefde. Deze toestemming is niet gegeven. Zij heeft de overeenkomst bij brief van 1 februari 2003 vernietigd. [gedaagde] was een onervaren consument en hij was niet bekend met de grote risico’s van het product WinstVerDriedubbelaar. Dexia, de in dezen wél deskundige partij, heeft verzuimd [gedaagde] daaromtrent voor te lichten en hem te behoeden voor het aangaan van onverantwoorde risico’s door het aangaan van de overeenkomst. Voorts heeft Dexia geen enkel onderzoek gepleegd. [gedaagde] heeft dan ook gedwaald en voorts is sprake van misbruik van omstandigheden. Door zich te bedienen van misleidende reclame en door te handelen in strijd met de artikelen 28 en 33 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 heeft Dexia ook onrechtmatig gehandeld. Dexia is gehouden de schade van [gedaagde] te vergoeden.

2.6 Dexia voert gemotiveerd verweer. Daarop zal voor zover van belang onder de beoordeling worden ingegaan.

in het incident

2.7 Voor alle weren werpt [gedaagde] de exceptie van onbevoegdheid op en concludeert hij tot verwijzing naar de sector kanton van deze rechtbank. Daartoe voert [gedaagde] het volgende aan.

De onderhavige effectenlease-overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als een huurkoopovereenkomst, welke stelling hij uitgebreid onderbouwt. Geschillen omtrent huurkoopovereenkomsten behoren tot de competentie van de sector kanton, aldus [gedaagde].

2.8 Dexia voert in het incident gemotiveerd verweer. Daarop zal de rechtbank, voor zover van belang, onder de beoordeling ingaan.

3. De beoordeling

in het incident

3.1 Voor de kwalificatie van een overeenkomst als huurkoopovereenkomst is vereist dat sprake is van koop en verkoop op afbetaling. Dexia betwist dat de overeenkomst tussen partijen als een overeenkomst van koop en verkoop op afbetaling gekwalificeerd kan worden. De overeenkomst tussen Dexia en [gedaagde] is dus geen huurkoopovereenkomst, aldus Dexia. Met betrekking tot dit verweer overweegt de rechtbank het volgende.

3.2 De bepalingen van Titel 5A van Boek 7A BW (koop op afbetaling en huurkoop) zijn op koop op afbetaling of huurkoop van aandelen van toepassing voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht (artikel 7A:1576 lid 5 BW). Naar het oordeel van de rechtbank is de aard van het aandeel in ter beurze verhandelbare fondsen als Ahold, ING en Unilever zodanig dat de bepalingen van titel 7A.5A BW toepasselijk zijn op koop op afbetaling en huurkoop van aandelen. Het product WinstVerDriedubbelaar is echter naar het oordeel van de rechtbank om in elk geval twee redenen niet te beschouwen als huurkoop van aandelen.

3.3 Huurkoop is in artikel 7A:1576h lid 1 BW als volgt gedefinieerd: “Huurkoop is de koop en verkoop op afbetaling, waarbij partijen overeenkomen, dat de verkochte zaak niet door enkele aflevering in eigendom overgaat, maar pas door vervulling van de opschortende voorwaarde van algehele betaling van wat door de koper uit hoofde van de koopovereenkomst verschuldigd is.” Huurkoop is een bijzondere vorm van koop op afbetaling, die in artikel 7A:1576 lid 1 BW als volgt is gedefinieerd: “Koop en verkoop op afbetaling is de koop en verkoop, waarbij partijen overeenkomen dat de koopprijs wordt betaald in termijnen, waarvan er twee of meer verschijnen, nadat de verkochte zaak aan de koper is afgeleverd.” Koop op afbetaling is weer een bijzondere vorm van de koopovereenkomst, die als wezenskenmerk heeft dat de verkoper verplicht is de eigendom van de zaak - of het vermogensrecht - over te dragen (artikel 7:9 lid 1 BW; vgl. artikel 7:47 BW).

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank strekt het product WinstVerDriedubbelaar niet tot (eigendoms-)overdracht van de aandelen. Aan het einde van de looptijd van de overeenkomst heeft de klant de keuze tussen verlenging van de overeenkomst, uitlevering van de aandelen onder aflossing van de lening of verkoop van de aandelen onder verrekening van de opbrengst met de lening en hetzij uitkering van het surplus, hetzij aflossing van de restschuld. In de praktijk, zo is de rechtbank bekend, kiezen bijna alle klanten voor verkoop van de aandelen onder verrekening van de opbrengst met de lening. De strekking van het product WinstVerDriedubbelaar is daarom dat de klant gedurende de looptijd van de overeenkomst de aandelen least, na drie jaren de koerswinst incasseert en de aandelen weer verkoopt. Daarmee beantwoordt het product WinstVerDriedubbelaar niet aan de kenmerken van koop, die ziet op (eigendoms-) verkrijging door de koper, en daarmee evenmin aan die van huurkoop.

3.5 Deze conclusie wordt niet anders, omdat op enkele plaatsen in de overeenkomst is bepaald dat de klant van rechtswege eigenaar wordt onder de opschortende voorwaarde dat hij aan alle verplichtingen tegenover Dexia heeft voldaan (artikel 5 van de overeenkomst en artikel 2 van de bijzondere voorwaarden effecten lease). In de praktijk worden deze bepalingen immers niet nageleefd, doordat nagenoeg altijd verkoop van de aandelen plaatsvindt.

Ook (de naleving van) het bepaalde in artikel 17 Wet giraal effectenverkeer maakt op grond van het bovenstaande niet dat de WinstVerDriedubbelaar strekt tot eigendomsoverdracht van de aandelen.

3.6 In de tweede plaats betaalt de klant gedurende de looptijd van de overeenkomst met zijn maandtermijnen slechts rente over de lening. Hij lost niets van de lening af. Aan het einde van de looptijd is de lening nog even groot als aan het begin. Zou de klant op dat moment de aandelen willen verwerven, dan zou hij opnieuw en voor de volledige aankoopsom financiering moeten vinden. Dit betekent dat aan het product WinstVerDriedubbelaar het wezenskenmerk van koop op afbetaling ontbreekt, namelijk betaling van de koopsom in termijnen. Ook dat brengt mee dat er geen sprake is van huurkoop.

3.7 Op 14 juli 2004 is als bijlage 9 bij het Eindrapport van de

Commissie Geschillen Aandelenlease, “Over lenen, leasen en verliezen” het advies van [betr[betrokkene] en [bet[betrokkene] van 24 februari 2004 openbaar gemaakt over de vraag of aandelenleasecontracten als de Winstverdriedubbelaar moeten worden beschouwd als huurkoop. [betrokkene] en [betrokkene] concluderen dat de Winstverdriedubbelaar een overeenkomst van huurkoop is. Zij merken op dat de klant twee termijnen betaalt nadat de aandelen aan hem of haar zijn afgeleverd, te weten een betaling van ƒ 100,- op of omstreeks de 35e maand en het restant van de koopsom aan het einde van de 36e maand. Daarmee is volgens hen voldaan aan het vereiste in artikel 7A:1576 lid 1 j° lid 5 BW dat de koopprijs in termijnen wordt betaald, waarvan er twee of meer verschijnen, nadat de aandelen aan de klant zijn afgeleverd en voorts aan artikel 7A:1576j lid 1 BW dat de huurkoopakte het plan van regelmatige afbetaling als bedoeld in artikel 7A:1576f BW moet vermelden (§ 4.2, p. 5). De Commissie Geschillen Aandelenlease heeft dit advies overgenomen.

3.8 De rechtbank overweegt hierover als volgt. Dexia heeft kennelijk beoogd met de betaling van ƒ 100,- op of omstreeks de 35e maand te bewerkstelligen dat de koopsom van de aandelen in twee termijnen na de aflevering zou worden afbetaald, zodat de overeenkomst zou moeten worden beschouwd als huurkoop. Deze termijn van ƒ 100,- is een fractie van de totale koopsom van de aandelen. Zij is eerst verschuldigd, zeer kort voordat het restant van de koopsom verschuldigd is. Zij wordt niet apart geïncasseerd, maar eerst in rekening gebracht en geïncasseerd bij de eindafrekening en dus tegelijk met het restant van de koopsom. De rechtbank ziet daarom deze termijnbetaling van ƒ 100,- als een papieren constructie van Dexia zonder realiteitswaarde. De rechtbank beschouwt deze termijnbetaling van ƒ 100,- niet als een aparte termijn in de zin van artikel 7A:1576 lid 1 en al helemaal niet als onderdeel van een “plan van regelmatige afbetaling” als bedoeld in artikel 7A:1576f. De rechtbank handhaaft haar oordeel dat de totale koopsom ineens verschuldigd is aan het einde van de looptijd van de overeenkomst. Zij blijft dus bij haar oordeel dat de Winstverdriedubbelaar geen huurkoop is.

3.9 De Winstverdriedubbelaar wijkt zozeer af van huurkoop, dat zij ook niet de strekking van huurkoop heeft (artikel 7A:1576h lid 2 BW): er is geen verplichting tot (eigendoms-)overdracht en er is geen sprake van afbetaling. De rechtbank, sector civiel, zal de zaak dan ook niet verwijzen naar de sector kanton.

3.10 De rechtbank acht zich bevoegd en zal de incidentele vordering daarom afwijzen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie

3.9 Partijen hebben zich niet uitgelaten over de betekenis voor deze zaak van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: de Wck) en de Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lidstaten inzake het consumentenkrediet, Pb EG 1987 L 42/48, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 90/88/EEG van 22 februari 1990, Pb EG 1990 L 61/14 en 98/7/EEG van 16 februari 1998, Pb EG 1998 L 101/17 (hierna: de Richtlijn).

3.10 De Wck dient mede ter omzetting van de Richtlijn. In artikel 1 lid 2 aanhef en onder c Richtijn is het begrip “kredietovereenkomst” als volgt gedefinieerd:

“een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent of toezegt.”

3.11 Deze definitie is naar het voorlopige oordeel van de rechtbank zo ruim, dat een overeenkomst als de WinstVerDriedubbelaar, waarin Dexia de klant met geleend geld in staat stelt te beleggen in aandelen, als een kredietovereenkomst moet worden aangemerkt. Dexia verleent immers aan de klant door middel van een lening krediet ter hoogte van de aankoopwaarde van de aandelen.

3.12 De Richtlijn is tweemaal object van evaluatie door de Europese Commissie geweest (zie het verslag van 11 mei 1995 COM(95)117 en het working paper van 8 juli 2001, te vinden op de website van de Europese Commissie, http://europa.eu.int/comm/consumers/cons int/fina serv/cons directive/cons cred1a nl.pdf). Op 11 september 2002 heeft de Commissie een voorstel gedaan voor een richtlijn van het Europese Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende consumentenkrediet, COM(2002)443, waarover het Europees Sociaal en Economisch Comité op 16 en 17 juni 2003 advies heeft uitgebracht (Pb EG C 234/1). In deze documenten wordt geen aandacht geschonken aan de vraag of beleggen met geleend geld valt binnen de reikwijdte van de (huidige) Richtlijn. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (bijvoorbeeld de arresten van 23 maart 2000, C-208/98, Berliner Kindl Brauerei en van 4 maart 2004, C-264-02, Cofinaga) kan evenmin worden afgeleid of beleggen met geleend geld binnen de reikwijdte van de Richtlijn valt. Deze bronnen leveren daarom geen aanwijzing op dat het niet de bedoeling is dat een overeenkomst, waarin de ene partij de andere partij in staat stelt met geleend geld te beleggen, buiten de reikwijdte van de definitie van het begrip “kredietovereenkomst” in de zin van artikel 1 lid 2 aanhef en onder c Richtlijn valt.

3.13 Het wetsvoorstel tot vaststelling van de Wck is ingediend op 19 november 1986. Dat was kort voor de vaststelling op 22 december 1986 van de Richtlijn. Bij de definitie van het begrip “krediettransactie” in artikel 1 aanhef en onder a Wck kon daarom nog geen rekening worden gehouden met de definitie van het begrip “kredietovereenkomst” in de Richtlijn. In artikel 1 aanhef en onder a Wck zijn de drie varianten van het begrip “krediettransactie” gedefinieerd:

“krediettransactie: iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat

1° door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan de tweede partij (de kredietnemer) een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de tweede partij aan de eerste partij een of meer betalingen doet,

2° door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan de tweede partij (de kredietnemer) het genot van een roerende zaak wordt verschaft of een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven dienst wordt verleend en de tweede partij aan de eerste partij een of meer betalingen doet,

3° door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan de tweede partij (de kredietnemer), dan wel ten behoeve van deze aan een derde partij (de leverancier) een geldsom ter beschikking stelt ter zake van het verschaffen van het genot van een roerende zaak of het verlenen van een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven dienst en de tweede partij aan de eerste partij of aan de derde partij een of meer betalingen doet”.

3.14 In artikel 1 aanhef en onder d Wck wordt een geldkrediet gedefinieerd als een krediettransactie als bedoeld in artikel 1 aanhef en onder a, 1° Wck. In artikel 1 aanhef en onder e Wck wordt goederenkrediet gedefinieerd als een krediettransactie als bedoeld in artikel 1 aanhef en onder a, 2° en 3° Wck. Er worden dus drie vormen van krediettransacties onderscheiden:

“het zuivere geldkrediet, waarbij altijd slechts twee partijen bij betrokken zijn (variant 1°), goederenkrediet, waarbij twee partijen zijn betrokken (variant 2°) en goederenkrediet, waarbij drie partijen zijn betrokken (variant 3°) (Bijl. TK 19 785 (1986-1987) nr. 3 MvT p. 69).

3.15 Over het geldkrediet wordt in de toelichting het volgende opgemerkt:

De meest voorkomende vormen hiervan zijn de persoonlijke lening, al dan niet door zekerheid gedekt, en het doorlopend geldkrediet.

(...)

De prestatie die de kredietgever levert, is het ter beschikking stellen van een geldsom. De vorm waarin het geld ter beschikking gesteld wordt, is voor de toepasselijkheid van deze wet niet relevant. Zo is niet relevant of het geld “chartaal” ter hand wordt gesteld, of giraal aan de kredietnemer wordt overgemaakt. Bij doorlopend geldkrediet stelt de kredietgever de kredietnemer een bepaalde financiële ruimte ter beschikking, waarbinnen deze in de tijd gespreid geldsommen kan opnemen” (Bijl. TK 19 785 (1986-1987) nr. 3 MvT p. 69).

3.16 Uit deze passage lijkt te volgen dat de wetgever het geldkrediet opvat als een transactie, waarbij de kredietgever daadwerkelijk een geldsom aan de kredietnemer ter beschikking stelt, hetzij door de kredietsom contant aan hem uit te keren of naar hem te gireren, hetzij door de opening ten behoeve van de kredietnemer van een kredietfaciliteit, waarover de kredietnemer naar eigen inzicht kan beschikken.

3.17 De nationale wetgever heeft geen aanleiding gezien de definitie van “krediettransactie” bij nota van wijziging te wijzigen in verband met de vaststelling van de Richtlijn en de daarin voorkomende definitie van “kredietovereenkomst”.

3.18 In het onlangs ingediende wetsvoorstel voor een Wet financiële dienstverlening - hierna: Wfd - is het begrip “krediettransactie” in artikel 1, aanhef en onder r als volgt gedefinieerd:

“krediet: geldkrediet of goederenkrediet, waarbij wordt verstaan onder:

1° geldkrediet: het aan een consument ter beschikking stellen van een geldsom, waarbij de consument gehouden is ter zake een of meer betalingen te verrichten;

2° goederenkrediet: het aan een consument verschaffen van het genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen dienst, dan wel het aan een consument of een derde ter beschikking stellen van het genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen dienst, waarbij de consument gehouden is ter zake een of meer betalingen te verrichten” (Bijl. TK 29 507 (2003-2004) nr. 2, p. 3)

3.19 In de Memorie van Toelichting is over de definitie opgemerkt:

“De definitie van krediet is gebaseerd op de omschrijving van artikel 1, onderdeel a, van de Wck. Zowel goederen- als geldkrediet vallen onder het begrip “krediet”. Door aan de definitie van goederenkrediet het verschaffen van het genot van een effect toe te voegen worden producten bestaande uit een beleggingselement en een kredietelement, zoals als effectenlease producten, voor wat het kredietelement betreft expliciet onder de reikwijdte van het wetsvoorstel gebracht. Buiten deze toevoeging is met de in het wetsvoorstel gehanteerde terminologie niet bedoeld een verschil aan te brengen in de reikwijdte van de definitie ten opzichte van de Wck” (idem, nr. 3, p. 71).

3.20 Uit dit citaat lijkt te volgen dat de regering er van uitgaat dat effectenleaseproducten niet onder de huidige Wck vallen. De toevoeging van het verschaffen van het genot van een effect wordt immers aangeduid als een verandering van de reikwijdte van de definitie ten opzichte van de huidige Wck. Uit het gebruik van het woord “expliciet” zou echter ook kunnen worden afgeleid dat de regering in het midden laat of een overeenkomst tot verschaffing van het genot van een effect ook nu al onder de reikwijdte van de Wck valt.

3.21 Er zal een comparitie van partijen worden belegd om inlichtingen over de zaak te vragen, waarbij de rechtbank zich in het bijzonder zal richten op de omstandigheden waaronder de overeenkomst tot stand gekomen is alsmede op de persoonlijke situatie van [gedaagde] en op onderzoek of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van verwijzing naar een mediator aan de orde komen. Voor de comparitie is twee uur uitgetrokken.

3.22 Indien Dexia op de eis in reconventie wil antwoorden, dient zij deze conclusie ter comparitie te nemen. Op een later tijdstip kan de conclusie van antwoord in reconventie niet meer genomen worden. Dexia dient de conclusie van antwoord in reconventie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie aan de rechtbank en de wederpartij te hebben toegezonden. De rechtbank nodigt Dexia uit in haar conclusie van antwoord in reconventie tevens te reageren op het voorlopige oordeel dat de WinstVerDriedubbelaar een krediettransactie is waarop de bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet van toepassing zijn.

3.23 De partijen wordt verzocht de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.

De rechtbank verzoekt [gedaagde] uiterlijk twee weken voorafgaand aan de comparitie schriftelijk haar standpunt omtrent het sub 3.22 bedoelde voorlopige oordeel aan de rechtbank en aan Dexia kenbaar te maken.

3.24 Ter bevordering van een voortvarende afwikkeling van de procedure moeten de partijen erop voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis, bijvoorbeeld tot een bewijsopdracht of deskundigenonderzoek, kan wijzen overeenkomstig art. 232, tweede lid, aanhef en onder a, Rv.

3.25 Ter comparitie kan aan de orde komen wie de partijen eventueel als deskundige(n) benoemd willen zien.

3.26 Hoger beroep van dit vonnis staat slechts open tegelijk met dat van het eindvonnis (art. 337, tweede lid, Rv.). Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

in het incident

verklaart zich bevoegd van de hoofdzaak kennis te nemen en wijst de incidentele vordering af,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, tot heden aan de zijde van Dexia begroot op € 390,--,

in de hoofdzaak

bepaalt dat de partijen, vergezeld van hun advocaten, voor de rechtbank (mr. O. Nijhuis) zullen verschijnen in het Paleis van Justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 om inlichtingen over de zaak te geven en te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd (in beginsel op een dinsdag),

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken, voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden december 2004 tot en met maart 2005, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

bepaalt dat [gedaagde] dan in persoon aanwezig zal zijn en dat Dexia dan vertegenwoordigd zal zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

verzoekt de tijdige toezending van de stukken zoals onder 3.22 en 3.23 bedoeld,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004.

de griffier de rechter