Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR5947

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
19-11-2004
Zaaknummer
111650
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In conventie wordt, kort gezegd, hoofdelijke veroordeling gevorderd om mee te werken aan de overdracht van de aandelen in het reisbureau aan Eric voor € 181.512,09 (het equivalent van f 400.000,--) althans een bedrag als de rechtbank juist zal achten, met levering van het reisbureau in de staat waarin het zich bevond op 1, althans 30 januari 2004, op verbeurte van een door de rechtbank te bepalen dwangsom alsmede tot vergoeding van de schade, geleden omdat deze aandelen niet per 1 of 30 januari 2004 zijn geleverd, een en ander met hoofdelijke veroordeling in de kosten. De vordering berust, kort gezegd, op de stelling dat het geciteerde artikel 3 van de overeenkomst van 31 oktober 1994 als de daarin beoogde samenwerking uitblijft, verplicht tot verkoop voor f 400.000,-- en levering van de aandelen in het reisbureau aan Eric.

Inderdaad dwingt de letterlijke tekst van artikel 3 niet om als "de beoogde commerciële samenwerking en integratie gedurende de in artikel 1 aangegeven periode onvoldoende gerealiseerd" is, het reisbureau af te splitsen en over te dragen aan Eric.

De vraag is nu of zij over kúnnen gaan tot deze handelingen of dat gedaagden hetzij door enige regel hetzij door de eisen van redelijkheid en billijkheid gedwongen kunnen worden hieraan mee te werken.

In reconventie is ontbondenverklaring van de overeenkomst van 31 oktober 1994 gevorderd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 7
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2005/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 111650 / HA ZA 04-567

Datum vonnis: 13 oktober 2004

Vonnis

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. S.M. van der Zwan,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te Valburg, gemeente Overbetuwe,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLDING [gedaagde] B.V.,

gevestigd te Herveld, gemeente Overbetuwe,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] REISBUREAU B.V.,

gevestigd te Herveld, gemeente Overbetuwe,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. A.H.J. Cornelissen.

Partijen worden hierna ook aangeduid als respectievelijk [eiser], moeder [eiseres], [gedaagde], Holding [gedaagde] en het reisbureau.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 14 juli 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter rolle van 28 juli 2004 is een akte tot wijziging van eis in conventie verzocht en de conclusie van antwoord in reconventie genomen. Ter uitvoering van het tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden, waarop het antwoord in reconventie wél, maar de vermeerdering van eis in conventie met inbegrip van de toelichting daarop, nog niét is behandeld. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken. Ten slotte is de behandeling aangehouden in verband met een poging van partijen om zich tot een mediator te wenden, waarna op 30 september 2004 vonnis is gevraagd, dat vervolgens door de rolrechter op heden is bepaald.

De vaststaande feiten

1. Op 31 oktober 1994 is een overeenkomst gesloten tussen vader [betrokkene] en moeder [eiseres] als ‘overdragers’ en hun zoons [gedaagde] en [eiser] als ‘opvolgers’. Deze overeenkomst hield onder meer het volgende in.

“Artikel 1 (...)

([eiser]) participeert financieel in de ondernemingen door deelname in de bovenliggende BV, te weten [gedaagde] Holding B.V. als volgt(...).

Een en ander op basis van een tussen 31-10-1997 en 31-10-1998 op te stellen overeenkomst tussen ([gedaagde] en [eiser]) en ter goedkeuring van alle betrokkenen daartoe bijeen in de stichting ‘aandelenbeheer [gedaagde] Reisbureau B.V.’ (...).

Artikel 2

Het bestuur van de Reisbureau B.V. wordt door de Holding overgedragen aan de eerder genoemde stichting, die het bestuur van de Reisbureau B.V. op zijn beurt delegeert aan ([eiser]), conform daartoe in de stichting vast te stellen regels.

Artikel 3 (...)

De aangegeven constructie heeft primair tot doel de commerciële samenwerking tussen beide werkmaatschappijen verder te stimuleren met verregaande integratie op termijn, terwijl tegelijkertijd de basis voor een verdere overdracht op langere termijn van ([gedaagde]) naar ([eiser]) wordt gelegd.

Mocht de beoogde commerciële samenwerking en integratie gedurende de in artikel 1 aangegeven periode onvoldoende gerealiseerd worden, staat het de partijen onder artikel 2 vrij om alsnog het Reisbureau van de groep af te splitsen en voor een bedrag van f 400.000,- over te dragen aan ([eiser]). Een en ander echter met inachtneming van de eveneens in artikel 1 aangegeven goedkeuring van de stichting.”

2. De in de overeenkomst van 31 oktober 1994 beoogde samenwerking tussen [gedaagde] en [eiser] is uitgebleven.

3. Aan de onder 1 bedoelde overeenkomst lag onder meer een advies van Stamconsult te Sliedrecht van 7 oktober 1994 ten grondslag, onder meer inhoudend: “Op langere termijn wordt (...) dezelfde situatie voorzien, namelijk verregaande integratie, die echter op basis van volstrekt zakelijke aspecten – en derhalve door beiden gewenst – zal ontstaan. (...). Om vrijwilligheid te waarborgen worden thans voorzieningen getroffen die uitsluiten dat die dwangmatig wordt, of onder druk komt te staan. Er blijft daarvoor een keuze moment na enkele jaren, die bij onverhoopt mislukken van een constructieve samenwerking, ook andere mogelijkheden openlaat zonder dat er voor betrokkenen drie jaren (fiscale eis) inspanning verloren gaan (...).” De ondertekenaar van dit stuk, [betrokkene], is later voorzitter van de onder 1 bedoelde stichting geweest.

4. Op 19 december 1995 trad deze stichting af als bestuurder van het reisbureau; zij werd als zodanig opgevolgd door [eiser].

5. [eiser] opende in 2003 onderhandelingen met [gedaagde], gericht op overname van het reisbureau door [eiser]. Vervolgens is overeengekomen het reisbureau te laten waarderen.

6. Een aandeelhoudersvergadering van het reisbureau heeft [eiser] op 30 januari 2004 als bestuurder geschorst wegens veronderstelde malversaties, bestaande in privé-onttrekkingen gedurende een aantal jaren. Op 13 februari 2004 is hij ontslagen.

7. [gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] Holding B.V., die op haar beurt enig aandeelhouder is van Holding [gedaagde] B.V., de enige aandeelhouder van het reisbureau.

Het geschil in conventie en in reconventie

8. In conventie wordt, kort gezegd, hoofdelijke veroordeling gevorderd om mee te werken aan de overdracht van de aandelen in het reisbureau aan [eiser] voor € 181.512,09 (het equivalent van f 400.000,-) althans een bedrag als de rechtbank juist zal achten, met levering van het reisbureau in de staat waarin het zich bevond op 1, althans 30 januari 2004, op verbeurte van een door de rechtbank te bepalen dwangsom alsmede tot vergoeding van de schade, geleden omdat deze aandelen niet per 1 of 30 januari 2004 zijn geleverd, een en ander met hoofdelijke veroordeling in de kosten. De vordering berust, kort gezegd, op de stelling dat het geciteerde artikel 3 van de overeenkomst van 31 oktober 1994 als de daarin beoogde samenwerking uitblijft, verplicht tot verkoop voor f 400.000,- en levering van de aandelen in het reisbureau aan [eiser].

9. De vermeerdering van de eis voegt allereerst aan deze eis de subsidiaire vordering toe tot veroordeling om mee te werken aan de verwerving door [eiser] van een belang van 50% in [gedaagde] Holding B.V. aldus dat 25% wordt verworven voor een prijs zoals op 31 oktober 1994 voorzien (f. 190.988,-) en voor 25% de koopsom wordt bepaald op basis van de resultaten, een en ander zoals in genoemde overeenkomst uitgewerkt, zulks eveneens op verbeurte van een dwangsom. Voorts wordt na vermeerdering van de eis – nog steeds: kort gezegd – gevorderd veroordeling tot betaling aan [eiser] van € 18.255,51 met rente terzake van het niet in acht nemen van een behoorlijke opzegtermijn, alsmede betaling van € 300.000,- met rente terzake van het hem verleende kennelijk onredelijk ontslag en daarbij te verstaan dat een op dit onderdeel van de vordering toe te wijzen bedrag niet ten laste komt van [eiser] zelf in verband met de overige vorderingen in deze zaak (in het bijzonder wordt gedoeld op betaling ten laste van het aan [eiser] over te dragen reisbureau).

10. De vordering in conventie wordt gemotiveerd betwist. Onder meer voeren gedaagden aan dat de overeenkomst van 31 oktober 1994 geen rechten en verplichtingen tussen [gedaagde] en [eiser] over en weer deed ontstaan, maar alleen tussen de overdragers (de ouders) enerzijds en de opvolgers (de zoons) anderzijds, dat [eiser], om zich op artikel 3 te kunnen beroepen, eerst had moeten participeren in [gedaagde] Holding B.V., wat hij niet heeft gedaan, dat er niet in de zin van artikel 3 van de overeenkomst ‘onvoldoende’, maar in het geheel niet is samengewerkt, dat [gedaagde] en [eiser] niet verplicht zijn het reisbureau af te splitsen ingevolge artikel 3, maar daartoe slechts bevoegd zijn en dat [eiser] geen betrouwbare contractspartner is, wat gebaseerd wordt op volgens de gedaagden in conventie gebleken malversaties.

11. Op deze malversaties gronden zij de reconventionele vordering, die gericht is op vergoeding van schade aan het reisbureau ten belope van € 210.115,68 met de rente daarover. Daarbij vorderen zij in reconventie (voorwaardelijk) ontbinding, althans ontbondenverklaring van de overeenkomst van 31 oktober 1994, voor zover met [eiser] gesloten, een en ander met veroordeling in de proceskosten.

12. Ook de reconventionele vordering wordt gemotiveerd betwist. Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie wordt, voor zover nodig, hieronder nader ingegaan.

De beoordeling van het geschil in conventie

13. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat hij en zijn broer [eiser] in maart 2001 overeengekomen zijn dat [eiser] in verband met een door [gedaagde] op termijn voorgenomen verkoop een voorkeursrecht kreeg op de aandelen van de holding en dat daarmee de overeenkomst van 31 oktober 1994 van de baan was. Dit verweer gaat – los van het feit dat het kennelijk pas ter comparitie ontwikkeld is en niet met de eerder genomen conclusie strookt – niet op. Vervanging van de overeenkomst van 31 oktober 1994, waarbij de ouders [betrokkene], [gedaagde] en [eiser] partij waren, is niet mogelijk bij een overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] met uitsluiting van hun moeder en mogelijk andere erfgenamen van hun vader.

14. Het verweer dat de overeenkomst van 31 oktober 1994 geen verplichtingen tussen [gedaagde] en [eiser] onderling kon doen ontstaan omdat de aanhef ervan slechts de overdragers tegenover de opvolgers stelt, wordt verworpen omdat uit de tekst van de overeenkomst blijkt dat deze wel verplichtingen tussen [gedaagde] en [eiser] wil doen ontstaan, en deze tekst boven de aanhef gaat bij uitleg van de overeenkomst.

15. Het verweer dat een beroep op artikel 3 van de overeenkomst alleen mogelijk zou zijn na participatie in de zin van artikel 1, moet eveneens worden verworpen. Het is op de tekst van de overeenkomst gegrond. Deze stelt echter niet nadrukkelijk de eis dat het reisbureau alleen mag worden afgesplitst als [eiser] zou hebben geparticipeerd in de zin van artikel 1. Uit het woord ‘onvoldoende’ valt deze eis naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden. Eerder geeft de eerste alinea van artikel 3 (‘De aangegeven constructie...wordt gelegd’) aan wat de bedoeling van de constructie is, terwijl in de tweede alinea wordt aangegeven wat kan gebeuren als die bedoeling niet gerealiseerd wordt.

16. Inderdaad dwingt de letterlijke tekst van artikel 3 niet om als ‘de beoogde commerciële samenwerking en integratie gedurende de in artikel 1 aangegeven periode onvoldoende gerealiseerd’ is, het reisbureau af te splitsen en over te dragen aan [eiser]. De tekst van het artikel zegt slechts dat het partijen vrij staat hiertoe over te gaan. [gedaagde] wil niet tot afsplitsing en overdracht overgaan, moeder en [eiser] willen dat wel. De overdrachtshandelingen zouden uiteindelijk tussen Holding [gedaagde], [gedaagde] als bestuurder, wellicht het reisbureau indien het eigen aandelen houdt, en [eiser] moeten plaatsvinden. De vraag is nu of zij over kúnnen gaan tot deze handelingen of dat gedaagden hetzij door enige regel hetzij door de eisen van redelijkheid en billijkheid gedwongen kunnen worden hieraan mee te werken. Uit de stukken en hetgeen ter comparitie is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk geworden dat de overeenkomst ertoe dwingt [eiser] in de gelegenheid te stellen voor een vaste prijs het reisbureau over te nemen. Zij leidt dit af uit de volgende omstandigheden.

? Het is door moeder [eiseres] en [eiser] uitdrukkelijk verklaard, terwijl [gedaagde] ter comparitie op dit punt heeft volstaan met te verklaren dat aan de overeenkomst van 31 oktober 1994 een gedegen voorbereiding vooraf was gegaan.

? Het blijkt uit de verklaring van [gedaagde] over de door hem bedoelde overeenkomst van 2001 (zie hierboven onder 13), welke verklaring geen betekenis heeft als de overeenkomst van 31 oktober 1994 niet dwingt tot een overdracht, maar slechts vaststelt dat de mogelijkheid daartoe bestaat.

? De bepaling van een vaste overnameprijs – ter comparitie is gebleken dat alle partijen het erover eens zijn dat de f 400.000,- als vaste prijs is bedoeld – is niet begrijpelijk wanneer de overeenkomst van 31 oktober 1994 niet méér doet dan zich niet tegen een overdracht aan [eiser] verzetten. Zij heeft slechts zin in combinatie met een recht op overname. Stond het ter vrije keuze van partijen om wel of niet tot overdracht over te gaan, dan lag het voor de hand dat zij ook zelf de prijs konden bepalen. De combinatie met een vaste prijs zou immers deze vrijheid beperken tot de situatie waarin het reisbureau exact f. 400.000,- waard zou zijn, terwijl overigens van vrijheid geen sprake zou zijn, omdat degene voor wie de vaste prijs ongunstig was, de onderhandelingen kon weigeren. Het zou, met andere woorden, tot een vetorecht van een der partijen leiden.

? Een vetorecht kan door de overeenkomst van 31 oktober 1994 niet bedoeld zijn. In feite is dit de situatie die in de ogen van gedaagden in conventie thans bestaat, maar ze is strijdig met de strekking van de overeenkomst van 31 oktober 1994, zoals die blijkt uit de woorden ervan, de toelichting van Stamconsult en het met name door moeder [eiseres] ter comparitie verklaarde: uiteindelijk beide zoons in vergelijkbare omstandigheden laten functioneren in het bedrijf.

17. De vraag of [eiser] een betrouwbare contractspartner is (voor [gedaagde], is kennelijk bedoeld), komt niet aan de orde nu de overeenkomst van 31 oktober 1994 ertoe dwingt aan [eiser] over te dragen. De keuze voor de contractspartner is dus al gemaakt. De gestelde onbetrouwbaarheid speelt bovendien, zoals naar aanleiding van de reconventionele vordering nader uiteengezet wordt, tegenover het reisbureau een rol, een zelfstandig rechtssubject dat geen partij is bij de overeenkomst van 31 oktober 1994.

18. De conclusie op dit onderdeel is dat de overeenkomst van 31 oktober 1994 tussen de partijen bij die overeenkomst, waaronder [gedaagde], ook als bestuurder en enig aandeelhouder van Holding [gedaagde] en [eiser], een recht van [eiser] deed ontstaan om tegen een prijs van f 400.000,- het reisbureau over te nemen. Het hierop gerichte onderdeel van de vordering ligt tegenover [gedaagde] in beginsel voor toewijzing gereed. De vordering kan echter niet worden toegewezen op het onderdeel dat ziet op overdracht van het reisbureau in de staat waarin het zich op 1 of 30 januari 2004 bevond, omdat een lopend bedrijf zich niet in de staat van een aantal maanden geleden kan bevinden, terwijl terugbrengen in die staat zonder in de bedrijfsvoering gelegen redenen, het bedrijf ernstig kan schaden. De rechtbank gaat er overigens van uit dat dit onderdeel mogelijke schade betreft en zich oplost in het op vergoeding daarvan gerichte deel van de vordering. De vordering kan behalve tegenover [gedaagde] ook tegenover Holding [gedaagde] worden toegewezen, omdat niet betwist is dat deze vanaf 31 oktober 1994 – al dan niet via haar bestuurder – op de hoogte was van het bestaande recht van [eiser] en aan de overdracht actief moet meewerken, wat zij tot nu toe heeft geweigerd. Het reisbureau tenslotte, waarvoor eveneens geldt dat het op de hoogte was van [eiser]s recht, mag de overdracht niet frustreren en aangezien de kennelijk bij eisers bestaande vrees dat zij dit toch zal doen, gerechtvaardigd wordt door de onder 6 genoemde feiten, is de vordering ook tegen het reisbureau toewijsbaar.

19. Nu [gedaagde] – als bestuurder van de holding – en Holding [gedaagde] ten onrechte niet aan de overdracht hebben meegewerkt, dienen zij [eiser] eventueel daaruit voortgevloeide schade te vergoeden. [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld zich over het beloop van deze schade, alsmede over mogelijke aansprakelijkheid hiervoor van het reisbureau, bij akte uit te laten.

20. De onder 18 bedoelde vordering zal de rechtbank thans toewijzen, omdat hier de kern van het conflict ligt en partijen daarover zo spoedig mogelijk duidelijkheid moeten hebben. Dat brengt mee dat de zaak in conventie wordt afgedaan voor zover het moeder [eiseres] betreft. Gedaagden, die op dit punt in het ongelijk zijn gesteld, zullen, nu hiertegen geen verweer is gevoerd, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van de conventie, voor zover aan moeders kant gevallen.

21. Nu gedaagden in conventie nog niet op de vermeerderde eis hebben kunnen reageren, worden zij daartoe in de gelegenheid gesteld. Zij zullen kunnen reageren bij de akte waarin zij ook kunnen reageren op [eiser]s uiteenzetting over de gestelde schade, zoals bedoeld onder 19.

22. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.

De beoordeling van het geschil in reconventie

23. De vordering tot ontbondenverklaring van de overeenkomst van 31 oktober 1994 is blijkens een mondelinge mededeling van mr Cornelissen ter comparitie, gebaseerd op de stelling over de overeenkomst uit 2001 die ook als verweer in conventie is gebruikt (“Wij gaan er namelijk vanuit dat zij in maart 2001 is vervangen door de overeenkomst waarbij [eiser] het voorkeursrecht op de aandelen in de Holding kreeg”). Zij wordt afgewezen reeds omdat [gedaagde] en [eiser] niet samen zonder de andere contractspartner(s) de overeenkomst van 31 oktober 1994 konden ontbinden, zoals in conventie onder 13 is overwogen.

24. De vordering tot ontbinding – ingesteld onder de voorwaarde dat zij nog bestaat en niet vervangen is door de overeenkomst van maart 2001, welke voorwaarde, zoals uit het voorgaande blijkt, ontbreekt – van de overeenkomst van 31 oktober 1994 is kennelijk gebaseerd op de gestelde malversaties van [eiser]. Die zouden erin hebben bestaan dat [eiser] op kosten van het reisbureau zaken heeft gekocht en diensten heeft laten verrichten en een schuld aan het reisbureau in rekening-courant heeft laten ontstaan. Eisers in reconventie gaan er hierbij aan voorbij dat het reisbureau een zelfstandig rechtssubject is. Gedraagt [eiser] zich op de hem verweten wijze, dan benadeelt hij deze rechtspersoon, die echter geen partij is bij de overeenkomst van 31 oktober 1994, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen waaruit volgt dat hij (tevens) onrechtmatig handelde tegenover de aandeelhouder van de holding. Van zulke omstandigheden is niets gesteld of gebleken. Er is geen sprake van bewuste benadeling van [gedaagde] en bovendien is niet gebleken dat de aandeelhouder – de holding, of de aandeelhouder in de holding, [gedaagde] – benadeeld is door dit handelen; tot het vermogen van de aandeelhouder behoren immers de aandelen in, niet de activa van het reisbureau. Dat de holding en [gedaagde] enig aandeelhouders zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Als de gestelde malversaties van [eiser] al hebben plaatsgevonden, dan leiden ze tussen de partijen bij de overeenkomst van 31 oktober 1994 niet tot een tekortschieten van [eiser].

25. Wat de gevorderde schadevergoeding aan het reisbureau betreft, stelt de rechtbank voorop het verweer dat privé-onttrekkingen – hierboven omschreven als het op kosten van het reisbureau zaken kopen en diensten laten verrichten en een schuld aan het reisbureau in rekening-courant laten ontstaan – binnen een familiebedrijf als het onderhavige gebruikelijk waren, door moeder [eiseres] ter comparitie verwoord als “Het is een familiebedrijf en zo is het altijd gegaan.” Dit gebruik wordt niet ontkend, maar wel betogen eisers in reconventie dat het gebruik alleen toelaatbaar is bij aandeelhouders en niet bij andere familieleden. Analyseert de rechtbank de situatie, dan constateert zij het volgende. Het reisbureau heeft stilzwijgend toestemming gegeven voor een aantal onttrekkingen die in de loop der jaren volgens een in de familie gegroeide gewoonte ten behoeve van (onder meer) [eiser] en zijn moeder hebben plaatsgevonden. De onttrekkingen leidden ten gevolge van deze toestemming niet tot schade. Deze stilzwijgende toestemming is hetzij voor een periode van jaren, hetzij steeds opnieuw gegeven. Dit blijkt uit de stukken, waaronder facturen zijn uit 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003. Op deze facturen is duidelijk te zien wat gefactureerd wordt, zodat voor het reisbureau eenvoudig viel na te gaan of deze zaken haar zelf betroffen of een familielid in privé. Gesteld noch gebleken is dat het reisbureau de facturen niet kende. Uit het uitblijven van enige reactie kon en mocht [eiser] naar het oordeel van de rechtbank afleiden – zoals hij impliciet betoogt – dat de goedkeuring steeds opnieuw werd gegeven of van kracht bleef, althans dat het reisbureau naliet een beroep op doeloverschrijding te doen (art. 2:7 BW) na betaling van de litigieuze facturen. Dat het reisbureau aan deze praktijk een einde wil maken, is begrijpelijk, het is zelfs juist. De eisen van redelijkheid en billijkheid echter, die de door de – steeds herhaalde of voortdurende – stilzwijgende toestemming om onttrekkingen te doen, ontstane rechtsverhouding beheersen, verzetten zich thans tegen het terugvorderen van de willens en wetens – want de facturen zijn duidelijk – voor [eiser] gedane betalingen.

26. Een bijzondere positie nemen de vorderingen in die zijn gebaseerd op het beschikbaar stellen van middelen en tijd voor Orange Factory, het bedrijf van [eiser]s echtgenote. In beginsel geldt daarvoor hetzelfde als onder 25 is overwogen – het reisbureau heeft dit stilzwijgend toegelaten – en voorts is de vordering tot schadevergoeding die wordt gesteld op [eiser]s halve salaris over de periode juli 2001 tot februari 2004 een niet deugdelijk met cijfers onderbouwde slag in de lucht waaraan de rechtbank voorbijgaat.

27. Het voorgaande betekent dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen met veroordeling van eisers in de kosten.

Tenslotte en ten overvloede in conventie

28. De beslissingen in conventie – die voor een deel in het dictum van dit vonnis definitief worden afgedaan, zodat daartegen hoger beroep openstaat – betreffen onder meer de zaak die partijen het meest verdeeld houdt, de nakoming van de overeenkomst van 31 oktober 1994. Als partijen in dit vonnis aanleiding zien om, met inachtneming van die beslissing alsnog met elkaar te gaan praten over de financiële afwikkeling van deze zaak, staat daarvoor de mogelijkheid van mediation via de rechtbank nog steeds open. Zij dienen daartoe onder verwijzing naar dit vonnis, schriftelijk contact met de griffie op te nemen.

De beslissing

De rechtbank, recht doende,

In conventie

veroordeelt gedaagden binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis eraan mee te werken dat alle aandelen in het reisbureau aan [ei[eiser] worden geleverd tegen betaling door hem van € 181.512,09,

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, om ingeval zij na betekening van dit vonnis in gebreke mochten blijven aan bovenstaande veroordeling te voldoen, aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 50.000,- per dag, echter met een maximum van € 1.000.000,-,

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure voor zover gevoerd door moeder [eiseres]; deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van haar gevallen, bepaald op € 120,50 aan verschotten en € 662,- voor salaris van de procureur,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

bepaalt dat de zaak op de rol van 10 november 2004 wordt geplaatst teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen een akte te verzoeken zoals bedoeld in de overwegingen 19 en 21 en verstaat dat daarop bij akte van 8 december 2004 gereageerd kan worden,

houdt iedere verdere beslissing aan,

In reconventie

wijst de vordering af,

veroordeelt eisers hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van verweerders bepaald op € 3.448,- wegens salaris procureur,

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door J.D.A. den Tonkelaar en uitge-spro-ken in het openbaar op 13 oktober 2004.

de griffier de rechter