Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR5943

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-10-2004
Datum publicatie
18-11-2004
Zaaknummer
117237
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Inzage in boedelbescheiden.

Op grond van het verhandelde ter zitting is vooralsnog voldoende aannemelijk geworden dat gedaagden eiser voldoende in de gelegenheid hebben gesteld inzage te hebben in de zich onder hen bevindende stukken. Van hen kan niet worden verlangd dat zij eiser onbeperkt ter wille zouden moeten zijn in diens verzoeken om inzage in de stukken. Eiser geeft ook niet aan welke informatie hem nog ontbreekt of waarover nog onduidelijkheid bestaat, zodat zijn verzoek is aan te merken als een verzoek het onderzoek dat destijds in het kader van de toen lopende procedure heeft plaatsgevonden, te mogen herhalen. Gelet op het hiervoor overwogene wordt voorshands geoordeeld dat het belang van eiser bij herhaling van het onderzoek minder groot moet worden geacht dan het belang van gedaagden bij de door hen zozeer gewenste rust inzake deze kwestie. De vordering tot inzage in het pakket zal daarom worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 117237 / KG ZA 04-563

Datum vonnis: 12 oktober 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat en procureur mr. J.L. Zegelink te Elst,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat en procureur mr. C.G.M. van Rossum te Bemmel.

Het verloop van de procedure

Eiser heeft gedaagden ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Gedaagden hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij zijn producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. De gedaagden zijn broers respectievelijk zus van eiser. Eiser en gedaagden zijn de erfgenamen van vader [betrokkene] en moeder [gedaagde]. Vader is overleden op 24 januari 1989 en moeder op 3 mei 1996.

2. Gedaagden 1 en 4, hierna te noemen [gedaagde] en [gedaagde], waren ten tijde van het leven van de ouders, gemachtigd over de Rabobankrekeningen van de ouders te beschikken.

3. De rechtbank en het gerechtshof hebben in een eerdere bodemprocedure geoordeeld dat [gedaagde] en [gedaagde] op grond van de aan hen verleende volmachten niet gehouden waren na het overlijden van de moeder rekening en verantwoording af te leggen aan de andere erfgenamen, omdat [gedaagde] en [gedaagde] niet het feitelijk beheer over het vermogen van hun ouders hebben gehad.

4. Eiser is een eigen onderzoek naar de financiële informatie over zijn ouders gestart, waarvan de belangrijkste bronnen zijn:

- de belastingdienst,

- de Rabobank,

- de financiële administratie van de overleden ouders (“het pakket”).

5. De Rabobank is bereid haar medewerking aan dit onderzoek van eiser te verlenen, indien alle erfgenamen daarvoor hun toestemming geven.

Het geschil

1. Eiser vordert - kort weergegeven - dat gedaagden hoofdelijk zullen worden veroordeeld mee te werken aan de ondertekening van een brief aan de Rabobank, welke bij betekening door de deurwaarder van het vonnis per exploit zal worden bezorgd, met de volgende tekst

(...)

Een gelijkluidende verklaring als de onderhavige, reeds hebben ondertekend, dan wel op korte termijn zullen (moeten) ondertekenen, dat hij het navolgende machtigingsverzoek onderschrijft.

De erfgenamen van [betrokkene] en [betrokkene], beiden tot hun overlijden gewoond hebbende op het adres [adres], machtigen hierbij de Rabobank Nederland dan wel een lokale Rabobank hun broer en mede-erfgenaam [eiser], wonende te [adres] op zijn kosten alle door hem verzochte informatie – voor zover nog aanwezig – vóór datum van overlijden van voornoemde erflaters, te verstrekken.

(...)

alsmede dat gedaagden gezamenlijk alsmede hoofdelijk zullen worden veroordeeld de volledige financiële administratie (“het pakket”) te laten bezorgen ten kantore van het deurwaarderskantoor Van de Bos, Brehler, De Jong, waaraan ter zitting is toegevoegd dat eiser verzoekt deze financiële administratie gedurende een periode van vier weken na de dag der deponering bij de deurwaarder ter vrije beschikking voor onderzoek onder zich mag houden, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure. Ter zitting heeft eiser, na de pleidooien en de re- en dupliek, voorts nog zijn eis vermeerderd in die zin dat hij veroordeling van gedaagden verzoekt tot medewerking aan een onafhankelijk deskundigenonderzoek.

2. Eiser legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij er recht op heeft geïnformeerd te zijn over het financiële reilen en zeilen van zijn ouders, vooral daar waar twee van zijn broers als gemachtigde zijn opgetreden en hij sterke vermoedens heeft dat er in de loop der jaren veel geld is blijven hangen, zodat mogelijk hem, maar ook de andere erfgenamen te kort is gedaan. De belastingdienst is bereid alle gevraagde informatie te verschaffen, de Rabobank is daartoe bereid als alle erfgenamen daarmee instemmen. Daarom wil eiser medewerking van gedaagden aan het ondertekenen van een brief aan de Rabobank.

Eiser wil afgifte van het pakket, om dit in alle rust te kunnen bestuderen. In vorige procedures heeft het pakket ook al een rol gespeeld en heeft eiser ook inzage gehad, maar eiser stelt dat hij toen niet onbelemmerd onderzoek heeft kunnen verrichten, omdat hij vooraf aan de voormalige boekhouder moest aangeven wat hij wilde zien/weten, hij tijdgebrek had en op de vingers werd gekeken door [gedaagde] en [gedaagde]. Indien eiser niet zelf het pakket kan/mag bestuderen, wil hij daartoe opdracht kunnen geven aan een onafhankelijke deskundige.

3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, welk verweer hierna, voor zover nodig zal worden besproken.

De beoordeling van het geschil

1. Gedaagden verzetten zich tegen de vermeerdering van eis nu deze pas is ingesteld nadat vonnis is gevraagd.

2. Hoewel in een kort gedingprocedure geen strikte termijnen gelden ten aanzien van eiswijzigingen, wordt voorshands geoordeeld dat de onderhavige vermeerdering van eis zodanig laat in de procedure is ingesteld dat gedaagden in hun procesbelangen zouden worden geschaad indien het verzoek zou worden toegewezen. Overigens is de vermeerdering van eis zodanig onnauwkeurig en vaag geformuleerd dat deze reeds daarom niet zou kunnen worden toegewezen.

3. Het spoedeisend belang van eiser bij onderhavige vorderingen vloeit voldoende voort uit zijn stellingen.

4. Desgevraagd hebben gedaagden ter zitting in eerste instantie gesteld geen bezwaren te hebben tegen de vordering tot het ondertekenen van de brief aan de Rabobank, hoewel gedaagden daarbij gemotiveerd hebben gesteld dat de Rabobank geen (financiële) gegevens meer heeft anders dan over de afgelopen zeven jaren, zodat eisers verzoek aan de Rabobank niet de door hem gewenste informatie zal opleveren. Nadat de behandeling ter zitting tot twee keer toe is geschorst, hebben gedaagden vonnis gevraagd voor het geheel.

5. Nu gedaagden geen inhoudelijke bezwaren tegen het ondertekenen van een brief aan de Rabobank hebben geuit, - zij hebben zelfs in eerste instantie uitdrukkelijk gesteld daartegen geen enkel bezwaar te hebben - en daarvan ook anderszins niet is gebleken, zal voorshands worden geoordeeld dat gedaagden hun medewerking moeten verlenen aan de ondertekening van een brief aan de Rabobank. De gevraagde voorziening zal echter worden toegewezen op een wijze zoals hierna bepaald, waarbij bovendien de gevorderde dwangsom zal worden gematigd.

6. Ten aanzien van de afgifte van het zogenoemde pakket stellen gedaagden dat eiser in 1997 de mogelijkheid is geboden het pakket ten huize van [gedaagde] in te zien en dat hem tevens is aangeboden het pakket mee naar zijn eigen huis te nemen, maar dat hij van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt.

In het kader van de bodemprocedure in eerste aanleg heeft eiser wel gebruik gemaakt van de mogelijkheid het pakket in te zien. Gedaagden stellen dat het pakket daartoe is afgegeven op het kantoor van de advocaat van eiser, waar eiser en zijn advocaat alle tijd hebben gekregen om het pakket in te zien met als enig voorbehoud dat [gedaagde] en [gedaagde] daarbij aanwezig zouden zijn. Dat eiser vooraf eerst zou hebben moeten aangeven wat hij wilde zien/weten is niet waar volgens gedaagden. Het onderzoek door eiser heeft geresulteerd in een lijst met 11 vraagpunten. Nadien heeft een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van de advocaat van gedaagden, waarbij eiser en zijn advocaat, [gedaagde] en [gedaagde] met hun advocaat en de heer [betrokkene], accountant van zowel eiser als de ouders van partijen, aanwezig waren en heeft eiser de vraagpunten aan de orde gesteld. Waar mogelijk zijn de punten meteen afgehandeld en waar dat niet mogelijk was heeft de heer [betrokkene] in opdracht van eiser zelf nog de administratie uitgeplozen en de laatste vragen schriftelijk beantwoord, aldus gedaagden.

Gedaagden stellen dat zij behoefte hebben aan rust. Zij stellen dat eiser niet, 2,5 jaar na het arrest van het Hof, waarin eiser zich niet heeft laten horen, weer ineens de rust kan komen verstoren met zijn beschuldigingen jegens hen. Op die manier houdt het nooit op en zullen gedaagden nooit een punt achter de zaak kunnen zetten.

7. Eiser heeft niet weersproken dat hij, nadat hij twee keer een aanbod daartoe had afgeslagen, de stukken heeft ingezien en bestudeerd, dat dat heeft geresulteerd in een lijst met 11 vraagpunten en dat deze punten zijn besproken op een wijze als door gedaagden is gesteld. Dat eiser daarnaast blijkbaar zelf nog op zoek is gegaan naar antwoorden doet daaraan niet af. Nu voorts nergens uit blijkt dat eiser destijds voor het onderzoek een tijdslimiet is gesteld, moet het ervoor worden gehouden dat eiser, tezamen met zijn advocaat, voldoende tijd heeft genomen, althans heeft kunnen nemen, voor de bestudering van de stukken. Blijkbaar heeft de aanwezigheid van [gedaagde] en [gedaagde] eiser toen ook niet weerhouden een lijst met 11 vraagpunten te formuleren. De voorzieningenrechter acht de stelling van eiser dat hij door de beperkte tijdsduur en aanwezigheid van [gedaagde] en [gedaagde] is belemmerd in de bestudering van de stukken voorshands geoordeeld dan ook onvoldoende onderbouwd.

8. Op grond van het verhandelde ter zitting is vooralsnog voldoende aannemelijk geworden dat gedaagden eiser voldoende in de gelegenheid hebben gesteld inzage te hebben in de zich onder hen bevindende stukken. Van hen kan niet worden verlangd dat zij eiser onbeperkt ter wille zouden moeten zijn in diens verzoeken om inzage in de stukken. Eiser geeft ook niet aan welke informatie hem nog ontbreekt of waarover nog onduidelijkheid bestaat, zodat zijn verzoek is aan te merken als een verzoek het onderzoek dat destijds in het kader van de toen lopende procedure heeft plaatsgevonden, te mogen herhalen. Gelet op het hiervoor overwogene wordt voorshands geoordeeld dat het belang van eiser bij herhaling van het onderzoek minder groot moet worden geacht dan het belang van gedaagden bij de door hen zozeer gewenste rust inzake deze kwestie. De vordering tot inzage in het pakket zal daarom worden afgewezen.

9. Gelet op de familierechtelijke betrekkingen tussen partijen zullen de kosten van dit kort geding worden gecompenseerd.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. veroordeelt gedaagden, ieder afzonderlijk, binnen één week na betekening van dit vonnis, de brief met navolgende inhoud aan de Rabobank te zenden:

Rabobank Nederland

Directoraat Juridische en Fiscale aken

Juridische Zaken Particulieren

t.a.v. de weledelgestrenge heer mr. W.H.G.A. Filott

Postbus 221

5600 MA Eindhoven

Uw kenmerk: SM\92-WF.DOC/37048

Geachte heer Filott,

Ondergetekende, .........., wonende te ................., erfgenaam van [betrokkene] en [betrokkene], beiden tot hun overlijden gewoond hebbende op het adres Scherpe Hoek 32 te 6686 DE Doornenburg, machtigt hierbij de Rabobank Nederland dan wel een lokale Rabobank zijn/haar broer en mede-erfgenaam [eiser], wonende te [adres] op zijn kosten alle door hem verzochte informatie – voor zover nog aanwezig – vóór datum van overlijden van voornoemde erflaters, te verstrekken.

Plaat, datum

Naam/handtekening

2. veroordeelt gedaagden, ieder afzonderlijk, om ingeval hij/zij na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan bovenstaande veroordeling te voldoen aan eiser een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat hij/zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 5000,00,

3. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.Æ. Uniken Venema en in het openbaar uitgesproken door mr. J.T.G. Roovers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A. van Gemert op 12 oktober 2004.

de griffier de rechter