Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR5935

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-10-2004
Datum publicatie
18-11-2004
Zaaknummer
118077
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen staking van executie vonnis.

De vraag is of het feit dat Delgromij er in de dagvaarding van 3 juni 2004 geen rekening mee heeft gehouden dat op haar bankrekening reeds de helft van de door haar in de dagvaarding gevorderde pachtpenningen was bijgeschreven, een feit is dat ná het wijzen van het vonnis aan het licht is gekomen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 118077 / KG ZA 04-606

Datum vonnis: 7 oktober 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 21 september 2004,

procureur mr. W.H.B.M. Litjens,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELGROMIJ B.V.,

gevestigd te De Bilt,

gedaagde,

procureur mr. E.H.M. Harbers.

Het verloop van de procedure

Eiser -hierna te noemen: [eiser]- heeft gedaagde -hierna te noemen: Delgromij- ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Delgromij heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Zijdens [eiser] zijn daarbij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. [eiser] heeft van Delgromij een perceel (weide)grond ter grootte van ongeveer 7 ha, kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A nummer 1207 (hierna te noemen: de grond), gepacht van Delgromij.

2. Bij verstekvonnis van 12 juli 2004 van de pachtkamer van deze rechtbank, sector kanton, locatie Nijmegen, is [eiser] (onder meer) veroordeeld tot betaling aan Delgromij van € 7.229,52 wegens achterstallige pacht tot en met 2003. Voorts is bij het verstekvonnis

de pachtovereenkomst, met betrekking tot de grond, tussen partijen ontbonden en is [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de grond.

Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3. Delgromij heeft het verstekvonnis aan [eiser] doen betekenen. Voorts heeft zij de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis aangekondigd.

4. [eiser] is in verzet gekomen van het verstekvonnis. De mondelinge behandeling van het verzet vindt plaats op 11 oktober 2004 voor de voormelde pachtkamer.

5. [eiser] heeft de grond thans nog in gebruik. Op de grond en het eveneens bij [eiser] in gebruik zijnde aangrenzende perceel van AMEV, ter grootte van ongeveer 5 ha, dat één geheel vormt met de grond, lopen 15 paarden (met enkele veulens) van [eiser].

Het geschil

1. [eiser] betwist (inmiddels) dat hij achterstallige pacht verschuldigd is aan Delgromij. Om die reden is hij van het verstekvonnis in verzet gekomen. In dit kort geding vordert [eiser] de staking van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. [eiser] legt daaraan ten grondslag dat Delgromij misbruik maakt van haar bevoegdheid om het verstekvonnis ten uitvoer te leggen. Hij stelt daartoe dat hij eind mei 2004 de helft, te weten € 3.615,00, van de door Delgromij gestelde achterstallige pacht heeft betaald aan Delgromij. Volgens [eiser] is daar in de dagvaarding in de zaak die heeft geleid tot het verstekvonnis ten onrechte geen rekening mee gehouden. [eiser] is bereid om (ondanks de betwisting van de schuld) voor het resterende gedeelte van de door Delgromij gestelde achterstallige pacht zekerheid te stellen.

Volgens [eiser] mag Delgromij onder deze omstandigheden het verstekvonnis niet ten uitvoer leggen.

2. Delgromij bestrijdt niet dat eind mei 2004, namelijk op 28 mei 2004, een bedrag van € 3.615,00 ter gedeeltelijke aflossing op de door haar gestelde pachtschuld van [eiser] is bijgeschreven op een bankrekening van haar. Volgens Delgromij is daar in de nadien

op 3 juni 2004 uitgebrachte dagvaarding ter inleiding van de zaak voor de pachtkamer, waarvoor de stukken op 1 juni daarvóór naar de deurwaarder waren gestuurd, geen rekening mee gehouden omdat Delgromij toen nog niet wist dat [eiser] alsnog het genoemde bedrag had laten bijschrijven (via een bankrekening van zijn zoon) op een bankrekening van Delgromij. Delgromij is van mening dat ondanks het feit dat [eiser] een gedeelte van de door Delgromij gestelde pachtschuld heeft betaald, zij geen misbruik maakt van haar bevoegdheid als zij het verstekvonnis ten uitvoer legt, omdat alleen het nog openstaande gedeelte van de door haar gepretendeerde geldvordering zal worden geïnd. Omdat [eiser] volgens Delgromij ondanks de betaling van 28 mei 2004 nog steeds een pachtschuld heeft aan Delgromij, namelijk voor de helft van de door haar in de dagvaarding van 3 juni 2004 gevorderde pachtpenningen, vindt Delgromij dat zij ook de in het verstekvonnis gegeven veroordeling tot ontruiming van de grond ten uitvoer mag leggen.

De beoordeling van het geschil

1. Voorop dient te worden gesteld dat het niet aan de voorzieningenrechter is om aan een door de rechter in een bodemprocedure gewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis -zoals het verstekvonnis van de pachtkamer- de kracht tot tenuitvoerlegging bij voorraad te ontnemen. Dit is alleen anders als

de tenuitvoerlegging -executie- van het vonnis misbruik van bevoegdheid zou opleveren. Daarvan is sprake als het te executeren vonnis klaarblijkelijk berust op een evidente juridische of feitelijke misslag van de rechter die het vonnis heeft gewezen, of als er zich nadat het vonnis is gewezen, feiten hebben voorgedaan of aan het licht zijn gekomen die klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand doen ontstaan als het vonnis onverwijld ten uitvoer wordt gelegd.

2. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat het verstekvonnis berust op een kennelijke juridische of feitelijk misslag van de pachtkamer, of dat er feiten zijn voorgevallen ná het wijzen van het verstekvonnis die aan de zijde van [eiser] een noodtoestand doen ontstaan als het verstekvonnis direct ten uitvoer wordt gelegd.

De vraag is daarom of het feit dat Delgromij er in de dagvaarding

van 3 juni 2004 geen rekening mee heeft gehouden dat op haar bankrekening reeds de helft van de door haar in de dagvaarding gevorderde pachtpenningen was bijgeschreven, een feit is dat ná het wijzen van het vonnis aan het licht is gekomen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval.

3. De dagvaarding van 3 juni 2004 is aan [eiser] persoonlijk uitgereikt. Ter zitting in kort geding heeft [eiser] dan ook verklaard dat hij er mee bekend was dat hij was opgeroepen om te verschijnen voor de pachtkamer. Volgens [eiser] heeft hij er later niet meer aan gedacht omdat hij veel aan zijn hoofd had, waardoor hij uiteindelijk niet ter zitting voor de pachtkamer is verschenen. Ook als aannemelijk is dat Delgromij, zoals zij stelt, ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding er nog niet mee bekend was dat de helft van het door haar in de dagvaarding gevorderde bedrag aan pacht al was betaald,

volgt uit het vorenstaande dat in ieder geval [eiser] wist dat de dagvaarding niet correct was. In zoverre is er dan ook geen sprake van een feit dat pas aan het licht is gekomen nádat het verstekvonnis is gewezen. [eiser] had na ontvangst van de dagvaarding Delgromij er op kunnen wijzen dat hij de helft van de gevorderde pacht al had betaald, en hij had voor de pachtkamer kunnen verschijnen om (onder meer) op dat punt verweer te voeren. [eiser] heeft dit alles nagelaten,

hetgeen in zijn risicosfeer ligt.

4. Mocht al geoordeeld kunnen worden dat het in de dagvaarding niet meegenomen zijn van de gedeeltelijke betaling wél een feit is dat pas na het wijzen van het verstekvonnis aan het licht is gekomen,

dan is nog de vraag of dat feit een noodtoestand aan de zijde van [eiser] doet ontstaan als het verstekvonnis onverwijld ten uitvoer wordt gelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit onvoldoende aannemelijk is geworden. [eiser] voert aan dat hij de grond nodig heeft om paarden te kunnen houden, omdat voor hem de handel in paarden een grote bron van inkomsten is geworden, naast het voeren van het tuindersbedrijf. [eiser] heeft evenwel geen enkel inzicht gegeven in zijn financiële positie. Voorts heeft [eiser], tegenover de betwisting van Delgromij, niet, althans onvoldoende, zijn stelling onderbouwd dat het perceel dat hij in gebruik heeft van AMEV (zelfs in een tijdelijke situatie) niet groot genoeg is om zijn paarden op te houden, en dat hij (ook op termijn) geen andere grond (in pacht) kan verkrijgen.

5. Al het hiervóór overwogene leidt ertoe dat de in dit kort geding gevorderde voorzieningen niet getroffen zullen worden.

6. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de kosten van dit kort geding worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevorderde voorzieningen;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Delgromij bepaald op € 241,00 voor griffierecht en op € 703,00 voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 7 oktober 2004.

de griffier de rechter