Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR5364

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-11-2004
Datum publicatie
03-02-2005
Zaaknummer
03 / 1436 WSFBSF 58
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is in zijn hoedanigheid van EU-student studiefinanciering toegekend in de vorm van een basis- en aanvullende prestatiebeurs.

Verweerster heeft aan eiser medegedeeld dat hij in de periode van september tot en met december 2001 ten onrechte studiefinanciering heeft ontvangen vanwege het feit dat niet minimaal 32 uur per maand is gewerkt. Eiser is medegedeeld dat als gevolg van het vorenstaande € 1547,12 aan kortlopende schuld en € 408,42 aan OV-schuld is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 03 / 1436 WSFBSF 58

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gevestigd te Groningen, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 17 september 2003.

2. Feiten

Eiser heeft de Belgische nationaliteit, is woonachtig in [woonplaats] en studeert vanaf 1 januari 2001 [studie] aan de Hogeschool […] in [plaats]. Ingaande 1 september 2001 is eiser in zijn hoedanigheid van EU-student studiefinanciering toegekend in de vorm van een basis- en aanvullende prestatiebeurs.

Medio 2003 heeft verweerster een zogeheten ‘controle studiefinancieringsrecht voor EU-studenten’ bij eiser uitgevoerd. Desgevraagd heeft eiser aan verweerster bewijsstukken toegezonden met betrekking tot de door hem in de periode van september tot en met december 2001 gewerkte uren.

Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft verweerster aan eiser medegedeeld dat hij in de periode van september tot en met december 2001 ten onrechte studiefinanciering heeft ontvangen vanwege het feit dat niet minimaal 32 uur per maand is gewerkt. Bij bericht 2001, nr. 5 van 29 augustus 2003 is eiser medegedeeld dat als gevolg van het vorenstaande € 1547,12 aan kortlopende schuld en € 408,42 aan OV-schuld is ontstaan.

Eiser heeft tegen vorenstaande besluitvorming van verweerster bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 5 november 2004, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Toorn.

4. Motivering

Verweerster heeft zich (kortgezegd) op het standpunt gesteld dat eiser in de in geding zijnde periode niet kan worden beschouwd als een migrerend werknemer in de zin van artikel 39 EG-verdrag en artikel 7, tweede lid, van EG-verordening 1612/68, gelet op de geringe omvang van de in die periode door eiser verrichte arbeid.

Herziening van de oorspronkelijke toekenningsbeslissing heeft verweerster in het bestreden besluit gegrond op het bepaalde in artikel 7.1, tweede lid en onder c, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), aangezien teveel studiefinanciering zou zijn toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

Blijkens het verweerschrift handhaaft verweerster evenwel deze in het bestreden besluit vervatte herzieningsgrond (naar het oordeel van de rechtbank: terecht) niet langer, aangezien herziening heeft plaatsgevonden buiten de in dat artikellid genoemde termijn van 18 maanden. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat herziening dient plaats te vinden op basis van de zogeheten c-grond van artikel 7.1 Wsf 2000, aangezien eiser wist of redelijkerwijs kon weten dat de toekenning onjuist was.

Gelet op het feit dat het bestreden besluit een onjuiste herzieningsgrondslag bevat komt dit besluit naar het oordeel van de rechtbank reeds om deze reden voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank zal, gelet op de nadere standpuntbepaling van verweerster, vervolgens bezien of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of ten dele in stand te laten. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 2.2, onder b, van de Wsf 2000 kan een studerende voor studiefinanciering in aanmerking komen indien hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 39 (voorheen 48) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG) (hierna: het Verdrag) heeft een studerende die tevens migrerend werknemer is, in Nederland een verblijfsrecht. Ingevolge artikel 7, eerste en tweede lid, van EG-verordening 1612/68 heeft een migrerend werknemer het recht om met betrekking tot studiefinanciering op dezelfde wijze te worden behandeld als de werknemer met de Nederlandse nationaliteit.

Gelet op het samenstel van deze bepalingen komt aan studerenden die als migrerend werknemer zijn te beschouwen studiefinanciering toe op grond van de Wsf 2000.

Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EG heeft een EG-onderdaan de hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 39 van het Verdrag indien deze reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat.

Met betrekking tot de vraag of een studerende als migrerend werknemer in vorenbedoelde zin kan worden aangemerkt, hanteert verweerster de vaste beleidslijn dat een student, bezien per afzonderlijke maand, minimaal 32 uur moet hebben gewerkt.

De rechtbank is van oordeel dat deze door verweerster gestelde strikte voorwaarde strijdig is te achten met de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG.

Gelet op bestendige jurisprudentie van dit Hof (vide onder meer de arresten van 23 maart 1982, zaak 53/81 (Levin), 26 februari 1992, zaak C357/89 (Raulin) en 8 juni 1999, zaak C-337/97 (Meeusen) heeft het begrip werknemer in de zin van het Verdrag een communautaire inhoud en mag dit begrip niet eng worden uitgelegd. Daarbij behoeft de omstandigheid dat in een arbeidsverhouding een zeer gering aantal uren is gewerkt en dientengevolge slechts een gering beloning wordt ontvangen, geenszins in de weg te staan aan de conclusie dat sprake is van werknemerschap in gemeenschapsrechtelijke zin.

Volgens bedoelde jurisprudentie zijn daarbij evenzeer de overige (objectieve) feiten en omstandigheden, betrekking hebbend op zowel de aard van de betrokken werkzaamheden als de betreffende arbeidsverhouding, in ogenschouw te nemen, zoals de vraag of een betrokkene voldoende uren heeft gewerkt om met het werk vertrouwd te raken alsmede het aspect van de economische waarde van de arbeid voor de werkgever.

Het stellen van een strikte minimumeis met betrekking tot het aantal per maand te werken uren, zonder daarbij de overige feiten en omstandigheden in ogenschouw te nemen, acht de rechtbank in dit verband rechtens onjuist. Voorts impliceert deze door verweerster gehanteerde beleidslijn dat het werknemerschap van een EU-studerende per afzonderlijke maand wordt bezien, hetgeen evenzeer strijdig is te achten met de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG (vide onder meer het hiervoor genoemde arrest Raulin), inhoudende dat de duur van de betrokken werkzaamheden in dezen eveneens een relevante factor dient te vormen.

In de onderhavige zaak stelt de rechtbank op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast, dat door eiser gedurende tenminste het gehele jaar 2001 op basis van een uitzendovereenkomst via Randstad Uitzendbureau B.V. voor een tweetal inleners structureel is gewerkt. Daarbij is door eiser gemiddeld circa 38 uur per maand loonvormende arbeid verricht (een 40-tal uren van ziekte in de weken 23 en 24 waarover loon is doorbetaald daarbij mede betrekkend), waaronder in de maanden september 2001 tot en met december 2001 respectievelijk 24, 28, 31 en 17,25 uur.

Het geheel van die omstandigheden in ogenschouw nemend is de rechtbank van oordeel, dat in de periode van september tot en met december 2001 sprake is van door eiser verrichte reële en daadwerkelijke arbeid welke niet kan worden aangemerkt als louter marginaal en bijkomstig van aard. Gelet hierop is eiser in de in geding zijnde periode door verweerster ten onrechte niet langer aangemerkt als werknemer in verdragsrechtelijke zin.

Gelet op het hiervoren overwogene berust het bestreden besluit in dit opzicht op een ondeugdelijke motivering en is er om die reden, gelet op het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen reden de rechtsgevolgen van dat besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Verweerder zal nader op het bezwaar van eiser dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

Niet gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerster nader op het bezwaar beslist, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de IB-groep het gestorte griffierecht ad € 31,- aan eiser vergoedt .

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: