Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR5191

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-09-2004
Datum publicatie
04-11-2004
Zaaknummer
118402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming huurwoning.

Onder omstandigheden hoeft verhuurder niet meer in te stemmen met een betalingsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 118402 / KG ZA 04-632

Datum vonnis: 28 september 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

ieder voor zich en als wettelijk vertegenwoordiger van:

3. [eiser],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisers bij dagvaarding van 28 september 2004,

procureur mr. P.L.O. van de Waarsenburg,

advocaat mr. H.J.M. Nijenhuis te Nijmegen,

tegen

de stichting

STICHTING STANDVAST WONEN,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

procureur mr. F.A.J. Klaver te Nijmegen.

Het verloop van de procedure

Eisers hebben gedaagde ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van het gevorderde.

De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit, de raadsman van gedaagde grotendeels overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities, en daarbij producties in het geding gebracht. Ten slotte is in verband met het spoedeisend belang van eisers bij de vorderingen op heden vonnis gewezen.

De vaststaande feiten

1. Eisers sub 1 en 2 (hierna afzonderlijk respectievelijk: de man en de vrouw) huren sedert 1994 van (de rechtsvoorgangster van) gedaagde (hierna: Standvast) de woning aan [adres]

te [woonplaats] (hierna: de woning). De man en de vrouw zijn van echt gescheiden. In ieder geval de vrouw woont met de minderjarige kinderen van haar en de man, de eisers sub 3 en 4, in de woning.

2. De man en de vrouw zijn bij verstekvonnis van deze rechtbank, sector kanton, locatie Nijmegen, van 6 februari 2004 veroordeeld tot betaling van (onder andere) achterstallige huurtermijnen tot aan januari 2004 bedragende € 848,24. Voorts is bij genoemd verstekvonnis de huurovereenkomst met betrekking tot de woning tussen partijen ontbonden. Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het is op 18 februari 2004 aan de man en de vrouw betekend.

De man en vrouw zijn van dit vonnis niet in verzet gegaan.

3. Standvast heeft diverse malen de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, althans de ontruiming van de woning, aangekondigd, voor het laatst tegen 29 september 2004. De huurachterstand bedraagt thans € 2.545,23.

Het geschil

1. Kort weergegeven vorderen eisers staking van de executie van het verstekvonnis. Zij leggen daaraan ten grondslag dat Standvast misbruik maakt van haar bevoegdheid om het verstekvonnis ten uitvoer te leggen. Eisers stellen daartoe dat Standvast thans niet in redelijkheid kan overgaan tot ontruiming van de woning omdat de vrouw een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en zij daarmee en met hulp van familie weer in staat zal zijn om de huur te betalen en de bestaande huurschuld aan de hand van een betalingsregeling die zij met Standvast wil treffen, af te lossen.

2. Standvast weigert -kort weergegeven- om een betalingsregeling te treffen over de huurachterstand omdat zij er geen vertrouwen in heeft dat zo’n regeling kan en zal worden nageleefd door de vrouw (en de man).

De beoordeling van het geschil

1. De man en de vrouw hebben niet de stelling van Standvast weersproken dat al zolang de huurovereenkomst tussen partijen bestaat, regelmatig de huur niet tijdig en/of niet volledig wordt betaald. Evenmin hebben zij de stelling van Standvast weersproken dat zij eerdere betalingsregelingen niet correct zijn nagekomen en dat er vóór de procedure die geleid heeft tot het verstekvonnis al drie eerdere gerechtelijke procedures zijn geweest met betrekking tot achterstallige huur. Onder die omstandigheden kan van Standvast in redelijkheid niet gevergd worden dat zij nogmaals instemt met een betalingsregeling. Dit geldt te meer omdat het, gelet op het debat over de vraag of de man en de vrouw samenwonen, thans onvoldoende aannemelijk is dat de vrouw in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. Daarbij komt dat de huurachterstand sinds het wijzen van het verstekvonnis fors is toegenomen. Wat er van zij dat de vrouw door slecht functioneren van haar vorige advocaat nog steeds geen uitkering heeft zoals zij stelt, dit heeft haar er niet van ontslagen om als huurster van de woning de huur te betalen, en in geval zij daartoe niet in staat is hierover actief in contact te treden met Standvast. Niet gebleken is dat zij en de man dit in voldoende mate hebben gedaan.

2. De man en de vrouw beroepen zich op de maatschappelijke taak van Standvast om huisvesting te bieden aan de vrouw, vooral om de minderjarige kinderen. Met die stelling gaan de man en de vrouw er aan voorbij dat de verantwoordelijkheid om hun kinderen onderdak te bieden in de eerste plaats ligt bij henzelf. In verband met die verantwoordelijkheid had het op de weg van de man en de vrouw gelegen om er alles aan te doen om de al meermalen aangekondigde ontruiming van de woning te voorkomen. Zoals hiervóór is overwogen is onvoldoende gebleken dat zij zich tot het uiterste hebben ingespannen om ontruiming te voorkomen. Daarbij hebben de man en de vrouw onvoldoende hun stelling onderbouwd dat de vrouw en de kinderen (in ieder geval tijdelijk) niet elders onderdak kunnen krijgen.

3. Al het hiervóór overwogene leidt ertoe dat de gevorderde voorzieningen niet worden getroffen.

4. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de man en de vrouw in de kosten van dit kort geding worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevorderde voorzieningen;

veroordeelt de man en de vrouw in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Standvast bepaald op € 241,00 voor griffierecht en op € 703,00 voor salaris procureur;

verklaart de kostenveroordeling in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 28 september 2004.

de griffier de rechter