Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR4880

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
05-11-2004
Zaaknummer
AWB 04/804
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kosten in bezwaar kunnen alleen door de bezwaarmaker worden gevorderd.

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklazard wegens ontbreken procesbelang; LJN AU7241.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 04/804

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder van 21 januari 2004.

2. Procesverloop

Tegen de in rubriek 1 aangeduide beslissing is door eiser beroep ingesteld.

Door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 28 september 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [gemachtigde], werkzaam bij de gemeente Arnhem.

3. Overwegingen

Bij besluit van 27 juni 2003 heeft verweerder de bijstandsuitkering van [A] bij wijze van maatregel verlaagd met 75% gedurende 2 maanden.

Tegen dit besluit is door eiser namens [A] op 23 juli 2003 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift, dat door eiser is ondertekend, is het volgende opgenomen: “Tot slot verzoekt ondergetekende om toekenning van proceskosten ad. € 644 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en verzoek ik u deze over te maken op mijn postbank-girorekening, nr. (....).”

Bij besluit van 7 oktober 2003 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de maatregel omgezet in een verlaging van 100% gedurende 1 maand.

Bij brief van 17 oktober 2003 heeft eiser verweerder verzocht hem de in verband met het bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.

Bij beslissing van 21 januari 2004 heeft verweerder dit verzoek afgewezen op de grond dat het niet aannemelijk is dat eiser beroepsmatig werkzaam is als rechtshulpverlener. Onder deze beslissing is vermeld dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt.

Op 28 januari 2004 heeft eiser tegen deze beslissing bezwaar gemaakt, welk bezwaarschrift onder toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter verdere behandeling als beroepschrift aan de rechtbank is doorgezonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin van de Awb is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:15, derde lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van eiser kennelijk is bedoeld als een verzoek op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, tweede volzin, van de Awb wordt op het verzoek beslist bij beslissing op bezwaar.

Derhalve heeft verweerder eisers bezwaar van 28 januari 2004 terecht op de voet van artikel 6:15 van de Awb ter verdere behandeling als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

Onder “belanghebbende” als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, dient te worden verstaan: degene wiens belang rechtstreeks is betrokken bij het in bezwaar bestreden besluit.

Gelet op de bewoordingen van het bezwaarschrift van 23 juli 2003 en het verzoek van eiser van 17 oktober 2003, moet het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten worden opgevat als te zijn gedaan door eiser persoonlijk en niet namens [A].

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet een belanghebbende is als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het verzoek van eiser is derhalve geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, zodat de beslissing daarop van verweerder geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is.

Aangezien het beroep van eiser niet is gericht tegen een besluit in de zin van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2004.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 26 oktober 2004