Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR4378

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
21-10-2004
Zaaknummer
114108 / FA RK 04-11338
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verzoekschrift ex artikel 41 lid 8 van de Wet BOPZ

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector familierecht

zaak/rekestnummer: 114108 / FA RK 04-11338

datum uitspraak: 20 oktober 2004

Beschikking

naar aanleiding van het verzoekschrift ex artikel 41 lid 8 van de Wet BOPZ van

Louis Henri Marie Hubert KROEKS,

in zijn hoedanigheid van Inspecteur voor de Gezondheidszorg voor de Regio Noordoost (hierna aangeduid als: de Inspecteur),

kantoorhoudende te Arnhem.

Belanghebbenden:

- J.R. T., wonende te Arnhem (hierna aangeduid als: de curator),

- A.A. T., geboren op 11 februari 1956, verblijvende in het psychiatrisch ziekenhuis De Gelderse Roos locatie Wolfheze (hierna aangeduid als: A.),

- dr. J.B. M., psychiater, verbonden aan het psychiatrisch ziekenhuis (hierna aangeduid als: de psychiater).

De procedure

Het verzoekschrift (met bijlagen) dateert van 26 april 2004. Het is eerst bij het arrondissementsparket te Arnhem beland en vervolgens op 3 mei 2004 bij de rechtbank ingekomen.

Na uitstel van een eerder geplande zitting heeft op 21 juli 2004 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, die op 29 september 2004 is voortgezet. Bij de eerste zitting waren alleen aanwezig de Inspecteur, de curator en de vertegen-woordiger van het Openbaar Ministerie.

Vervolgens zijn ingekomen:

- de brieven (met bijlagen) van mr. M.A. Smits, ingekomen op 24 augustus 2004, 3 september 2004 respectievelijk 13 september 2004;

- de brief (met bijlage) van mr. J.A. Hagen, ingekomen op 10 september 2004.

Bij de voortzetting van de mondelinge behandeling zijn verschenen:

a. de psychiater,

b. dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater,

c. drs. F.J.M. Strijthagen, psycholoog,

allen verbonden aan genoemd psychiatrisch ziekenhuis, en allen bijgestaan door mr. Hagen,

d. de curator, vergezeld door de inmiddels aan hem toegevoegde advocaat mr. M.A. Smits,

e. de officier van justitie.

Ter gelegenheid van de voortzetting van de mondelinge behandeling hebben mrs. Smits en Hagen pleitnotities overgelegd, die bij het proces-verbaal van de zitting zijn gevoegd.

De feiten

1. A. heeft een psychia-trische voor-geschiedenis vanaf de jaren ’70. Als diagnose is gesteld schizo-frenie van het paranoïde type. Zij is een aantal keren lang-durig opgenomen geweest in psychiatrische ziekenhuizen en thans, sinds april 2000, met een rechterlijke machtiging opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis te Wolfheze. De dwang--opname is bij beschikking voortgezet verblijf van deze rechtbank van 14 juli 2004 voor een periode van maximaal een jaar verlengd.

2. A. is bij beschikking van deze rechtbank van 14 januari 1999 onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis. Haar broer J.R. T. is sindsdien haar curator.

3. A. gebruikte sinds eind 2000 het antipsychoticum Risperdal.

4. In december 2002, ter gelegenheid van de overplaatsing van A. naar het SocioTherapeutisch Centrum (STC), werd dr. M. haar behandelend psychiater.

5. Per fax van 15 december 2003 heeft de curator aan de psychiater geschreven:

Tijdens mijn laatste bezoeken aan A. is mij opgevallen dat A. in toenemende mate last heeft van onvrijwillige bewegingen/tics. Dit is een bekend symptoom van de anti-psychotica die A. slikt. Gezien het risico van irreversi-biliteit van deze symptomen zal ik graag per omgaande van u ver-nemen welke mogelijkheden u ziet om hier iets aan te doen.

en per fax van 17 december 2003:

Met verwijzing naar mijn fax aan u van 15 december jl. - waar ik geen reactie op mocht ontvangen - deel ik u mede mij niet te kunnen verenigen met de verstrekking van risperdal aan A.. Ik verzoek u dan ook met onmiddellijke ingang de verstrekking van deze medicatie te beëindigen. Ik zal A. adviseren de medicatie niet meer in te nemen.

6. Bij brief van 17 december 2003 heeft de psychiater aan de curator geschreven:

In antwoord op uw schrijven d.d. 15-12-2003 kan ik u mededelen dat de klachten, waar u over spreekt, zijn opgevallen bij de behandelaar, de verpleging of uw zuster. Met uw zus zal hierover gesproken worden.

en bij brief van 22 december 2003:

Hierbij deel ik u mede een gesprek met uw zuster te hebben gevoerd, waarbij geen bijwerkingen van medicijnen konden worden vastgesteld, noch door uw zuster, noch door mij persoonlijk. De eerder gedane mededelingen over bijwerkingen blijken dus niet in de realiteit terug te vinden te zijn.

Er bestaat geen reden de medicatie te veranderen.

Het toedienen van Risperdal aan A. is vervolgens gecontinueerd.

7. Per fax van 22 december 2003 heeft de curator bij de klachten-commissie van het ziekenhuis een klacht tegen de psychiater ingediend, inhoudende dat deze geen gevolg heeft gegeven aan zijn verzoek van 17 december 2003.

8. Per fax van 29 december 2003 heeft de curator het bestuur van het psychiatrisch ziekenhuis om een beslissing verzocht voor het geval dat de klachtencommissie niet binnen de termijn van twee weken beslist. De fax bevat daarnaast onder meer het volgende:

Omdat curanda niet in staat wordt geacht tot een redelijke waardering van haar belangen ter zake van haar behandeling, heb ik als haar curator telkens toestemming gegeven voor haar behandeling. Over de te verstrekken anti-psychotica ben ik nimmer geïnformeerd: mij is nimmer informatie gegeven over de reden van de keuze van risperdal en over de risico’s van dit medicijn. Voor wat betreft dit onder-deel van de behandeling is met andere woorden geen sprake van “informed consent” en geschiedt de behandeling daardoor zonder de daarvoor vereiste toestemming.

9. Nog dezelfde dag is door de directeur cliëntenzorg een second opinion aangekondigd. Die is de volgende dag verricht door dr. Kaiser. Haar rapportage vermeldt over het gesprek met A.:

Zij geeft aan geen klachten te hebben en deze medicatie te willen behouden. Ook bij gerichte vragen naar bepaalde bijwerkingen benoemt zij wel de bewegings-onrust maar heeft er geen last van. Zij begrijpt de vragen hieromtrent goed, overweegt en geeft doordacht antwoord. Bij navragen weet zij waar zij antwoord op geeft en geeft zij een vergelijkbaar consistent antwoord.

(…)

Met haar gesproken over andere antipsychotica, zoals Seroquel of Zyprexa. Zij noemt daarop dat het haar niet uitmaakt welk middel zij heeft, als het maar dezelfde werking heeft als Risperdal en als het middel zo min mogelijk bijwerkingen heeft.

Dr. Kaiser heeft geconcludeerd dat sprake was van lichte extra-piramidale bij-werkingen, zeer waarschijnlijk als gevolg van de Risperdal. Zij heeft geadviseerd om de Risperdal af te bouwen en te vervangen door een ander atypisch neurolepticum met dezelfde effectiviteit maar minder kans op extrapiramidale bijwerkingen.

In januari 2004 is de medicamenteuze behandeling van A. over-gedragen aan dr. Kaiser en is gestart met de omschakeling op Seroquel.

10. De klachtencommissie heeft bij brief van 30 december 2003 de curator een ontvangst-bevestiging van zijn klacht gestuurd en hem opgeroepen voor een hoorzitting. Die heeft op 12 januari 2004 plaatsgevonden.

Bij brief van 30 januari 2004 heeft de klachtencommissie aan de curator geschreven:

Reeds nu kan ik u mededelen dat uw klacht door de commissie ongegrond is verklaard. Het ligt in de bedoeling van de commissie u de gemotiveerde beschikking zo spoedig mogelijk te doen toekomen.

Bij brief van 30 maart 2004 is de beschikking van de klachten-commissie aan de curator verzonden.

11. Bij brief van 13 april 2004 heeft de curator aan de Inspecteur verzocht om zijn klacht ter beoordeling aan de recht--bank voor te leggen. De inspectie heeft op 21 april 2004 geverifieerd dat A. tegen het voorleggen van de klacht aan de rechtbank geen bezwaar had.

Het verzoek

12. De Inspecteur verzoekt de rechtbank een uitspraak te doen op de door de curator ingediende klacht.

De beoordeling

13. Het verzoek is gebaseerd op art. 41 lid 8 Wet BOPZ.

Gezien de gevolgde klachtenprocedure, is de Inspecteur ontvankelijk in zijn verzoek.

14. Op grond van art. 41 lid 1 Wet BOPZ kan, voor zover hier van belang, een klacht worden gericht tegen de in art. 38 lid 5 3e volzin Wet BOPZ bedoelde be-slissing tot toepassing van een -behandeling conform een behandelings-plan in situaties dat daarover geen overeenstemming (meer) bestaat of er verzet van de patiënt is (hierna overeenkomstig het spraak-gebruik aangeduid als dwang-behandeling).

15. Namens de curator is ter zitting de volgende klachtomschrijving gegeven, samengevat:

a. ten onrechte heeft de psychiater geweigerd Risperdal af te bouwen,

b. ten onrechte is de curator niet geïnformeerd over onder andere de risico’s van Risperdal,

c. ten onrechte is niet tijdig en/of adequaat gereageerd jegens de curator op zijn brieven vanaf 10 november 2003, met name ook de brief d.d. 15 december 2003, alsmede de klachtbrieven d.d. 22 december 2003 en 29 december 2003.

Zoals de advocaat van de curator heeft aangegeven, is de klacht anders geformuleerd dan aanvankelijk door de curator.

16. De rechtbank overweegt dat uit het systeem van art. 41 Wet BOPZ voort-vloeit dat in deze procedure slechts de klacht zoals die aan de klachten-commissie is voor-gelegd, beoordeling behoeft. Uit de formulering van de klacht in de brief van de curator van 22 december 2003 en de nadere uit-werking daarvan in zijn pleit-notitie van 12 januari 2004 blijkt onmisken-baar dat zijn klacht uitsluitend gericht was op de weigering van de psychiater om de toediening van Risper-dal te staken, en gebaseerd was op de stelling dat voor die toediening zijn toestemming nodig was, maar ontbrak.

Anders dan de advocaat van de curator stelt, kan de per fax verstuurde brief van 29 december 2003 niet als een klacht worden aangemerkt, aangezien deze brief gericht was aan het bestuur van het ziekenhuis en niet aan de klachten-commissie.

Het voorgaande betekent dat rechtbank niet verder zal ingaan op de onder 15b en 15c bedoelde klachten.

17. De andere - wel door de klachtencommissie behandelde - klacht komt er op neer dat het vanaf 17 december 2003 tegen de wil van de curator voort-zetten van de toediening van Risperdal aan A. moet worden aangemerkt als een (impliciete) beslissing tot dwang-behandeling en dat die ten onrechte is toegepast.

18. Van dwangbehandeling is sprake als een behande-lingsplan wordt uit-gevoerd zonder overeen-stemming met of bij verzet van de patiënt. In casu bestond er aanvankelijk geen probleem: de Risper-dal was in het behandelings-plan opgenomen en de psychiater, A. en de curator waren het eens over de toediening ervan.

Vanaf 17 december 2003 ontbrak echter de overeenstemming met de curator, sterker nog: hij verzette zich tegen het gebruik van Risper-dal. Of dit relevant is, hangt af van het antwoord op de vraag met wie de psychiater overeen-stemming over de behandeling moest hebben, met A. of met de curator als haar wettelijk ver-tegen-woordiger. Als overeen-stemming met de curator vereist was, moet zijn ver-zoek om te stoppen met Risper-dal worden beschouwd als een partiële opzegging van de behandel-over-eenkomst en was de voortzetting van de toe-diening van Risperdal strikt genomen dwang-behandeling. Als volstaan kon worden met instemming van A. was daarvan geen sprake.

19. Van belang is dus de rechtsverhouding tussen de curator en de curanda.

Ingevolge art. 1:381 lid 2 BW is een onder curatele gestelde persoon onbekwaam rechts-handelingen te verrichten voor zover de wet niet anders bepaalt. Art. 1:381 lid 4 BW bepaalt dat inzake aangelegen-heden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding de artt. 1:453 en 1:454 BW (inzake het mentorschap) van overeenkomstige toe-pas-sing zijn. Op grond van art. 1:381 lid 4 BW j° art. 1:453 lid 2 1e volzin BW vertegen-woordigt de curator de betrokkene inzake genoemde aan-gelegen-heden in en buiten rechte, tenzij op grond van wet of verdrag vertegenwoordiging uitgesloten is. Op de behandeling van A. is in de eerste plaats de Wet BOPZ van toepassing. Die wet bevat (net als de Wet op de geneeskundige behandelingsovereen-komst) zulke uitzonderingen, die er op neer komen dat in sommige gevallen de feitelijke bekwaamheid prevaleert boven de handelings-onbekwaam-heid.

Zo geldt op grond van art. 38 lid 2 2e en 3e volzin Wet BOPZ dat de behandelaar overleg (over behandeling en behandelingsplan) dient te plegen met een vertegenwoordiger, als hij beslist dat een patiënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waarde-ring van zijn belangen ter zake van de voorgestelde behandeling, met andere woorden - in een terminologie die de recht-bank in het vervolg van deze beschikking ook zal gebruiken - als de patiënt wilsonbekwaam is. De tweede volzin van art. 38 lid 2 Wet BOPZ bepaalt dat het overleg moet worden gepleegd met de wettelijke vertegenwoordiger van de patiënt of, indien deze ontbreekt, een door de patiënt schriftelijk daartoe gemachtigd persoon, de derde volzin bevat het vervolg van de rangorde van andere vertegenwoordigers.

20. Bij psychiatrische patiënten als A. is het al dan niet aanwezig zijn van wilsbekwaamheid afhankelijk van de context. De beoordeling ervan dient dan ook steeds te geschieden ten aanzien van een concrete beslissing of aangelegenheid. In de onderhavige zaak was dat de beslissing om het gebruik van Risperdal al dan niet voort te zetten.

21. Uitgangspunt is de wilsbekwaamheid van de patiënt. De beslissing dat een patiënt wilsonbekwaam is, is een formele beslissing door de behandelaar, waartegen op grond van art. 41 lid 1 Wet BOPZ geklaagd kan worden. In casu is een dergelijke beslissing niet genomen. Met art. 38 lid 2 2e en 3e volzin Wet BOPZ wordt beoogd dat de behande-laar bij wilsonbekwaam-heid van de patiënt met een vertegen-woordiger als bedoeld in die bepalingen, overleg pleegt. Het zou in strijd met de bedoeling van de wet zijn als het bestaan van deze verplichting mede afhankelijk zou zijn van het nemen van de formele beslissing dat de patiënt wilsonbekwaam is. Kortom, bedoeld overleg dient ook plaats te vinden als de behandelaar niet bedoelde beslissing neemt, maar de patiënt toch wilsonbekwaam is.

Namens de psychiater is nog aangevoerd dat hij niet met een ver-tegen-woordiger in zee hoeft te gaan als dat in strijd is met de zorg van een goed hulpverlener - waarmee hij kennelijk een beroep doet op de uit-zondering in de laatste bijzin van art. 38 lid 2 3e volzin Wet BOPZ. Dit verweer wordt ver-worpen, daar de uitzondering alleen betrekking heeft op ver-tegenwoordigers als bedoeld in de derde volzin van art. 38 lid 2 Wet BOPZ en dus niet op de in de tweede volzin van die bepaling bedoelde vertegen-woordigers zoals curatoren.

22. Het overleg met de vertegenwoordiger is niet vrijblijvend. Op grond van art. 38 lid 5 2e volzin Wet BOPZ mag immers bij wilsonbekwaam-heid van de patiënt geen behandeling worden toegepast als de vertegen-woordiger zich tegen de behandeling verzet (met dien verstande - aldus lid 5 3e volzin van het artikel - dat de behandeling toch kan worden toegepast voor zover dat volstrekt nood-zakelijk is om gevaar (vóór 1 januari 2004 nog: ernstig gevaar) af te wenden).

23. Conclusie uit het voorgaande is dat als A. wilsonbekwaam was inzake (de voortzetting van) het gebruik van Risperdal, over dat gebruik overeen-stemming met de curator nodig was en de psychiater na de fax van de curator van 17 december 2003 de toediening van die medicatie had behoren te beëin-digen. De uitzonderings-situatie, bedoeld in art. 38 lid 5 3e volzin Wet BOPZ, deed zich immers niet voor.

Als A. wel wilsbekwaam was inzake (de voortzetting van) het gebruik van Risperdal, behoefde slechts met haar over-een-stemming over de toediening ervan te bestaan. Instemming van de curator zou dan wel wenselijk zijn, maar niet noodzakelijk. Van de door de curator gestelde (impliciete beslissing tot het toepassen van) dwang-behandeling zou dan geen sprake zijn.

24. Vastgesteld moet dus worden of A. medio december 2003 wils-bekwaam was ten aanzien van de beslissing het gebruik van Risperdal al dan niet voort te zetten.

Voor wilsbekwaamheid is zowel inzicht als besluitvormings-vermogen vereist. Nodig was dat A. de op haar bevattings-vermogen afgestemde infor-matie kon begrijpen naar de mate die voor de aard en de reikwijdte van de beslissing nood-zakelijk was. Te denken valt daarbij onder meer aan inzicht in de aard en het doel van de behandeling met Risperdal, in de gevolgen en risico’s (zoals bijwerkingen) van die behandeling ervan, in het bestaan van (reële) alternatieven en in de voor- en nadelen daar-van.

Om A. wilsbekwaam te achten, was daarnaast nodig dat zij in staat was om een weloverwogen, op begrip gebaseerde keuze te maken. Centraal daarbij staat het vermogen om de aard en de gevolgen van de beslissing te begrijpen. Relevant bij de beoordeling daarvan kunnen onder meer zijn de innerlijke consistentie van de over-wegingen en de motieven van A. voor haar keuze.

25. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat reden tot twijfel of A. terzake wils-bekwaam kan worden geacht. De rechtbank beschouwt een aantal feiten en omstandigheden als contra-indicaties.

Allereerst het feit dat A. onder curatele staat wegens een geeste-lijke stoor-nis waardoor zij, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar belangen behoorlijk waar te nemen.

In de tweede plaats het gegeven dat het behandelingsplan door de curator “voor akkoord” en door A. (slechts) “voor gezien” pleegt te worden getekend. Door het behandelingsplan op die manier op te stellen, heeft de behandelaar op zijn minst de schijn gewekt dat hij de curator als weder-partij bij het behandelingsplan beschouwde en dus A. wils-onbekwaam achtte. Niet van belang is dat, zoals de curator stelt, de psychiater nooit te kennen heeft gegeven dat A. wilsbekwaam was, aangezien dat ook het uitgangspunt is. Uit art. 38 lid 2 2e volzin Wet BOPZ (zie in dit verband ook het onder 19 overwogene) volgt dat slechts bij wils-onbekwaam--heid een expliciete beslissing van de behandelaar nodig is.

Een andere contra-indicatie is het ontbreken van ziektebesef en ziekte-inzicht. Anders dan de curator meent, is dit enkele gegeven echter niet zonder meer voldoende om wilsonbekwaamheid ten aanzien van de medicatie aan te nemen. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat A. niet zelf verantwoordelijk is voor de inname van haar medicatie.

Voorts bevat de inventarisatie van 13 juni 2003 onder meer de volgende passages over A.:

Cliënte is niet goed in staat te komen tot een gewogen oordeel over de consequenties die haar ziekte hebben

Cliënte is in haar beleving niet ziek.

Medicatie-inname en omgaan met medicatie behoeft een voortdurend toeziend oog en begeleiding. (…) Uit vele uitspraken blijkt echter dat zij alleen overtuigd is van de nadelige resultaten van de medicatie en volstrekt het nut van medicatie niet inziet.

Feitelijk heeft cliënte op alle levensgebieden een voortdurend toezicht en onder-steuning nodig. Cliënte erkent dit gegeven niet.

Gezien opleiding en aanvankelijke ontwikkeling lijkt haar intelligentiemogelijk-heid iets boven normaal. Psychose en schizofrenie overschaduwen deze capaciteit echter volledig.

Verder wordt in het verslag van het verloop van de behandeling van medio 2003 tot media 2004 gemeld:

De vorderingen die afgelopen jaar geboekt zijn, zijn minimaal. Cliënte begrijpt en accepteert niet dat ze antipsychotische medicatie nodig heeft en kan geen enkele garantie geven dat zij deze medicatie niet (toevoeging recht-bank) staakt wanneer zij de medicatie in eigen beheer zou krijgen. Cliënte accepteert de antipsychotische medicatie feitelijk alleen omdat verpleeg-kundigen haar dit elke dag op gezette tijden toedienen. Deze kwestie is afgelopen jaar meerdere keren met cliënte besproken.

Daarbij bevatten dit verslag en de inventarisatie en het behandelings-plan van 13 juni 2003 vele passages waarin A. als een op vele gebieden (financiën, hygiëne, voeding, seks) kwetsbaar persoon wordt aangemerkt die zeer vatbaar is voor misbruik. Dit sluit aan bij de stelling van de curator dat zij zeer beïnvloedbaar is. Volgens hem is de instemming van A. met het voortzetten van Risperdal mede ge-schied op basis van druk dan wel intimidatie door de behandelaren.

Verder valt op de wisselende opstelling van A. zelf ten aanzien van de bijwerkingen van Risperdal. Dat die bijwerkingen zich medio december 2003 al voordeden waren, staat wel vast. Uit de brieven van de psychiater moet worden afgeleid dat A. op 17 december 2003 de bijwerkingen onderkende, maar op 22 december 2003 het echter met de psychiater eens was dat er geen sprake was van bij-werkingen. Op 30 december 2003, in het gesprek ten behoeve van de second opinion, benoemde A. echter weer wel de bijwerkingen, maar stelde er geen last van te hebben. Dit oogt weinig consistent.

26. Tegenover deze contra-indicaties staat het oordeel van de drie personen die in de maanden december 2003 en januari 2004 behandelaar waren van A.. Zij zijn van mening dat A. wils-bekwaam was ten aanzien van het gebruik van Risperdal.

27. De psychiater heeft op 22 december 2003 met A. gesproken, maar niet bewust een onderzoek naar haar wils-bekwaam-heid gedaan. Hij heeft verklaard dat hij dat niet nodig achtte, omdat die wilsbekwaamheid bij haar binnenkomst in het STC is getoetst en gebleken is dat zij in het STC kan functioneren. Dit kan echter geen steun bieden voor zijn stelling dat A. wilsbekwaam was, aangezien, zo is onder 23 reeds overwogen, de wils-bekwaam-heid per situatie behoort te worden bepaald. Dit behoort naar het oordeel van de rechtbank zeker te geschieden in situaties als deze, waarbij de behandelaar en de curator van mening verschillen over de wils-bekwaam-heid van de curanda en dit gevolgen kan hebben voor de behandeling. Van de behandelaar mag daarbij bovendien verwacht worden dat hij over de wilsbekwaamheid overleg met de curator voert en onder omstandigheden ook dat hij een second opinion doet verrichten.

De psychiater acht A. wilsbekwaam. Hij heeft verklaard getoetst te hebben of zij zijn verhaal begreep en kon overzien waar het om ging en dat zulks naar zijn mening het geval was. Hij heeft voorts erkend A. niet te hebben ingelicht over de mogelijke onomkeer-baar-heid van de bijwerkingen. Dit had naar het oordeel van de rechtbank, ook in het licht van de door de curator aangezwengelde discussie daarover, wel behoren te gebeuren. Dit staat echter los van de wils(on)bekwaamheid en van de ter beoordeling voor-liggende klacht.

28. Uit haar rapportage blijkt dat dr. Kaiser bij de second opinion wel gericht de wilsbekwaam-heid van A. heeft getoetst en, zo heeft zij ter zitting bevestigd, heeft geconcludeerd dat A. wilsbekwaam was.

De psycholoog - en mede-behandelaar van A. - Strijthagen heeft ter zitting aangegeven dat A. binnen het kader van een gesprek prima beseft waar het om gaat en dan ook in staat is zelf een mening te vormen. Voorts heeft hij verklaard dat zij ook in de omgang met medepatiënten en in het STC haar wil kan bepalen.

29. De Inspecteur heeft aangegeven over de wils-bekwaamheid van A. geen uitspraak te kunnen doen.

Het standpunt van de officier van justitie komt er op neer dat, afgaande op de stukken en het ter zitting besprokene, A. de consequenties van het gebruik van Risper-dal heeft kunnen overzien en dat de klacht dan ook ongegrond is.

30. De rechtbank overweegt dat aan de beoordeling door de behandelaren, gezien hun deskundigheid en hun kennis van A., op zichzelf veel waarde kan worden toegekend.

Niettemin is zij van oordeel dat in een procedure als de onderhavige met enige terug-houdendheid daarop behoort te worden afgegaan. Dit geldt voor de psychiater reeds omdat de klacht tegen hem is gericht. Voorts kunnen de twee andere behandelaren, ook al is er geen enkele aanleiding om aan hun goede trouw te twijfelen, door hun betrokken-heid bij de behandeling en hun positie als collega niet worden aangemerkt als volledig onafhankelijke deskundigen. Gelet daarop en op de genoemde contra-indicaties, ook in onderling verband beschouwd, acht de recht-bank een onderzoek door een onafhankelijk deskundige gewenst. Zij realiseert zich dat het tijdsverloop een dergelijk onderzoek bemoeilijkt, maar sluit toch niet uit dat een deskundige met een redelijke mate van zekerheid kan bepalen of medio december 2003 de vereiste wils-bekwaamheid bij A. aanwezig was.

31. De rechtbank stelt zich voor dat de deskundige na onderzoek (via bijvoor-beeld inzage in het medisch dossier, een of meer gesprekken met A. en het inwinnen van informatie bij de behandelaren en de curator) een gemotiveerd antwoord geeft op de volgende vragen:

a. Is het mogelijk om thans nog met een redelijke mate van zekerheid vast te stellen of A. medio december 2003 wilsbekwaam was ten aanzien van een beslissing over (de voortzetting van) het gebruik van Risperdal?

b. Zo nee, waarom niet?

c. Zo ja, was die wilsbekwaamheid aanwezig?

d. Welke andere feiten en omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

32. Op grond van art. 41 lid 12 Wet BOPZ jº art. 8 lid 10 Wet BOPZ zullen de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van ’s Rijks kas komen.

33. Tenzij gegronde - door de verzoeker of een belanghebbende aan te voeren - bezwaren zich tegen zijn benoeming verzetten, zal de rechtbank als deskundige benoemen dr. A.J.K. Hondius, genees-heer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis Spatie te Apel-doorn. Hij is psychiater en geeft cursussen over (de beoordeling van) wilsbekwaamheid.

34. De rechtbank zal thans de verzoeker en de belanghebbenden in de gelegenheid stellen om zich, binnen twee weken na deze beschikking, uit te laten over de persoon van de deskundige alsmede de aan hem te stellen vragen.

De beslissing

De rechtbank

stelt de verzoeker en de belanghebbenden in de gelegenheid zich binnen twee weken na de datum van deze beschikking uit te laten over de inhoud van de aan een deskundige te stellen vragen en over de persoon van de deskundige,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.J.F. Gerard, voorzitter, en A.E.M. Overkamp en A.S.W. Kroon, rechters, in tegenwoordigheid van R. van den Berg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2004.

De griffier De voorzitter

Coll: