Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR4173

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-10-2004
Datum publicatie
19-10-2004
Zaaknummer
05/094150-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nina K. is veroordeeld tot vier maanden jeugddetentie voorwaardelijk vanwege betrokkenheid bij de moord op Maja Bradaric.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer voor kinderstrafzaken

Parketnummer : 05/094150-03

Datum zitting : 5 oktober 2004

Datum uitspraak : 19 oktober 2004

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : K. Nina,

plaats : Nijmegen,

Raadsvrouw: mr. C.M. Hermesdorf, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 17 november

2003 te Nijmegen en/of (elders) in Nederland, kennis dragende van een

voornemen tot moord op M. (Maja) Bradaric, op een tijdstip waarop het plegen

van die moord nog voorkomen had kunnen worden, opzettelijk heeft nagelaten

daarvan tijdig voldoende kennis te geven hetzij aan (een) ambtena(a)r(en) van

justitie of politie, hetzij aan de bedreigde, M. (Maja) Bradaric, zulks terwijl de moord op M. (Maja) Bradaric is gevolgd;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijf-fouten voorko-men, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 5 oktober 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.M. Hermesdorf, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroor-deeld tot hetgeen staat vermeld in de vordering ter terechtzitting, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht (bijlage I).

Verdachte en haar raadsvrouw hebben het woord ter verdediging ge-voerd.

3. De beslis-sing inzake het bewijs

De raadsvrouw heeft als verweer naar voren gebracht dat verdachte geen kennis droeg van het voornemen Maja om het leven te brengen. Zij heeft de uitlatingen van Goran M. nooit serieus genomen en niet begrepen dat hij Maja daadwerkelijk van het leven wilde beroven.

Zij verwijst daartoe onder meer naar de memorie van toelichting op artikel 136 Wetboek van Strafrecht (WvSr). Onder voornemen in de zin van artikel 136 WvSr moet volgens de memorie van toelichting worden verstaan een beraamd misdrijf of een beraamd plan in de zin van een in hoofdzaak omschreven plan. Het moet gaan om een besluit tot het plegen van het desbetreffende misdrijf. De enkele uitlating dat men het misdrijf zal plegen hoeft nog geen voornemen in te houden, aangezien het soms niet meer is dan een loze uitlating of een dreigement.

Gelet hierop en op de diverse verklaringen, in het bijzonder die van Ferdi Ö. en Goran M., waaruit niet duidelijk blijkt dat verdachte wel zou hebben geweten van een werkelijk voornemen tot het plegen van de moord en mede gezien het feit dat het binnen de vriendenkring van verdachte gebruikelijk was en in ieder geval niet als serieus bedreigend werd ervaren harde en niets verdoezelende taal te gebruiken, acht de raadsvrouw voldoende aangetoond dat verdachte de uitlatingen van Goran M. niet serieus heeft opgevat en niet heeft begrepen dat hij Maja daadwerkelijk wilde doden.

Het verweer betreft ook de stelling dat verdachte niet opzettelijk heeft nagelaten tijdig kennis te geven van het voornemen tot moord, waarbij de raadsvrouw aangeeft dat er ook geen sprake is geweest van voorwaardelijke opzet.

Zij verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken.

De rechtbank verwerpt deze verweren. Artikel 136 WvSr. dient aldus te worden geïnterpreteerd dat de dader kennis moet dragen van een voornemen tot het plegen van een van de genoemde misdrijven in die zin dat hij ervan vernomen heeft en het niet voor volstrekt ongeloofwaardig houdt. De rechtbank stelt vast dat Goran M. zich meermalen binnen een kort tijdsbestek tegen verdachte zeer concreet heeft uitgelaten over het doden van Maja. Zo werd verdachte gevraagd en heeft zij zich bereid verklaard een pil in de kamer van Maja te leggen zodat het erop zou lijken dat Maja zelf een overdosis had ingenomen als zij door anderen door het toedienen van een overdosis om het leven zou worden gebracht.

Tevens heeft Goran M. haar in een chatgesprek van 12 november 2003 laten weten dat hij zich die dag bij de Graafsebrug nauwelijks kon beheersen om Maja te doden. Uit de gechatte reactie van verdachte op dat bericht kan worden afgeleid dat verdachte wist dat Goran M. het voornemen had om Maja te doden. Zij deelde immers mede dat zij niet wilde dat “het” gebeurde waar zij bij was. Verdachte heeft toegelicht dat met “het” het doden van Maja werd bedoeld.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte van het voornemen tot het plegen van de moord op Maja afwist en dat niet voor volstrekt ongeloofwaardig heeft gehouden.

Het verweer dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzettelijk nalaten van het tijdig kennis geven van het misdrijf waarvan zij kennis droeg, verwerpt de rechtbank. De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat verdachte de gedane uitingen niet als volstrekt ongeloofwaardig ter zijde heeft geschoven. Dat brengt met zich dat de rechtbank bewezen acht dat bij verdachte op zijn minst sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 17 november

2003 te Nijmegen en/of (elders) in Nederland, kennis dragende van een

voornemen tot moord op M. (Maja) Bradaric, op een tijdstip waarop het plegen

van die moord nog voorkomen had kunnen worden, opzettelijk heeft nagelaten

daarvan tijdig voldoende kennis te geven hetzij aan (een) ambtena(a)r(en) van

justitie of politie, hetzij aan de bedreigde, M. (Maja) Bradaric, zulks

terwijl de moord op M. (Maja) Bradaric is gevolgd;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe-zen. Verdach-te moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk nalaten op een tijdstip waarop het misdrijf nog kan worden voorkomen, tijdig kennis te geven hetzij aan de ambtenaren van de justitie of politie, hetzij aan de bedreigde, van kennis die werd gedragen van een voornemen tot het plegen van moord, en het misdrijf is gevolgd.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is een multidisciplinair rapport opgemaakt door

dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater, en prof.dr. J.J. Baneke, klinisch en forensisch psycholoog, gedateerd 20 april 2004, waarin de deskundigen conclu-deren dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit sprake was van een ziekelijke stoornis in de vorm van een aanpassingsstoornis als gevolg van een reeks van traumatische gebeurtenissen bij iemand die reeds eerder niet goed in staat was met emoties om te gaan. Typerend daarbij is de splitsing tussen gedachten en gevoelens, waarbij verdachte onvoldoende in staat is de draagwijdte van ernstige gebeurtenissen te bevatten en emotioneel te verwerken. Hierbij is sprake van dissociatie en depersonalisatie, waarbij geen cognitieve amnesie optreedt, maar wel een stoornis in het besef van de realiteit. Hoewel verdachte op cognitief niveau wel wist van de bedreigingen door Goran M., is het mogelijk, als gevolg van deze dissociatie en depersonalisatie, dat de betekenis van die bedreigingen door haar niet adequaat ingeschat kon worden, zodat zij als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

De rechtbank verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare.

De raadsvrouw heeft ter zitting een beroep gedaan op de afwezigheid van strafbaarheid bij verdachte. Verdachte wordt door de deskundigen als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd. De raadsvrouw meent dat dit, met betrekking tot dit specifieke delict, waar juist de “kennis” van evident belang is en -naar zij stelt- uit de rapporten blijkt dat verdachte juist die kennis niet had, dient te leiden tot ontslag van rechtsvervolging van verdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer. In het multidisciplinair rapport wordt geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het delict onder invloed van haar stoornis en problemen in de ontwikkeling van haar geestvermogens haar wil verminderd kon bepalen, dat wil zeggen dat zij verminderd in staat was om de gedragingen van haar vriend naar de werkelijkheid in te schatten. Er was derhalve geen sprake van het ontbreken van elk realiteitsbesef maar van een verminderd realiteitsbesef.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de om-stan-dighe-den waaronder dit is begaan; verdachte heeft in november 2003 vóór het om het leven brengen van Maja meermalen van haar vriend vernomen van zijn voornemen om Maja om het leven te brengen en heeft niets gedaan om het doden van haar beste vriendin te voorkomen. De rechtbank acht dit nalaten zeer verwerpelijk.

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het feit dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen;

- de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit;

- een voorlichtingsrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 26 november 2003, betreffende verdachte;

- een voorgeleidingsconsult van de Forensisch Psychiatrische Dienst d.d. 04 december 2003, betreffende verdachte;

- een voorlichtingsrapportage van de Jeugdreclassering d.d. 22 september 2004, betreffende verdachte;

- bovengenoemd multidisciplinair rapport waarin de deskundigen concluderen dat, gezien de sterke neiging tot verdringing en splitsing van gedachten en gevoelens, hetgeen opnieuw kan leiden tot vertekening van de realiteit, het op zichzelf weliswaar niet te verwachten is dat zij wederom in vergelijkbare omstandigheden als ten tijde van het delict terecht zal komen, maar het wel te verwachten is dat zich relationele problemen zullen voordoen als zij zonder behandeling een relatie aangaat en als zij de traumatische gebeurtenissen en de rouw niet verwerkt heeft. Zij adviseren langdurige en intensieve psychotherapie bij de Transfer of een vergelijkbare kliniek.

De rechtbank overweegt verder nog als volgt.

Intussen is gebleken dat een behandeling bij de Transfer voor verdachte en haar ouders onacceptabel is.

Verdachte volgt nu individuele therapie bij een gedragstherapeute. De Jeugdreclassering ondersteunt dit door verdachte en haar ouders gekozen behandelingstraject -mede vanwege het feit dat een behandeling waarvoor verdachte niet gemotiveerd is, weinig kans van slagen heeft- en verzoekt de rechtbank een verplicht Jeugdreclasseringscontact op te leggen, zodat de Jeugdreclassering de instantie is die de regie over het behandeltraject van verdachte zal voeren.

De rechtbank neemt het advies van de Jeugdreclassering over maar gaat er daarbij wel van uit, gelet op het advies van de psychiater en de psycholoog, dat de behandeling langdurig en intensief zal zijn.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vier maanden.

De voorwaardelijke straf die zal worden opgelegd, dient als waar-schu-wing voor verdachte om zich voortaan van het plegen van delicten te onthouden. De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaarde-lijke jeugddetentie de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de Jeugdreclasse-ring, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 136 van het Wetboek van Straf-recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlaste-gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas-tegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

- een jeugddetentie voor de duur van vier (4) maanden.

Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden tenuitvoergelegd, ten-zij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerleg-ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het eind van de proef-tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel niet is nagekomen de volgende bijzondere voorwaarde :

“Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzin-gen die haar door of namens de afdeling Jeugdre-classe-ring van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland zullen worden gegeven voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling no-dig wordt geacht, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling,

met opdracht aan die instelling ingevolge artikel 77aa van het Wetboek van Straf-recht".

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht in geval van de tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie.

Aldus gewezen door:

mr. C.G. Soeteman-Oostveen, kinderrechter, als voorzitter,

mr. C.N. Dijkstra, kinderrechter,

mr. W.A. Holland, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.A. Plantenga, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 oktober 2004.