Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR3696

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
05/090398-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de "recycle bin" van de computer van verdachte aangetroffen bestanden met kinderpornografische afbeeldingen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte de bestanden in de recycle bin heeft geplaatst met een andere bedoeling dan deze te verwijderen, zodat aannemelijk is dat verdachte juist geen kinderporno in bezit heeft willen hebben. De rechtbank is van oordeel dat er voor wat betreft de digitale afbeeldingen geen sprake was van enig opzet gericht op het 'in bezit hebben' van deze afbeeldingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/090398-03

Datum zitting: 29 september 2004

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsvrouw: mr. J. Steenbrink, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegelaten vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 1998 tot 05 februari 1998, in

elk geval in of omstreeks het jaar 1998, te Amsterdam met A. [slachtoffer] (geboren

op 05 februari 1986), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had

bereikt, buiten echt (een) ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande

voormelde ontuchtige handeling(en) hierin dat verdachte zich door voornoemde [slachtoffer] heeft laten aftrekken en/of die [slachtoffer] diens penis tegen zijn, verdachtes, anus heeft laten duwen/brengen; (zaakdossier 30 t/m 33)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2002

tot en met 29 november 2003 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland (telkens) (een) afbeelding(en) - en/of (een) gegevensdrager(s), bevattende (een)

afbeelding(en) - van (een) seksuele gedraging(en), waarbij (een) perso(o)n(en)

is/zijn betrokken en/of schijnbaar is/zijn betrokken die kennelijk de leeftijd

van achttien jaar nog niet heeft/hebben bereikt, heeft verspreid en/of

vervaardigd en/of in bezit heeft gehad, bestaande die afgebeelde seksuele

gedraging(en) uit (met name) (een) geheel of gedeeltelijk ontklede

minderjarige jongen(s) die anaal wordt/worden gepenetreerd en/of een penis in

de mond neemt/nemen en/of zichzelf/elkaar aftrekt/aftrekken en/of op een

dusdanige wijze poseert/poseren dat de penis en/of anus nadrukkelijk in beeld

worden/wordt gebracht, welke wijze van poseren kennelijk bedoeld is om

seksuele prikkeling te wekken, en zijnde voornoemde seksuele gedraging(en)

afgebeeld en/of vastgelegd op/in een of meer harde schijf/schijven en/of

fotopapier; (zaakdossier 09)

3.

hij in of omstreeks de periode van 04 maart 2002 tot en met 29 november 2003

te Arnhem en/of Kollum, gemeente Kollumerland Ca, en/of Drachten, gemeente Smallingerland, en/of Amsterdam en/of Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, en/of Delfzijl en/of Amstelveen en/of (elders) in Nederland en/of in Tunesie, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder meer) verdachte en/of [medeverdachten], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven tegen de zeden, te weten:

- het seksueel binnendringen van en/of plegen van ontucht(ige handelingen) met jongens welke de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, en/of

- het verspreiden en/of vervaardigen en/of in voorraad/in bezit hebben van

(gegevensdragers met) kinderpornografische afbeeldingen,

althans de misdrijven van de artikelen 242, 244, 245, 247, 248a, 248b, 249,

250 en/of 240b van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval het plegen van

misdrijven; (zaakdossiers 01 t/m 04, 06 t/m 11, 19, 23, 26, 28, 40 en 53)

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op laatstelijk 29 september 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr.

J. Steenbrink, advocaat te Nijmegen.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

? A. [slachtoffer], wonende [adres].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorge-bracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gevorderd.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 40.000,00 wordt toegewezen en dat er een schadever-goedingsmaat-regel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge-legd tot dit bedrag.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 is tenlastege-legd en zal hem daarvan vrij-spreken.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van feit 1 bevindt zich in het dossier slechts de verklaring van verdachte waarin hij verklaart in de tenlastegelegde periode ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met het slachtoffer [slachtoffer].

Het slachtoffer kan zich niet herinneren seksuele handelingen met verdachte te hebben verricht en er zijn geen belastende getuigenverklaringen van derden, noch andere concrete bewijsmiddelen. De enkele verklaring van verdachte is onvoldoende om als bewijs te dienen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2:

Door de officier van justitie zijn fotomappen overhandigd van onder de verdachte inbeslaggenomen beeldmateriaal dat bestaat uit digitale en niet-digitale afbeeldingen.

Met betrekking tot de digitale bestanden die op de computer van verdachte zijn aangetroffen en waarvan zich afbeeldingen in het dossier bevinden overweegt de rechtbank het volgende.

Deze bestanden – dat wordt ook niet door verdachte betwist – betreffen wél kinderporno in de zin van artikel 240b Sr. De vraag die in casu beantwoord moet worden is of verdachte deze heeft verspreid en/of vervaardigd en/of in bezit heeft gehad. Voor het verspreiden en vervaardigen bevinden zich in het dossier geen aanwijzingen, zodat verdachte daarvan vrijgesproken dient te worden. Ten aanzien van het “in bezit hebben” geldt het volgende.

Verdachte heeft verklaard de bestanden nooit gezien te hebben en niet te weten hoe deze op zijn computer terecht zijn gekomen. De bestanden zijn echter aangetroffen in de zogenaamde “recycle bin”. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat deze daar door verdachte zijn geplaatst. Uit het proces-verbaal van de digitale recherche van 24 juni 2004 blijkt namelijk dat uitsluitend bestanden die door middel van een actieve handeling worden gewist in de recycle bin terechtkomen, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat een ander dan verdachte de computer heeft gebruikt. Verdachte heeft de mogelijkheid tot dat laatste weliswaar opengehouden, maar hij heeft dat niet verder onderbouwd. Dat verdachte de bestanden heeft gewist zonder deze ooit te hebben bekeken acht de rechtbank onaannemelijk, alleen al nu verdachte dat zelf niet zo heeft verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er echter geen aanwijzingen dat verdachte de bestanden in de recycle bin heeft geplaatst met een andere bedoeling dan deze te verwijderen, zodat aannemelijk is dat verdachte, zoals hij zelf ook heeft verklaard, juist geen kinderporno in bezit heeft willen hebben. Met name zijn er geen aanwijzingen dat verdachte de bedoeling heeft gehad de recycle bin te gebruiken als opslagplaats voor kinderpornografische bestanden, nu niet blijkt dat verdachte de bestanden nog heeft geopend nadat ze in de recycle bin zijn geplaatst. In een aantal bijlagen bij het hiervoor genoemde proces-verbaal van de digitale recherche is de “last accessed”-datum weliswaar een andere dan de “file created”-datum, maar de verdediging heeft gesteld dat de bestanden ook door het besturingssysteem van de computer zelf kunnen zijn benaderd. Het Openbaar Ministerie heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat dat niet het geval heeft kunnen zijn.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat er voor wat betreft de digitale afbeeldingen geen sprake was van enig opzet gericht op het ‘in bezit hebben’ van deze afbeeldingen.

Met betrekking tot de niet-digitale bestanden, zijnde foto’s die onder verdachte in beslag zijn genomen en die aan het dossier zijn toegevoegd, overweegt de rechtbank het volgende.

Op de foto’s zijn minderjarige, geheel of gedeeltelijk ontklede jongens afgebeeld. Door verdachte is gesteld dat deze foto’s geen kinderpornografische afbeeldingen betreffen en dat het merendeel van de foto’s naturistisch van aard is; de foto’s zouden zijn gemaakt op een naturistencamping en naturistenstrand.

Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wet van 13 november 1995, stb 575, kamerstukken II 1994-1995, 23682, nr. 5, onder 2.6 is er sprake van een seksuele gedraging wanneer het gaat om -kortgezegd- gedragingen die strafbaar zijn gesteld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht e.v., om het aannemen van een uitdagende houding en om afbeeldingen van geheel of gedeeltelijk ontblote kinderen in een bepaalde onnatuurlijke ambiance.

Naar het oordeel van de rechtbank vertonen de foto’s i.c. afbeeldingen van geheel of gedeeltelijk ontblote minderjarige jongens van wie, terwijl zij spelen of op onschuldige wijze poseren, foto’s zijn genomen in een natuurlijke omgeving zonder dat de jongens een seksuele pose hebben aangenomen en zonder dat sprake is van een gedraging strafbaar gesteld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht e.v. of van het aannemen van een uitdagende houding.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de niet-digitale afbeeldingen geen afbeeldingen van kinderpornografische aard zijn.

Ten aanzien van feit 3 merkt de rechtbank op dat haar noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie.

3a. De beoordeling van de civiele vorde-ring, alsmede de

gevor-derde op-legging van de schadevergoedings-maat-regel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft opgave gedaan van de inhoud van de vorde-ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat de door hem geleden schade niet recht-streeks is toegebracht door een jegens verdachte bewezenverklaarde feit.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij A. [slachtoffer], wonende [adres].

Verklaart de benadeelde partij A. [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de

vordering.

Aldus gewezen door:

mr. N.W. Huijgen, rechter, als voorzitter,

mr. R.H. Koning, rechter,

mr. H Eigenberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.G. Eskes, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2004.