Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR3483

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
07-10-2004
Zaaknummer
114596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak. Incident tot verwijzing naar de sector kanton. Winstverdriedubbelaar is geen huurkoop. Reactie rechtbank op advies van Brunner en Roelvink. Winstverdriedubbelaar is ook geen leaseovereenkomst als bedoeld in de toelichting op art. 93 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 114596 / HA ZA 04-1082

Datum vonnis: 6 oktober 2004

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in het incident tot verwijzing,

verweerster in reconventie,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

advocaat mr. H. Post te Helmond,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in het incident tot verwijzing,

eiser in reconventie,

procureur mr. P.A. Aan de Kerk.

Het verloop van de procedure

Na het uitbrengen van de dagvaarding zijn de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie tevens incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid,

* een conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Het geschil

Dexia vordert - samengevat en zakelijk weergegeven - dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 24.618,50 vermeerderd met rente en kosten.

Aan deze vordering legt Dexia ten grondslag dat zij met [gedaagde] een aandelenleaseovereenkomst heeft gesloten genaamd Winstverdriedubbelaar onder contractnummer 74486052, dat die overeenkomst door het verstrijken van de overeengekomen looptijd is geëindigd en dat zij in verband daarmede een eindafrekening heeft opgesteld en verzonden ten bedrage van € 22.607,93. [gedaagde] weigert tot betaling van dat bedrag over te gaan. De contractuele rente daarover bedraagt van 28 april 2003 tot en met 4 september 2003 € 820,57 en de buitengerechtelijke incassokosten bedragen € 1.190,- inclusief BTW, de rente daarover € 125,88.

Voor alle weren werpt [gedaagde] de exceptie van onbevoegdheid op en concludeert hij tot verwijzing naar de sector kanton van deze rechtbank. Daartoe voert [gedaagde] aan dat de onderhavige overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als een huurkoopovereenkomst. Geschillen omtrent huurkoopovereenkomsten behoren tot de competentie van de sector kanton.

Dexia voert in het incident gemotiveerd verweer. Daarop zal de rechtbank, voor zover van belang, onder de beoordeling ingaan.

De beoordeling

in het incident in conventie

De rechtbank verwerpt [gedaagde]’s beroep op toepasselijkheid van de huurkoopbepalingen. Aandelen zijn vermogensrechten, als bedoeld in artikel 3:6 BW. De bepalingen van Titel 5A van Boek 7A BW (koop op afbetaling en huurkoop) zijn op koop op afbetaling of huurkoop van aandelen van toepassing voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht (artikel 7A:1576 lid 5 BW). Naar het oordeel van de rechtbank is de aard van het aandeel in ter beurze verhandelbare fondsen als ABN-Amro, Ahold en ING zodanig dat de bepalingen van titel 7A.5A BW toepasselijk zijn op koop op afbetaling en huurkoop van aandelen. De Winstverdriedubbelaar is echter naar het oordeel van de rechtbank om in elk geval twee redenen niet te beschouwen als huurkoop van aandelen.

Huurkoop is in artikel 7A:1576h lid 1 als volgt gedefinieerd: “Huurkoop is de koop en verkoop op afbetaling, waarbij partijen overeenkomen, dat de verkochte zaak niet door enkele aflevering in eigendom overgaat, maar pas door vervulling van de opschortende voorwaarde van algehele betaling van wat door de koper uit hoofde van de koopovereenkomst verschuldigd is.” Huurkoop is een bijzondere vorm van koop op afbetaling, die in artikel 7A:1576 lid 1 BW als volgt is gedefinieerd: “Koop en verkoop op afbetaling is de koop en verkoop, waarbij partijen overeenkomen dat de koopprijs wordt betaald in termijnen, waarvan er twee of meer verschijnen, nadat de verkochte zaak aan de koper is afgeleverd.” Koop op afbetaling is weer een bijzondere vorm van de koopovereenkomst, die als wezenskenmerk heeft dat de verkoper verplicht is de eigendom van de zaak - of het vermogensrecht - over te dragen (artikel 7:9 lid 1 BW; vgl. artikel 7:47 BW).

Naar het oordeel van de rechtbank strekt de Winstverdriedubbelaar niet tot (eigendoms-)overdracht van de aandelen. Aan het einde van de looptijd van de overeenkomst heeft de klant de keuze tussen verlenging van de overeenkomst, uitlevering van de aandelen onder aflossing van de lening of verkoop van de aandelen onder verrekening van de opbrengst met de lening en hetzij uitkering van het surplus, hetzij aflossing van de restschuld. In de praktijk kiezen bijna alle klanten voor verkoop van de aandelen onder verrekening van de opbrengst met de lening. Dit wordt ook aanbevolen in de brochure (p.3): ”Na drie jaar kunnen uw aandelen worden verkocht. U ontvangt dan de volledige verkoopopbrengst, slechts onder aftrek van de aankoopprijs. U krijgt dan niet alleen de koerswinst over uw eerste aandelenpakket uitbetaald, maar diezelfde koerswinst ook over uw tweede én uw derde pakket. Belastingvrij!” Deze opmerking wordt op p. 6 herhaald. Ook alle rekenvoorbeelden gaan uit van verkoop van de aandelen na drie jaar. De strekking van de Winstverdriedubbelaar is daarom dat de klant gedurende de looptijd van de Winstverdriedubbelaar de aandelen least, na drie jaren de koerswinst incasseert en de aandelen weer verkoopt. Daarmee beantwoordt de Winstverdriedubbelaar niet aan de kenmerken van koop, die ziet op (eigendoms-)verkrijging door de koper, en daarmee evenmin aan die van huurkoop.

Deze conclusie wordt niet anders, omdat op enkele plaatsen in de overeenkomst is bepaald dat de klant van rechtswege eigenaar wordt onder de opschortende voorwaarde dat hij aan alle verplichtingen tegenover Dexia heeft voldaan (artikel 5 van de overeenkomst en artikel 2 van de bijzondere voorwaarden effecten lease). In de praktijk, en ook in dit geval, worden deze bepalingen immers niet nageleefd, doordat nagenoeg altijd verkoop van de aandelen plaatsvindt.

In de tweede plaats betaalt de klant gedurende de looptijd van de Winstverdriedubbelaar met zijn maandtermijnen slechts rente over de lening. Hij lost niets van de lening af. Aan het einde van de looptijd is de lening nog even groot als aan het begin. Zou de klant op dat moment de aandelen willen verwerven, dan zou hij opnieuw en voor de volledige aankoopsom financiering moeten vinden. Dit betekent dat aan de Winstverdriedubbelaar het wezenskenmerk van koop op afbetaling ontbreekt, namelijk betaling van de koopsom in termijnen. Dat brengt ook mee dat er geen sprake is van huurkoop.

Op 14 juli 2004 is als bijlage 9 bij het Eindrapport van de Commissie Geschillen Aandelenlease, “Over lenen, leasen en verliezen” het advies van prof. mr. [betrokkene] en mr. [betrokkene] van 24 februari 2004 openbaar gemaakt over de vraag of aandelenleasecontracten als de Winstverdriedubbelaar moeten worden beschouwd als huurkoop. Brunner en Roelvink concluderen dat de Winstverdriedubbelaar een overeenkomst van huurkoop is. Zij merken op dat de klant twee termijnen betaalt nadat de aandelen aan hem of haar zijn afgeleverd, te weten een betaling van ƒ 100,- op of omstreeks de 35e maand en het restant van de koopsom aan het einde van de 36e maand. Daarmee is volgens hen voldaan aan het vereiste in artikel 7A:1576 lid 1 j° lid 5 BW dat de koopprijs in termijnen wordt betaald, waarvan er twee of meer verschijnen, nadat de aandelen aan de klant zijn afgeleverd en voorts aan artikel 7A:1576j lid 1 BW dat de huurkoopakte het plan van regelmatige afbetaling als bedoeld in artikel 7A:1576f BW moet vermelden (§ 4.2, p. 5). De Commissie Geschillen Aandelenlease heeft dit advies overgenomen.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Dexia heeft kennelijk beoogd met de betaling van ƒ 100,- op of omstreeks de 35e maand te bewerkstelligen dat de koopsom van de aandelen in twee termijnen na de aflevering zou worden afbetaald, zodat de overeenkomst zou moeten worden beschouwd als huurkoop. Deze termijn van ƒ 100,- is een fractie van de totale koopsom van de aandelen. Zij is eerst verschuldigd, zeer kort voordat het restant van de koopsom verschuldigd is. Zij wordt niet apart geïncasseerd, maar eerst in rekening gebracht en geïncasseerd bij de eindafrekening en dus tegelijk met het restant van de koopsom. De rechtbank ziet daarom deze termijnbetaling van ƒ 100,- als een papieren constructie van Dexia zonder realiteitswaarde. De rechtbank beschouwt deze termijnbetaling van ƒ 100,- niet als een aparte termijn in de zin van artikel 7A:1576 lid 1 en al helemaal niet als onderdeel van een “plan van regelmatige afbetaling” als bedoeld in artikel 7A:1576f. De rechtbank handhaaft haar oordeel dat de totale koopsom ineens verschuldigd is aan het einde van de looptijd van de overeenkomst. Zij blijft dus bij haar oordeel dat de Winstverdriedubbelaar geen huurkoop is.

De Winstverdriedubbelaar wijkt zozeer af van huurkoop, dat zij ook niet de strekking van huurkoop heeft (artikel 7A:1576h lid 2 BW): er is geen verplichting tot (eigendoms-)overdracht en er is geen sprake van afbetaling. De rechtbank, sector civiel, zal de zaak dan ook niet verwijzen naar de sector kanton.

De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende. In de toelichting op artikel 93 sub c Rv is opgemerkt dat de algemene term “zaken betreffende een huurovereenkomst” een uitbreiding impliceert van de zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen: “daaronder valt immers ook de overeenkomst van huur en verhuur (waaronder begrepen de lease-overeenkomst) van roerende zaken” (Bijl. Tweede Kamer 26 855 nr. 3 (MvT) p. 193). Het is derhalve de bedoeling van de wetgever dat de kantonrechter zaken over lease-overeenkomsten van roerende zaken beoordeelt. De vraag rijst of die competentieverdeling meebrengt dat de kantonrechter ook oordeelt over geschillen over aandelenlease-overeenkomsten. Verdedigbaar is immers dat geschillen over de lease van vermogensrechten zoals aandelen op grond van dezelfde competentieverdeling beoordeeld dienen te worden door de kantonrechter. Daarbij is van belang dat op grond van artikel 7:201 lid 2 BW huur ook op vermogensrechten betrekking kan hebben.

Daarvoor is vereist dat de aandelenlease-overeenkomst in overwegende mate het karakter van een overeenkomst van huur van vermogensrechten heeft. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Dexia stelt de klant in staat om met door haar uitgeleend geld te beleggen op de beurs. Het speculeren met de waarde van de aandelen staat centraal. Dat is van een andere aard dan bijvoorbeeld het op basis van een huurovereenkomst verkrijgen van het genot van een jachtrecht (vgl. HR 8 december 1922, NJ 1923, p. 149, W 11 044). Bij de beoordeling van de vorderingen van Dexia en haar klanten zijn de bepalingen van titel 7.4 BW niet van belang, zodat de specifieke kennis van het huurrecht van de kantonrechter hier niet kan worden gebruikt. De Winstverdriedubbelaar is een gecompliceerd beleggingsproduct, waarop tal van regels van toepassing zijn. Dat brengt mee dat een klant bezwaarlijk zonder juridische bijstand zijn standpunt in rechte kan formuleren. Het aspect van het in persoon kunnen procederen legt daarom in dit geval geen gewicht in de schaal.

De rechtbank zal de incidentele vordering daarom afwijzen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie

Er zal een comparitie van partijen worden belegd om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van doorverwijzing naar een mediator aan de orde komen. Voor de comparitie is twee uur uitgetrokken.

Indien Dexia op de eis in reconventie wil antwoorden, dient zij deze conclusie ter comparitie te nemen. Op een later tijdstip kan de conclusie van antwoord in reconventie niet meer genomen worden. Dexia dient de conclusie van antwoord in reconventie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie aan de rechtbank en de wederpartij te hebben toegezonden. De rechtbank is voorshands van oordeel dat de Winstverdriedubbelaar een krediettransactie is waarop de bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet van toepassing zijn. Zij verwijst naar haar vonnis van 14 juli 2004, LJN-nr. AQ1551, te vinden op www.rechtspraak.nl. De rechtbank nodigt Dexia uit in haar conclusie van antwoord in reconventie tevens op dit voorlopige oordeel te reageren.

De partijen wordt verzocht uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden:

- de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen,

- en de volgende stukken: Als [gedaagde] naar aanleiding van de conclusie van antwoord in reconventie zou willen pleiten, dient zij dit te beperken tot een half uur.

Ter bevordering van een voortvarende afwikkeling van de procedure moeten de partijen erop voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis, bijvoorbeeld tot een bewijsopdracht of deskundigenonderzoek, kan wijzen overeenkomstig art. 232, tweede lid, aanhef en onder a, Rv.

Ter comparitie kan aan de orde komen wie de partijen eventueel als deskundige(n) benoemd willen zien.

Hoger beroep van dit vonnis staat slechts open tegelijk met dat van het eindvonnis (art. 337, tweede lid, Rv.). Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

in het incident in conventie

verklaart zich bevoegd van de hoofdzaak kennis te nemen,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, tot heden aan de zijde van Dexia begroot op € 499,--,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie

bepaalt dat de partijen, vergezeld van hun advocaten, voor de rechtbank (mr. F.J. de Vries) zullen verschijnen in het Paleis van Justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 om inlichtingen over de zaak te geven en te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd (in beginsel op een dinsdag of een woensdag),

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken, voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2004 tot en met januari 2005, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

bepaalt dat [gedaagde] dan in persoon aanwezig zal zijn en dat Dexia dan vertegenwoordigd zal zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

verzoekt de tijdige toezending van de stukken zoals onder 3.11 en 3.12 bedoeld,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2004.

de griffier de rechter