Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP6199

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
02-07-2004
Zaaknummer
AWB 03/2465
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet gebleken is dat eiser aan zijn werkgeefster onjuiste informatie heeft verschaft over het werkadvies van de Arbo arts of dat hij zijn werkzaamheden niet heeft hervat, zodat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Arbeidsrelatie buiten toedoen van eiser ernstig verstoord geraakt, zodat van hem niet kon worden gevergd inhoudelijk verweer te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 03/2465

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X], eiser,

wonende te [A], vertegenwoordigd door mr. P.A. Aan de Kerk,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 september 2003, uitgereikt door Uwv GAK Nijmegen.

2. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2003 heeft verweerder het recht op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) blijvend geheel geweigerd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Eiser heeft beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 15 maart 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.A. Aan de Kerk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser zich, door het verstrekken van onjuiste informatie aan zijn werkgever en door het niet hervatten van zijn werkzaamheden, verwijtbaar jegens zijn werkgever heeft gedragen, waardoor beëindiging van de dienstbetrekking voorzienbaar was. Verweerder acht het voorts niet acceptabel dat eiser geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het volgende. Eiser is op 19 juni 2001 in dienst getred[werkgeefster]werkgeefster] (hierna: [werkgeefster]). Op 8 mei 2002 is hij arbeidsongeschikt geworden. Per 6 januari 2003 heeft de Arbo-dienst eiser geschikt geacht zijn werkzaamheden voor 50% te hervatten. Eiser heeft zich daartoe op genoemde datum bij [werkgeefster] gemeld. Na een woordenwisseling tussen eiser en zijn werkgever, waarin de werkgever de geloofwaardigheid van eisers uitlatingen over de toedracht van zijn galaanval cq -operatie in november 2002 en over de toedracht van de advisering van de (arbo-) arts met betrekking tot de werkhervatting op 6 januari 2003 in twijfel trok en voorts weigerde formulieren bestemd voor Uwv GAK in te vullen, heeft eiser zich dezelfde ochtend opnieuw ziek gemeld. Hij heeft zijn werkzaamheden daarna niet meer hervat. [werkgeefster] noch eiser heeft om een second opinion verzocht. De arbeidsovereenkomst is per 1 mei 2003 door de kantonrechter ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan eiser.

Primair is in geding of eiser verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, sub a, juncto artikel 24, tweede lid, sub a, van de WW. Ingevolge het bepaalde in artikel 24, tweede lid, sub a van de WW is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of de lezing, zoals eiser die naar de mening van verweerder heeft gegeven over het werkadvies van de arbo-arts per 6 januari 2003, kan worden gezien als het verstekken van onjuiste informatie aan de werkgever en derhalve als een verwijtbare handelwijze jegens de werkgever.

De rechtbank beantwoordt vorenstaande vraag ontkennend.

In zijn rapportage d.d. 23 december 2002 heeft de arbo-arts aangegeven dat eiser, wat hem betreft, met ingang van 6 januari 2003 zijn eigen werk voor halve dagen en met ingang van 20 januari 2003 voor hele dagen moet hervatten. Conform dit advies, heeft eiser op 6 januari 2003 zijn werkzaamheden (deels) hervat. De inhoud van voornoemde rapportage bevestigt naar het oordeel van de rechtbank niet het standpunt van verweerder dat de arbo-arts eiser reeds op 6 januari 2003 volledig geschikt achtte zijn werkzaamheden te hervatten. In de brief d.d. 12 februari 2003 van Emplon, de organisatie die voor [werkgeefster] vanaf december 2002 de verzuimregistratie en begeleiding uitvoert, wordt dit impliciet bevestigd. In de betreffende brief wordt weliswaar aangegeven dat de arbo-arts eiser eigenlijk in staat acht om 100% te werken maar wordt tevens vermeld dat de arts dit liever geleidelijker opbouwt daar er ook nog controles bij het Uwv lopen. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat eiser zijn werkgever onjuist heeft ingelicht met betrekking tot het werkadvies dat hij van de arbo-arts heeft gekregen.

Vervolgens stelt de rechtbank aan de orde of eiser zich door, zoals verweerder heeft gesteld, zijn werkzaamheden per 6 januari 2003 niet te hervatten, zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstverband tot gevolg zou hebben.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 6 januari 2003 zijn werkzaamheden heeft hervat. Hij heeft zich echter diezelfde dag, naar aanleiding van een confrontatie met zijn werkgever, (opnieuw) ziek gemeld en de werkplek verlaten. Emplon heeft, namens [werkgeefster], eiser op 6 januari 2003 schriftelijk laten weten de ziekmelding niet te accepteren en hem gesommeerd zijn werkzaamheden te hervatten. In de betreffende brief is opgenomen dat er sancties kunnen worden opgelegd indien het advies tot werkhervatting door eiser niet wordt opgevolgd.

Op 8 januari 2003 wordt de ziekmelding door (de gemachtigde van) eiser schriftelijk bevestigd en wordt melding gemaakt van de uitlating van de zijde van [werkgeefster] dat de galoperatie van eiser niet serieus te nemen was en dat ‘alleen kanker en aids ziekten zijn’.

Voorts wordt aangegeven dat eiser volstrekt onheus en onbillijk door [werkgeefster] is behandeld en volledig overstuur de werkplek heeft verlaten; er zou sprake zijn van ‘situatieve’ arbeidsongeschiktheid.

Gelet op het feit dat aan de laatste ziekmelding een andere oorzaak ten grondslag lag dan aan de reeds bestaande arbeidsongeschiktheid, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de laatste ziekmelding situatief van aard was. Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve op 6 januari 2003 sprake geweest van een nieuwe ziekmelding. In het geval [werkgeefster] twijfelde aan de arbeidsongeschiktheid van eiser, had het naar het oordeel van de rechtbank, op haar weg gelegen dit te laten toetsen door de arbo-arts. [werkgeefster] is hiertoe niet overgegaan.

Gezien het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat eiser zich niet verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van het dienstverband tot gevolg zou kunnen hebben.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of van eiser verlangd had mogen worden inhoudelijk verweer te voeren naar aanleiding van het door [werkgeefster] ingediende ontbindingsverzoek.

Naar verweerder aangeeft is niet gebleken van zodanige bezwaren dat voortzetting van het dienstverband niet van eiser gevergd had kunnen worden.

In het namens [werkgeefster] opgestelde inhoudelijk verzoekschrift van 31 januari 2003 wordt eiser - naar later blijkt ten onrechte - verweten dat hij [werkgeefster] niet op de hoogte zou hebben gesteld van zijn eerdere arbeidsongeschiktheid. Voorts zou eiser hebben gelogen over de wijze waarop het gesprek met de Arbo-dienst is verlopen en worden zijn uitlatingen met betrekking tot zijn galklachten en zijn galoperatie als ongeloofwaardig bestempeld. In de brief van 30 juli 2003 aan verweerder geeft [werkgeefster] aan dat zij naar aanleiding van het hiervoor genoemde, het vertrouwen in eiser volledig had verloren en had aangestuurd op een beëindiging van het dienstverband.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding eisers uitlatingen omtrent zijn galklachten en de daarop gevolgde operatie in twijfel te trekken. Zoals hiervoor reeds overwogen is de rechtbank voorts niet gebleken dat eiser zich op onjuiste wijze heeft uitgelaten omtrent het advies van de arbo-arts voor wat betreft zijn werkhervatting op 6 januari 2003. Gezien de aard van de uitlatingen van de zijde van [werkgeefster] acht de rechtbank het aannemelijk, dat het vertrouwen van eiser in een verdere samenwerking met [werkgeefster] is verdwenen en de arbeidsrelatie buiten zijn toedoen ernstig verstoord is geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser niet worden verweten in een dergelijke situatie geen inhoudelijk verweer gevoerd te hebben, temeer daar [werkgeefster] vastbesloten was de arbeidsrelatie te beëindigen. Of er voor eiser passend werk voorhanden was is dan ook niet van belang.

Gezien vorenstaande heeft verweerder de WW uitkering aan eiser derhalve ten onrechte met een beroep op artikel 24, eerste lid, sub a, van de WW blijvend geheel geweigerd.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met de wet, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,--, zijnde kosten van verleende rechtsbijstand. De door eiser gevorderde verletkosten zijn niet nader onderbouwd, zodat voor toekenning hiervan geen grond bestaat. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-- en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan op bankrekening 1923.25.752 ten name van DS 533 arrondissement Arnhem, onder vermelding van het registratienummer AWB 03/2465;

bepaalt voorts dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,-- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.F. Gielissen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I.L.E.S. Bloemendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2004.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: