Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP4231

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
24-06-2004
Zaaknummer
98959
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht; Toepassing Haviltex-criterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 98959 / HA ZA 03-659

Datum vonnis: 12 mei 2004

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te A, Duitsland,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. J.M.J. Huver,

advocaat mr. J. van Rhijn te Alkmaar,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GLAVERFIN BEHEER B.V.,

thans volgens haar opgave Glaverfin Nederland Holding B.V. geheten,

gevestigd te Tiel,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. P.H.L.M. Kuypers te Brussel, België.

In dit vonnis zullen partijen X en Glaverfin worden genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 26 november 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Daarna is een

akteverzoek van de zijde van X gedaan.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 In aansluiting op en ter uitvoering van een (voor)overeenkomst van 17 april 1998 hebben Protherm Isolierglastechnik GmbH (hierna: “Protherm”) en X bij overeenkomst van 21 april 1998 aan Glaverfin verkocht:

- 2.400 aandelen van Protherm in Magnetron Exploitatie B.V. tegen een koopprijs van ƒ 2.400,--;

- een belang van 6% van X in privé in Magnetron C.V. tegen een koopprijs van ƒ 1.497.600,--.

2.2 De totale koopprijs bedroeg derhalve ƒ 1.500.000,--. Partijen zijn overeengekomen dat Glaverfin dit bedrag zou voldoen door betaling van de vorderingen van Hardmaas B.V., Magnetron C.V. en (de Belgische vennootschap) Glaverbel N.V. (S.A.) op Protherm tot dat bedrag van ƒ 1.500.000,--.

Artikel 4 van die overeenkomst, dat op de betaling betrekking heeft, luidt volgens de overgelegde vertaling:

4. Betaling van de koopprijs

4.1 De koper zal de vorderingen van Hardmaas B.V., Magnetron C.V. en Glaverbel S.A. op PROTHERM tot een totaalbedrag van Dfl 1.500.000,-- betalen. Koper zal garanderen dat Hardmaas B.V., Glaverbel N.V. en Magnetron C.V. deze betalingen zullen accepteren.

4.2 De verkopers stemmen ermee in dat de koper door de in de eerste alinea beschreven verplichtingen volledig betaald heeft en de koper zijn verplichtingen op grond van artikel 3 van dit contract tot betaling van een koopprijs nagekomen is.

2.3 Protherm is nadien aangesproken door Glaverbel N.V. (S.A.) tot betaling van bedragen van DM 206.000,-- en DM 379.441,53. Voor dat laatste bedrag heeft X in privé een wissel afgegeven aan Glaverbel N.V. (S.A.).

2.4 X en Protherm hebben vervolgens Glaverfin gesommeerd het bedrag van ƒ 1.497.600,-- op de overeengekomen wijze te betalen en daarvan betalingsbewijzen over te leggen.

2.5 Bij notariële akte van 23 april 2001 heeft Protherm al haar rechten uit de overeenkomst van 21 april 1998, waaronder die tot ontbinding en vervangende schadevergoeding, overgedragen aan X. Daarvan is Glaverfin mededeling gedaan op 9 augustus 2001.

2.6 X heeft op 9 augustus 2001 de ontbinding van de overeenkomst van 21 april 1998 ingeroepen op de grond dat Glaverfin niet aan haar verplichtingen voldeed.

2.7 X heeft ten laste van Glaverfin conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ING-bank.

3. Het geschil

in conventie

3.1 X vordert na wijziging van eis -samengevat en zakelijk weergegeven-

primair dat de rechtbank zal verklaren voor recht dat de overeenkomst van 21 april 1998 is ontbonden voorzover het de levering van het aandeel van X in Magnetron C.V. betreft en Glaverfin zal gebieden dat aandeel aan X terug te leveren, zulks op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Glaverfin tot vergoeding van de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, subsidiair dat de rechtbank Glaverfin zal veroordelen tot vergoeding van de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

met veroordeling van Glaverfin in de kosten van dit geding.

3.2 Aan deze vordering legt X ten grondslag dat Glaverfin de door haar verschuldigde koopprijs niet heeft voldaan aan Hardmaas B.V., Magnetron C.V. en Glaverbel N.V. (S.A.) ter betaling van vorderingen van hen op Protherm, waardoor Glaverfin toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen, op grond waarvan X de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. Dat zij tekortgeschoten is, leidt X onder meer af uit het feit dat Protherm na het sluiten van de overeenkomst door Glaverbel N.V. (S.A.) is aangesproken tot betaling van bedragen van DM 206.000,-- en DM 379.441,53. Als gevolg van de ontbinding is een ongedaanmakingsverplichting ontstaan aan de zijde van Glaverfin. Zij is voorts gehouden tot betaling van schadevergoeding.

3.3 Glaverfin voert tegen deze vordering gemotiveerd verweer. Daarop zal de rechtbank, voor zover relevant, onder de beoordeling ingaan.

in reconventie

3.4 Glaverfin vordert -samengevat en zakelijk weergegeven- dat de rechtbank het genoemde derdenbeslag zal opheffen, voor recht zal verklaren dat dat beslag onrechtmatig is en X zal veroordelen tot vergoeding van de daardoor ontstane schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van X in de kosten van dit geding.

3.5 Aan deze vordering legt Glaverfin ten grondslag dat de vorderingen van X niet toewijsbaar zijn, dat derhalve het beslag onrechtmatig is jegens Glaverbel en dat X aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade.

3.6 X voert tegen deze vordering gemotiveerd verweer. Daarop zal de rechtbank, voor zover relevant, onder de beoordeling ingaan.

4. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1 Volgens artikel 8.1 van de overeenkomst van 21 april 1998 is daarop Nederlands recht van toepassing.

voorts in conventie

4.2 Glaverfin stelt, zonder daaraan overigens juridische conclusies te verbinden, dat X zijn vordering heeft veranderd c.q. vermeerderd en dat zij niet is gehoord als bedoeld in artikel 130 Rv. Glaverfin had tegen die vermeerdering van eis bezwaar kunnen maken in haar nadien genomen conclusie. Nu zij zulks heeft nagelaten, zal de rechtbank recht doen op die vermeerderde eis.

4.3 In haar stellingen heeft Glaverfin opgenomen dat X in zijn vorderingen niet ontvankelijk dient te worden verklaard, maar in haar conclusie is deze stellingname niet verwoord. Voor zover Glaverfin daadwerkelijk het ontvankelijkheidsverweer heeft willen voeren, stuit dit af op het feit dat X (en niet Protherm) het belang van 6% in Magnetron C.V. had en aan Glaverfin heeft verkocht, en dat derhalve X ter zake partij was bij de overeenkomst van 21 april 1998. De rechtbank laat dan nog daar dat X onweersproken heeft gesteld dat Protherm alle rechten uit die overeenkomst, waaronder die tot ontbinding en vervangende schadevergoeding, heeft overgedragen aan X. Het verweer wordt verworpen.

4.4 Tussen partijen bestaat verschil van mening omtrent de vraag welke vennootschap of vennootschappen worden bedoeld met “PROTHERM” in artikel 4 van de overeenkomst van 21 april 1998, uitsluitend Protherm Isolierglas Technik GmbH -partij bij de overeenkomst, in de processtukken ook wel aangeduid als Protherm Rahden en inmiddels Gip GmbH geheten- of ook Protherm Isolierglas GmbH, die in de processtukken ook wel Protherm Bernburg wordt genoemd. De vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of deze overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers volgens vaste jurisprudentie aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, NJ 1981,635).

In dit verband overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat volgens de tekst van de overeenkomst van 21 april 1998 met “Protherm” Protherm Isolierglastechnik GmbH wordt bedoeld; Protherm Bernburg wordt in de overeenkomst niet bij name genoemd.

Uit de stukken komt naar voren dat zowel Protherm als Protherm Bernburg aanzienlijke schulden hadden aan (vennootschappen behorende tot) de Glaverbel-groep, waarvan Glaverfin onderdeel uitmaakt. Daaromtrent is ook tussen partijen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst gecorrespondeerd, waarbij -in de aan de rechtbank overgelegde bescheiden- geen onderscheid is gemaakt tussen de schulden van Protherm en die van Protherm Bernburg, in die zin dat met de schulden van de ene vennootschap anders zou worden omgegaan dan met de schulden van de andere. X heeft in die correspondentie aangegeven (met zijn aandelen) garant te staan voor de verplichtingen van zowel Protherm als Protherm Bernburg.

De (voor)overeenkomst van 17 april 1998 is X aangegaan in zijn hoedanigheden van “enige gevolmachtigd beherend bestuurder” van zowel Protherm als Protherm Bernburg. De in die overeenkomst genoemde bijlage waarop de openstaande rekeningen zouden worden vermeld die met het bedrag van ƒ 1.500.000,-- zouden worden betaald, is nimmer opgesteld. Wie daaraan debet is, is bij deze beoordeling niet van belang.

Bij zijn brief van 13 augustus 1998 aan Glaverbel N.V. (S.A.) heeft X onder meer saldolijsten als bijlagen meegezonden. Die saldolijsten hebben betrekking op de vorderingen op zowel Protherm als Protherm Bernburg en daarin zijn verrekeningen verwerkt van de koopprijs met de vorderingen van die beide vennootschappen verrekend. X heeft deze saldolijsten alle ondertekend c.q. geparafeerd. Het is op zichzelf juist dat dergelijke saldolijsten geen wijziging kunnen brengen in de gemaakte afspraken, maar wel kunnen deze van belang zijn voor de vaststelling welke inhoud die afspraken hadden.

De rechtbank voegt ten slotte nog toe dat het in het algemeen voor crediteuren van belang is de vorderingen op al hun debiteuren te incasseren en dat de stukken geen aanwijzingen bevatten dat zulks op 21 april 1998 voor Hardmaas B.V., Glaverbel N.V. (S.A.) en Magnetron C.V. ten aanzien van hun vorderingen op Protherm en Protherm Bernburg anders zou zijn. Met andere woorden, niet is gebleken dat Glaverfin aanleiding had de vorderingen van genoemde crediteuren, die alle op enigerlei wijze aan haar zijn gelieerd, op Protherm Bernburg van de overeengekomen betalingswijze uit te sluiten.

Op grond van al het bovenstaande concludeert de rechtbank dat partijen bedoeld hebben overeen te komen dat het bedrag van ƒ 1.500.000,-- zou worden aangewend om zowel de schulden van Protherm als van Protherm Bernburg aan Hardmaas B.V., Glaverbel N.V. (S.A.) en Magnetron C.V. te voldoen.

4.5 Glaverfin voert voorts aan dat zij het bedrag van ƒ 1.500.000,-- wel degelijk heeft voldaan, en wel (volgens CvA/E prod. 3) door betaling (van, naar de rechtbank begrijpt, de tegenwaarde in Duitse valuta) van in totaal DM 1.368.201,55, waarvan DM 587.077,19 aan Glaverbel N.V. (S.A.), DM 105.296,61 aan Hardmaas B.V. en DM 675.827,75 aan Magnetron C.V. Daartoe is op 14 mei 2001 opdracht gegeven, aldus Glaverfin. X betwist die betalingen niet. Wel stelt hij dat de enkele betaling niet voldoende is om te concluderen dat Glaverfin aan haar verplichtingen heeft voldaan. Daartoe is tevens vereist dat Glaverbel N.V. (S.A.), Hardmaas B.V. en Magnetron C.V. die betalingen hebben aanvaard en dat laatste is kennelijk niet het geval, aldus X.

4.6 Dit standpunt van X wordt door Glaverfin niet weersproken en is ook in lijn met de inhoud van de overeenkomst van 21 april 1998. De rechtbank zal daarom dienen vast te stellen welke bedragen Protherm en Protherm Bernburg op 21 april 1998 aan respectievelijk Hardmaas B.V., Magnetron C.V. en Glaverbel N.V. (S.A.) verschuldigd waren en of en zo ja hoe het bedrag van ƒ 1.500.000,-- op die verschuldigde bedragen is afgeboekt.

4.7 Partijen hebben een groot aantal stukken overgelegd betreffende de financiële verhouding op diverse data tussen Protherm en Protherm Bernburg enerzijds en vennootschappen van de Glaverbel-groep anderzijds.

Glaverfin stelt dat Protherm (waarmee zij, naar de rechtbank begrijpt, Protherm en Protherm Bernburg bedoelt) op die datum ƒ 1.816,428,81 vermeerderd met in elk geval DM 165.514,50 en DM 82.452,18 aan het Glaverbel-concern verschuldigd was. Tot het Glaverbel-concern behoorden een groot aantal vennootschappen. Voor deze zaak is echter uitsluitend van belang welke bedragen Hardmaas B.V., Magnetron C.V. en Glaverbel N.V. (S.A.) op 21 april 1998 van Protherm en Protherm Bernburg te vorderen hadden. De vorderingen van de overige tot het Glaverbel-concern behorende vennootschappen dienen buiten beschouwing te blijven.

In reactie op het verweer van Glaverfin heeft Protherm aangegeven (CvR/A sub 4.4) dat haar schuld aan de Glaverbel-groep, voor zover in dezen relevant, ten tijde van de transactie DM 1.151.034,59 bedroeg. Tot dat bedrag behoren volgens de opgave van Protherm ook de vorderingen van Glavunion op Protherm (CvR/A sub 2.7), hoewel (ook) volgens X de koopsom niet mede strekte om die vorderingen te voldoen. Daarentegen omvat dat bedrag echter niet de vorderingen op Protherm Bernburg.

4.8 Op grond van de thans beschikbare informatie kan de rechtbank dan ook niet vaststellen wat de schulden bedoeld in rechtsoverweging 4.6 waren. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen (eerst X, daarna Glaverfin) in de gelegenheid te stellen een gespecificeerde en onderbouwde opgave te doen van de bedragen die Hardmaas B.V., Magnetron C.V. en Glaverbel N.V. (S.A.) op 21 april 2001 van Protherm respectievelijk Protherm Bernburg te vorderen hadden. Voorts dient Glaverfin aan te geven hoe de door haar betaalde bedragen die in rechtsoverweging 4.5 zijn omschreven, van die schulden zijn afgeboekt.

in conventie en in reconventie

4.9 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 9 juni 2004 voor uitlating aan de zijde van X als bedoeld in rechtsoverweging 4.8;

in conventie en in reconventie

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2004.

de griffier de rechter