Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP4230

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2004
Datum publicatie
24-06-2004
Zaaknummer
111739
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorshands geoordeeld is voldoende aannemelijk geworden dat X statutair directeur was van Aldi zodat de algemene vergadering van aandeelhouders van Aldi de correcte weg heeft gevolgd door X op 20 november 2003 als statutair directeur te ontslaan, waarna Aldi vervolgens de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van de directeur van de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) kon opzeggen (artikel 6 lid 1 BBA 1945 juncto artikel 1 Ontheffing van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het BBA 1945).

Naar de heersende rechtsopvatting (zie Hof Den Bosch 22-08-2000, JAR 2000, 207, Rb Haarlem 03-10-2001, JAR 2001, 231 en Rb Zwolle 09-10-2001, PRG 2002, 5814) geldt de in artikel 7:670 lid 1 aanhef en onder b. BW neergelegde uitzondering op het ontslagverbod tijdens ziekte ook voor bestuurders van vennootschappen. De uitnodiging voor de (buitengewone) algemene vergadering van aandeelhouders dient in dit geval gelijk te worden gesteld aan de indiening van een ontslagaanvraag bij het CWI.

Met Aldi moet worden aangenomen dat artikel 7:672 BW, waarin een regeling is getroffen met betrekking tot de opzegtermijnen, onmiddellijke werking heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 111739 / KG ZA 04-212

Datum vonnis: 3 mei 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X,

wonende te A,

eiser bij dagvaarding van 8 april 2004,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. M.A. Huisman te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALDI INKOOP B.V.,

gevestigd te Culemborg,

gedaagde,

procureur mr. J.M.J. Huver,

advocaat mr. A. van der Schee te Utrecht.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als X en Aldi.

Het verloop van de procedure

X heeft Aldi ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Aldi heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaat van X en de advocaat van Aldi hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. X is op 2 januari 1977 bij (de rechtsvoorganger van) Aldi

in dienst getreden. In 1984 is hij directeur financiën en administratie geworden.

2. Op 31 oktober 2003 is X zowel mondeling als

schriftelijk medegedeeld dat Aldi voornemens is X als statutair directeur te ontslaan. Tevens heeft X op 31 oktober 2003 een oproep voor een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders ontvangen. Daarin werd hem medegedeeld dat op 20 november 2003 een algemene aandeelhoudersvergadering zou worden gehouden waarbij zijn ontslag als statutair directeur op de agenda stond. De oproep was ondertekend door de directeur van Aldi Holding BV, de heer B.

3. Met ingang van 3 november 2003 heeft X zich ziek

gemeld.

4. Op 20 november 2003 hebben de aandeelhouders van Aldi - in

aanwezigheid van X en zijn advocaat - X ontslagen als statutair directeur, waarna de arbeidsovereenkomst is opgezegd met ingang van 1 juni 2004.

Het geschil

1. X vordert dat Aldi zal worden veroordeeld tot:

- betaling aan X van zijn salaris ter hoogte van € 11.741,68 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag ad 8%, vermeerderd met de overige overeengekomen emolumenten, met ingang van 1 juni 2004 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

- ter beschikkingstelling aan X van de door Aldi aan X ter beschikking gestelde bedrijfsauto Mercedes E240, althans een vergelijkbare auto, ook na 31 mei 2004 en binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Aldi hieraan niet voldoet;

- betaling van de kosten van dit geding.

2. X legt aan zijn vordering ten grondslag dat er op 20

november 2003 tijdens de buitengewone aandeelhoudersvergadering geen rechtsgeldige besluitvorming heeft plaatsgevonden nu X geen statutair directeur was zodat er geen beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft kunnen plaatsvinden. Bovendien stond het opzegverbod tijdens ziekte in de weg aan een rechtsgeldige opzegging. De arbeidsovereenkomst van X duurt daarom ook na 31 mei 2004 voort. Tenslotte bedraagt de opzegtermijn voor Aldi op grond van artikel 7:672 lid 6 BW 12 maanden, te weten het dubbele van de opzegtermijn van X (6 maanden) zodat ook op grond hiervan de arbeidsovereenkomst na 31 mei 2004 voortduurt totdat deze rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

3. Aldi voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang,

hierna zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van partijen.

X statutair directeur?

2. De vraag die allereerst dient te worden beantwoord is de vraag of

X statutair directeur was van Aldi. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag vooralsnog bevestigend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3. Aldi stelt dat X met ingang van 1 oktober 1984 is

benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders tot statutair directeur van Aldi. Zij heeft de schriftelijke vastlegging daarvan niet in haar administratie kunnen terugvinden. Een schriftelijk besluit is evenwel geen constitutief vereiste voor een benoeming tot statutair directeur.

X is op 29 maart 1985 met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 1984 in de Kamer van Koophandel ingeschreven als directeur van Aldi, waarbij is aangegeven dat hij alleen bevoegd is Aldi te vertegenwoordigen. De opgave is gedaan op een standaarddocument van de Kamer van Koophandel onder het kopje “opgave aanstelling van nieuwe bestuurder, commissaris of vereffenaar”. X heeft het inschrijvingsformulier daartoe ook zelf ondertekend. Aldi heeft haar stelling voorts ondersteund met overzichten van de vennootschapsrechtelijke gegevens van Aldi ten behoeve van de aandeelhouders waarbij in die overzichten vanaf (in ieder geval) 1 januari 1986 X als “Geschäftsführer”, de Duitse equivalent van statutair directeur, is opgenomen.

Bovendien heeft Aldi ter zitting gesteld, wat door X niet is betwist, dat degenen die binnen Aldi directeur zijn, ook statutair directeur zijn. De Aldi organisatie kent alleen maar statutair directeuren.

Tenslotte is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat - mede gelet op de door Aldi in het geding gebrachte producties - X zich al die tijd, zowel binnen Aldi, als naar buiten toe, heeft gedragen alsof hij statutair directeur was. Met name zijn daarbij van belang een tweetal door Aldi overgelegde documenten uit 1995 en 1997 die, naast de directie (waaronder X) en de raad van commissarissen, zijn ondertekend door (of namens) de aandeelhouders. De voorzieningenrechter is voorshands met Aldi van oordeel dat deze aandeelhouders genoemde documenten niet zouden hebben ondertekend indien X geen statutair directeur was.

Gelet op het voorgaande is, voorshands geoordeeld, voldoende aannemelijk geworden dat X statutair directeur was van Aldi zodat de algemene vergadering van aandeelhouders van Aldi de correcte weg heeft gevolgd door X op 20 november 2003 als statutair directeur te ontslaan, waarna Aldi vervolgens de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van de directeur van de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) kon opzeggen (artikel 6 lid 1 BBA 1945 juncto artikel 1 Ontheffing van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het BBA 1945).

opzegverbod tijdens ziekte

4. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is de vraag

of het opzegverbod tijdens ziekte, zoals geformuleerd in artikel 7:670 lid 1 BW, in de weg staat aan een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst van X tijdens de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders op 20 november 2003. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5. Naar de heersende rechtsopvatting (zie Hof Den Bosch 22-08-

2000, JAR 2000, 207, Rb Haarlem 03-10-2001, JAR 2001, 231 en Rb Zwolle 09-10-2001, PRG 2002, 5814) geldt de in artikel 7:670 lid 1 aanhef en onder b. BW neergelegde uitzondering op het ontslagverbod tijdens ziekte ook voor bestuurders van vennootschappen. De uitnodiging voor de (buitengewone) algemene vergadering van aandeelhouders dient in dit geval gelijk te worden gesteld aan de indiening van een ontslagaanvraag bij het CWI.

In de onderhavige zaak dateert de uitnodiging van X voor de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van 31 oktober 2003. Vast staat dat X zich per 3 november 2003 heeft ziek gemeld. Nu X zich ziek heeft gemeld nadat hij had kennis genomen van het voornemen hem te ontslaan, kan hij zich, voorshands geoordeeld, niet met vrucht op de ontslagbescherming tijdens ziekte beroepen.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de ziekmelding van X niet aan een rechtsgeldig ontslag in de weg heeft gestaan.

opzegtermijn

6. Tenslotte heeft X gesteld dat de arbeidsovereenkomst

ook ná 31 mei 2004 voortduurt totdat deze rechtsgeldig zal zijn beëindigd, nu tussen partijen (op 1 oktober 1984 bij arbeidsovereenkomst) is overeengekomen dat er een opzegtermijn zal gelden van 6 maanden tenzij uit de wet volgt dat er een langere termijn geldt. Op grond van het op 1 januari 1999 gewijzigde artikel 7:672 lid 6 BW geldt er voor Aldi in dit geval dan een (“dubbele”) opzegtermijn van 12 maanden nu de opzegtermijn voor X 6 maanden bedraagt.

7. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat ook deze

stelling geen stand kan houden. Met Aldi moet worden aangenomen dat artikel 7:672 BW, waarin een regeling is getroffen met betrekking tot de opzegtermijnen, onmiddellijke werking heeft. Afwijkingen die strijdig zijn met aldus op 1 januari 1999 in werking getreden recht, zijn nietig. Daarvoor in de plaats komen de vanaf 1 januari 1999 geldende wettelijke termijnen, hetgeen in dit geval zou betekenen dat voor Aldi een opzegtermijn van 4 maanden geldt, overeenkomstig artikel 7:672 lid 2 aanhef en onder d BW. De wetgever heeft echter een uitzondering vastgesteld voor werknemers die op het tijdstip van in werking treden van de wet 45 jaar of ouder zijn. X was op 1 januari 1999 ouder dan 45 jaar. Voor hem geldt derhalve de uitzonderingsbepaling die is opgenomen in de Wijzigingswet Boek 7 BW, flexibiliteit en zekerheid. Artikel XXI van deze wet luidt:

“Voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn van opzegging gold dan volgens deze wet, blijft de oude termijn gelden zolang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft.”

Op grond van voornoemde bepaling dient Aldi een opzegtermijn van 6 maanden in acht te nemen (immers in 1984 met X overeengekomen), hetgeen zij ook heeft gedaan. Krachtens de wettelijke regeling van vóór 1 januari 1999, artikel 7:671 lid 1 (oud) en 7:672 (oud) BW, gold in dit geval overigens ook geen langere opzegtermijn voor Aldi dan de in 1984 bij arbeidsovereenkomst overeengekomen termijn van 6 maanden.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat Aldi een juiste opzegtermijn in acht heeft genomen.

8. Gelet op het hiervoor onder 2 tot en met 7 overwogene is de

voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat er geen sprake is van een nietig ontslagbesluit tijdens de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders op 20 november 2003 met betrekking tot het ontslag van X nu X statutair directeur was van Aldi. Voorts heeft zijn arbeidsongeschiktheid niet aan een rechtsgeldige opzegging in de weg gestaan. Bovendien heeft Aldi een juiste opzegtermijn gehanteerd. Dit leidt tot de conclusie dat de gevorderde voorzieningen van X moeten worden afgewezen.

9. Als de in het ongelijk gestelde partij zal X in de kosten

van dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. weigert de gevorderde voorziening;

2. veroordeelt X in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Aldi bepaald op € 703,- voor salaris procureur en op € 241,- voor verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 3 mei 2004.

de griffier de rechter