Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP3814

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
24-06-2004
Zaaknummer
103509
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid; Recht van uitweg; Recht van licht en uitzicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 103509 / KG ZA 03-575

Datum vonnis: 14 mei 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

1. W,

wonende te A, gemeente B,

2. X,

wonende te A, gemeente B,

eisers in conventie bij dagvaarding van 3 september 2003,

verweerders in reconventie,

procureur mr. R. Kamphuis,

tegen

1. Y,

wonende te A, gemeente B,

2. Z,

wonende te A, gemeente B,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

verschenen in persoon.

Het verloop van de procedure

Eisers -hierna zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk te noemen: W- hebben gedaagden -hierna zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk te noemen: Y- ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding, met dien verstande dat zij hun eis hebben gewijzigd zoals hierna vermeld. Y heeft zich niet verzet tegen de eiswijziging, wel heeft hij geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen, en heeft daarbij een eis in reconventie ingesteld. W heeft zich daar tegen verzet. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en daarbij producties in het geding gebracht. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter samen met partijen en de raadsman van W de situatie ter plaatse in A in ogenschouw genomen en is daar de verdere mondelinge behandeling van de zaak voortgezet en afgerond. De voorzieningenrechter heeft vervolgens in overleg met partijen de verdere behandeling van de zaak aangehouden en de zaak doorverwezen naar het Projectburau Mediation van de rechtbank, om partijen in de gelegenheid te stellen met hulp van een bemiddelaar hun geschil in onderling overleg te beslechten. Bij brief van 16 maart 2004 heeft de raadsman van W de voorzieningenrechter gevraagd om alsnog vonnis te wijzen in de zaak omdat mediation niet tot een oplossing heeft geleid. Uiteindelijk is vonnis bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. W is eigenaar van het perceel met woning aan C-weg 4 te A. Het aan dat perceel grenzende perceel met woning aan D-straat 22 te A is eigendom van Y. Langs de woning op het perceel D-straat 22 loopt een weg -hierna te noemen: de weg. De weg wordt tevens begrensd door bebouwing op het perceel D-straat 20.

2. Ten behoeve van het perceel van W en ten laste van het

perceel van Y bestaat sedert 1942 een erfdienstbaarheid, inhoudende het recht van uitweg, uit te oefenen over de weg.

3. Ten behoeve van het perceel van Y en ten laste van het perceel van W is in 1942 een erfdienstbaarbaarheid van licht en uitzicht gevestigd.

4. Y heeft in 2000 aan de woning op zijn perceel een aanbouw gerealiseerd. Door de aanbouw is de breedte van de doorgang op de weg versmald. Hierover en over beplanting en grondophoging van het perceel van W bestaat onenigheid tussen partijen.

Het geschil in conventie en in reconventie

1. Kort weergegeven vordert W na wijziging van eis om Y te bevelen de aanbouw aan de woning op het perceel D-straat 22 te A zodanig te verwijderen dat de weg een doorgang krijgt die minimaal 3 meter breed is en 2,5 meter hoog, met een verbod voor Y om op die plek en iedere andere plek op/langs de weg (opnieuw) zodanig te bouwen dat de doorgang op de weg kleiner wordt dan hiervóór is aangegeven.

2. W legt aan zijn vorderingen de stellingen ten grondslag dat Y door diens handelwijze onrechtmatig inbreuk maakt op het recht van overpad dat ten behoeve van het perceel C-weg 4 is gevestigd. W voert daarvoor aan dat hij als gevolg van de aanbouw niet meer met een groot voertuig zoals een caravan of camper via de weg op zijn perceel kan komen. Volgens W is het op grond van de erfdienstbaarheid toegestaan om met grote voertuigen over de weg te gaan omdat de erfdienstbaarheid destijds (in 1942) werd gevestigd ten behoeve van een agrarisch bedrijf op het perceel dat thans zijn eigendom is, en er toen landbouwvoertuigen over de weg gingen. W stelt dat Y plannen heeft om nog een aanbouw of berging te realiseren op/langs de weg. W vreest dat die de weg ook, of nog verder versmalt.

3. Y betwist dat hij onrechtmatig inbreuk maakt op het recht van overpad, ook als hij een berging gaat bouwen. Volgens hem houdt de erfdienstbaarheid niet mede in dat voertuigen ter grootte van een caravan of camper over de weg naar het perceel van W moeten kunnen rijden. Y stelt dat W zelf wel op onrechtmatige wijze de uitoefening van een erfdienstbaarheid belemmert. Hij voert daarvoor aan dat de op het perceel van W aanwezige beplanting en grondophoging in strijd is met de ten behoeve van zijn -Ys- perceel gevestigde erfdienstbaarheid van licht en uitzicht. Om die reden vordert Y -kort weergegeven- een bevel voor W om de beplanting en grondophoging te verwijderen, zodanig dat het recht op licht en uitzicht onbelemmerd kan worden uitgeoefend.

4. W heeft zich verzet tegen de door Y in reconventie ingestelde vordering omdat Y in dit kort geding geen bijstand heeft van een procureur. Daarnaast betwist hij inbreuk te maken op de erfdienstbaarheid van licht en uitzicht. Hij stelt daartoe dat hij met snoeiwerkzaamheden zorgt voor voldoende lichtinval en uitzicht.

De motivering van de beslissing

In conventie

1. De erfdienstbaarheid van uitweg is gevestigd in 1942, kennelijk met de bedoeling om met agrarische voertuigen te komen van en te gaan naar het perceel dat thans eigendom is van W. Inmiddels heeft het perceel van W geen agrarische bestemming meer. De erfdienstbaarheid is evenwel blijven bestaan. W wil op basis van de erfdienstbaarheid (bijvoorbeeld) met een caravan of een camper over de weg van en naar zijn perceel kunnen komen. De erfdienstbaarheid kan de basis voor dat gebruik vormen als dat voor het dienende erf van Y geen verzwaring van de erfdienstbaarheid inhoudt. Y mag dan het gebruik niet belemmeren. Aannemelijk is dat in ieder geval mede als gevolg van de gerealiseerde aanbouw de weg thans te smal is om met een caravan of camper over de weg te rijden. Als dit krachtens de erfdienstbaarheid mogelijk moet zijn, zal de door Y gerealiseerde aanbouw (gedeeltelijk) afgebroken moeten worden. Juist vanwege de onomkeerbare gevolgen van afbraak, zal boven iedere redelijke twijfel verheven moeten zijn dat het komen van en gaan naar het perceel van W met een voertuig zoals een caravan of camper geen verzwaring van de erfdienstbaarheid betekent voor het perceel van Y. Daarvoor dient het in ieder geval uitgesloten te zijn dat caravans en campers niet groter zijn dan agrarische voertuigen waarop men het oog had bij de vestiging van de erfdienstbaarheid in 1942. Zonder nader feitelijk onderzoek, waarvoor een kort geding zich niet leent, valt dit niet uit te sluiten. Daarom kan het gevraagde bevel tot (gedeeltelijke) verwijdering van de aanbouw aan de woning van Y in dit kort geding niet worden gegeven. Dit brengt mee dat W thans onvoldoende belang heeft bij de overige door hem gevraagde voorzieningen, zodat ook die geweigerd zullen worden.

2. Hoewel W in het ongelijk is gesteld, zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt omdat Y als eigenaar van het dienende erf, door eigenmachtig optreden -het realiseren van de aanbouw- het conflict over de erfdienstbaarheid in het leven heeft geroepen.

In reconventie

3. Ofschoon voor het instellen van een vordering in reconventie in beginsel de bijstand van een procureur nodig is, zal de voorzieningenrechter om proces-economische redenen de vordering van Y inhoudelijk behandelen.

4. Tijdens de schouw ter plaatse is een raampartij getoond waarvan niet in geding is dat daar op grond van de erfdienstbaarheid licht in moet kunnen vallen en uitzicht uit moet bestaan. Aannemelijk is dat de beplanting aan de zijkanten van en de grondophoging onder die raampartij in ieder geval het uitzicht vanuit de raampartij belemmeren, omdat als het ware door een koker wordt gekeken. Voldoende aannemelijk is dat dit in strijd is met de erfdienstbaarheid van uitzicht. Zonder nader feitelijk onderzoek, dat de kaders van een kort geding te buiten gaat, kan evenwel niet worden aangegeven in hoeverre de beplanting en grondophoging verwijderd dienen te worden. Om die reden is de vordering van Y thans niet toewijsbaar.

5. Hoewel Y in het ongelijk is gesteld, zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt omdat W als eigenaar van het dienende erf, door eigenmachtig optreden -het dicht bij de raampartij aanbrengen van beplanting en een grondophoging- het conflict over de erfdienstbaarheid in het leven heeft geroepen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

weigert de gevraagde voorzieningen;

compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

in reconventie

weigert de gevraagde voorzieningen;

compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde uitgesproken op 14 mei 2004.