Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP3466

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-04-2004
Datum publicatie
23-06-2004
Zaaknummer
110786
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veilingsvoorwaarden:

Gelet op het hiervoor onder 3, 4 en 5 overwogene is de

voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door Y jegens X. Nu Y op grond van artikel 8 lid 2 van de veilingvoorwaarden het recht heeft niet te gunnen, is de voorzieningenrechter voorshands ook van oordeel dat niet met een hoge mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter de vordering van X zal toewijzen. Dit leidt tot de conclusie dat de door X gevorderde voorziening moet worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 110786 / KG ZA 04-154

Datum vonnis: 19 april 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X,

wonende te A, gemeente B,

eiser bij dagvaarding van 15 maart 2004,

procureur mr. E.W.J. van Dijk,

tegen

Y,

wonende te C,

gedaagde,

procureur mr. P.C. Plochg.

Partijen worden hierna aangeduid als X en Y.

Het verloop van de procedure

X heeft Y ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Y heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De procureur van X en de procureur van Y hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. Op 28 maart 2002 is een vonnis gewezen door de pachtkamer van

de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel. Daarin is schriftelijk vastgelegd een in 1992 ingegane mondelinge pachtovereenkomst tussen Y, als pachter, en zijn broer D, als verpachter, met betrekking tot een perceel land aan de E-weg 0 te C.

2. In dat vonnis is de verpachter voorts veroordeeld om de door

hem omgeploegde grond van een deel van het gepachte perceel land in de oorspronkelijke staat, te weten grasland, terug te brengen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 220,37 per dag.

3. De verpachter heeft niet voldaan aan deze veroordeling met als

gevolg dat hij, tot 23 oktober 2002, een bedrag van € 64.353,76 aan dwangsommen heeft verbeurd aan Y.

4. Omdat de betaling van de verbeurde dwangsommen onbetaald is

gebleven, heeft Y executoriaal beslag laten leggen op drie kavels van het gepachte, te weten op de percelen met de kadastrale nummers E 42, E 477 en E 550.

5. In vervolg daarop heeft ten overstaan van de notaris de

beslagveiling plaatsgevonden, waarbij op 11 maart 2003 bij opbod en op 25 maart 2003 bij afslag is geveild.

6. Op de veiling bij afslag zijn de drie percelen afgemijnd door

F, de zoon van Y, voor respectievelijk € 50.000,- voor perceel E 42, € 10.000,- voor perceel E 477 en € 20.000,- voor perceel E 550. Vervolgens is de generale massa afgemijnd door X voor € 115.000,-.

7. Nadat Y van het recht van beraad gebruik had gemaakt, heeft hij de notaris meegedeeld dat hij de percelen gunt aan zijn zoon F. Daarbij heeft hij verwezen naar de bepaling in artikel 8 lid 6 van Algemene veilingvoorwaarden registergoed 1993 van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, verder te noemen: de veilingvoorwaarden. Die bepaling luidt:

“Bij veiling in combinatie kan de verkoper aan bieders voor kavels gunnen, zelfs als het bod voor de combinatie van die kavels hoger is.”

8. De notaris heeft daarop te kennen gegeven dat hij niet

voornemens is mee te werken aan het opmaken van een proces-verbaal van gunning aan F, omdat daardoor de geëxecuteerde D voor € 35.000,- wordt benadeeld.

9. Daarop hebben Y en F de notaris in kort geding doen dagvaarden. X heeft zich in die procedure aan de zijde van de notaris gevoegd. De voorzieningenrechter te Arnhem heeft op 13 mei 2003 in die procedure geoordeeld dat Y geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 8 lid 6 van de veilingvoorwaarden om de percelen niet aan X maar aan zijn zoon te gunnen. Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat zelfs al zou Y daar wel een beroep op kunnen doen, dit beroep niet kan slagen omdat Y, met verwijzing naar de ratio van een executieverkoop, misbruik heeft gemaakt van zijn gunningsbevoegdheid. Om die reden is de vordering afgewezen.

10. Het Gerechtshof te Arnhem heeft op 3 februari 2004 het vonnis

van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

11. Bij brief van 20 februari 2004 heeft Y

middels zijn rechtsbijstandverzekeraar X laten weten niet vrijwillig mee te werken aan gunning van de drie onder 4 genoemde percelen aan X.

Het geschil

1. X vordert - kort weergegeven - veroordeling van

Y tot gunning aan X van de percelen met de kadastrale nummers E 42, E 477 en E 550, met de bepaling dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de door Y geweigerde (verklaring tot) gunning.

2. X legt aan zijn vordering ten grondslag dat Y, ondanks de onder 10 van de vaststaande feiten genoemde uitspraak van het Gerechtshof, tot op heden nog steeds weigert de percelen aan X te gunnen zodat hij blijft volharden in zijn misbruik van recht. Daarmee handelt Y onrechtmatig jegens X.

3. Y voert gemotiveerd verweer waarop,

voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

1. Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de stellingen van X.

2. Voorop gesteld wordt dat de vordering in het onderhavige geding

- waarin het gaat om een als onmiddellijke voorziening bij voorraad gevraagde veroordeling tot gunning aan X van een drietal percelen en de bepaling dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de verklaring tot gunning - slechts voor toewijzing in aanmerking komt als redelijkerwijs met een hoge mate van

waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat ook de bodemrechter een dergelijke veroordeling zal uitspreken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3. Kernpunt van het onderhavige geschil is de vraag of Y zich kan beroepen op artikel 8 lid 2 van de veilingvoorwaarden. Dit artikellid luidt, voor zover van belang:

“De verkoper heeft het recht niet te gunnen (...).”

4. X heeft zich op het standpunt gesteld dat Y zich niet op voornoemde bepaling kan beroepen omdat hij geen eigenaar is van de betreffende percelen. Artikel 8 lid 2 van de veilingvoorwaarden is in het bijzonder bedoeld in geval van een veiling waarin de verkoper tevens eigenaar van het te veilen object is.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat deze stelling geen stand kan houden. Niet dan wel onvoldoende is gebleken dat artikel 8 lid 2 van de veilingvoorwaarden niet ziet op een situatie dat de verkoper executant is van de percelen in plaats van eigenaar. X heeft zijn stelling daaromtrent niet verder onderbouwd en ook uit de veilingvoorwaarden zelf valt een onderscheid tussen verkoper/eigenaar en verkoper/executant niet op te maken. Volgens de begripsbepaling van de veilingvoorwaarden wordt onder ‘verkoper’ verstaan:

“degene(n) in wiens (wier) opdracht de veiling wordt gehouden en die tot

het geven van die opdracht krachtens enig recht bevoegd is (zijn).”

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter laat deze omschrijving geen andere mogelijkheid dan dat ook de verkoper/executant zich kan beroepen op (in dit geval) artikel 8 lid 2 van de veilingvoorwaarden.

5. De uitspraak van het Gerechtshof van 3 februari 2004 maakt het

voorgaande niet anders. In die uitspraak stond immers centraal de uitleg van artikel 8 lid 6 van de veilingvoorwaarden. Het Gerechtshof oordeelde dat Y misbruik van zijn bevoegdheid tot gunning maakte door de percelen aan zijn zoon F te gunnen. Uit dit arrest volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dat Y moet gunnen aan X dan wel dat Y zich niet kan beroepen op artikel 8 lid 2 van de veilingvoorwaarden.

6. Gelet op het hiervoor onder 3, 4 en 5 overwogene is de

voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door Y jegens X. Nu Y op grond van artikel 8 lid 2 van de veilingvoorwaarden het recht heeft niet te gunnen, is de voorzieningenrechter voorshands ook van oordeel dat niet met een hoge mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter de vordering van X zal toewijzen. Dit leidt tot de conclusie dat de door X gevorderde voorziening moet worden afgewezen.

7. Als de in het ongelijk gestelde partij zal X in de kosten

van dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. weigert de gevorderde voorziening;

2. veroordeelt X in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Y bepaald op € 703,- voor salaris en op € 241,- voor verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 19 april 2004.

de griffier de rechter