Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP3374

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-04-2004
Datum publicatie
23-06-2004
Zaaknummer
110435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eigendom strook grond door verjaring. Afstand? Artikel 3:99 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 110435 / KG ZA 04-141

Datum vonnis: 12 april 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

1. W,

wonende te A,

2. X,

wonende te B,

beiden handelende in hun hoedanigheid van bewindvoerders

van C,

eisers,

procureur mr. P.A.C. de Vries te Arnhem,

advocaat mr. J.A. van Laar te Woudenberg,

tegen

1. Y,

wonende te A,

2. Z,

wonende te A,

gedaagden,

verschenen in persoon.

Het verloop van de procedure

Eisers hebben gedaagden ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Gedaagden hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaat van eisers en de gedaagden hebben de zaak bepleit, laatstgenoemden overeenkomstig de door hen op schrift gestelde notities.

Daarbij hebben eerstgenoemden producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. Eisers zijn bij beschikking van deze rechtbank, sector kanton, locatie Wageningen, van 11 april 2002 benoemd tot bewindvoerders over (de goederen van) D en C. Tot die goederen behoort de aan dit (voormalig) echtpaar in eigendom toebehorende woning aan de E-straat 0 te A waarin het echtpaar vanaf omstreeks 1950 tot februari 2002 heeft gewoond.

De heer D is op 2 december 2002 overleden.

Mevrouw C woont thans in een verpleeghuis. De woning is op 22 maart 2004 verkocht; de levering daarvan vindt plaats uiterlijk op 17 mei 2004.

2. Gedaagden bewonen de naast voormeld pand gelegen woning (met bedrijfshal) aan de E-straat 00. Zij zijn op 28 april 2003 eigenaren daarvan geworden door verkoop en levering door de toenmalige eigenaar van die woning F.

Tussen de beide woningen bevindt zich een strook grond waarop (deels) de inrit/oprit van het perceel E-straat 0 is gesitueerd.

Een gedeelte (ongeveer 7 à 9 m²) van deze grond is destijds (ongeveer 50 jaar geleden) door wijlen D aangekocht van de rechtsvoorganger van F (G) ten behoeve van de verbreding van de inrit/oprit van D teneinde met een vrachtwagen diens achter dit perceel gelegen bedrijfsruimte te bereiken. Levering van dit strookje grond door middel van een notariële akte is achterwege gebleven.

3. Tot voor kort bevond zich tussen de beide percelen en langs de onder 2. genoemde (verbrede) inrit/oprit van wijlen D een erfafscheiding bestaande uit een muur en betonpalen.

Gedaagden hebben deze erfafscheiding alsmede het gedeelte van meergenoemde inrit/oprit voor zover deze gesitueerd was op het onder 2. genoemde, door wijlen D van G aangekochte perceelsgedeelte, inmiddels geheel of ten dele verwijderd.

Tevens zijn zij begonnen op de plaats van de oorspronkelijk (vóór de aankoop van het strookje grond door D) gelegen erfgrens tussen de beide percelen een nieuwe hekwerk als erfafscheiding te plaatsen. Ook hebben zij aan hun zijde van die erfgrens een begin gemaakt met de aanleg van een inrit/oprit ten behoeve van de bouw van een garage, waarvoor aan de voormalige eigenaar F reeds een bouwvergunning was verleend.

4. Op 22 maart 2004 heeft notaris mr. E.J. Veldjesgraaf te Woudenberg op verzoek van eisers een verklaring van verjaring als bedoeld in artikel 34 Kadasterwet opgemaakt met betrekking tot het hiervoor onder 2.

genoemde perceelsgedeelte (strook grond van 7 à 9 m²) en deze verklaring ingeschreven in de openbare registers van het kadaster te Arnhem. Gedaagden zijn daarbij aangewezen als de personen tegen wie de verjaring werkt.

Het geschil

1. Eisers stellen zich op het standpunt dat het (voormalige) echtpaar C door verjaring eigenaar is geworden van het hiervoor onder de feiten sub 2 genoemde strookje grond van 7 à 9 m² en dat het gedaagden dus niet is toegestaan daarop of daaraan wijzigingen aan te brengen. De thans door gedaagden uitgevoerde werkzaamheden aan de erfafscheiding tussen de beide percelen leiden er volgens eisers bovendien toe dat de inrit/oprit van het perceel E-straat 0 wordt versmald, waardoor de waarde van dit perceel aanmerkelijk in neerwaartse zin (naar schatting tussen de € 20.000,-- en € 30.000,--) wordt beïnvloed.

2. Op grond van het vorenstaande vorderen eisers thans, kort gezegd, gedaagden te veroordelen om alle wijzigingen aan de oprit/inrit van het perceel E-straat 0 te A ongedaan te maken en de feitelijke inrichting van die oprit/inrit te herstellen in de oorspronkelijke staat, versterkt met een dwangsom.

Eisers vorderen tevens gedaagden te verbieden de oorspronkelijke erfafscheiding ter hoogte van de oprit/inrit van voormeld perceel op enigerlei wijze te betreden, daarop of daaraan wijzigingen aan te brengen die tot gevolg hebben dat genoemde inrit wordt versmald of anderszins het gebruik daarvan te hinderen of te belemmeren, eveneens versterkt met een dwangsom.

3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer. Zij nemen allereerst het standpunt in dat zij noch hun rechtsvoorganger F ten tijde van de aankoop van hun perceel bekend waren met het feit dat de feitelijke erfgrens afweek van de kadastrale grens en dat zij dit perceel conform de omschrijving daarvan in het Kadaster in zijn geheel (dus inclusief het bewuste strookje grond) hebben aangekocht en daarvan eigenaar zijn geworden.

Zij hebben er bovendien op gewezen dat F kort na de eigendomsoverdracht van het perceel aan hem (in 1996) de heer

D er nog op heeft aangesproken dat er met betrekking tot het strookje grond nog een grenscorrectie diende plaats te vinden en dat deze toen gezegd zou hebben: “jah, jah, jah”. Volgens gedaagden heeft D hierdoor een (eventueel) recht op eigendomsverkrijging door verjaring prijs gegeven. Ten slotte hebben gedaagden betoogd dat het echtpaar C destijds geen bezwaar heeft

gemaakt tegen de voorgenomen bouw van de garage op het perceel van F en daarmee impliciet hun rechten op het bewuste strookje grond heeft laten varen.

De beoordeling van het geschil

1. Als niet althans onvoldoende weersproken staat vast dat wijlen

D de thans in het geschil zijnde strook grond omstreeks de jaren vijftig van de vorige eeuw van G, de rechtsvoorganger van

F (op zijn beurt rechtsvoorganger van gedaagden), heeft gekocht.

Tevens staat vast dat D en zijn echtgenote deze strook grond vervolgens gedurende tientallen jaren (in elk geval meer dan dertig jaar) onafgebroken in hun bezit hebben gehad.

Dat betekent dat er voorshands van moet worden uitgegaan dat zij

(naar oud recht) door verjaring eigenaar van deze strook grond zijn geworden. Daaraan doet niet af dat gedaagden en/of hun rechtsvoorganger F daarvan ten tijde van de eigendomsoverdracht van het perceel E-straat 00 niet op de hoogte waren.

2. Voor zover het hiervoor onder “Het geschil” sub 3 weergegeven betoog van gedaagden ertoe strekt dat het echtpaar C afstand zou hebben gedaan van de onder 1 genoemde verjaring, faalt dit betoog.

In de eerste plaats is blijkens de Parlementaire Geschiedenis van art. 3:99 BW afstand van verkrijgende verjaring in het nieuwe recht

- welk recht gold ten tijde van de afstand die volgens gedaagden zou zijn gedaan- niet (meer) mogelijk. Evenmin is gebleken dat dit echtpaar -uitdrukkelijk of stilzwijgend- afstand heeft gedaan van extinctieve verjaring (indien van een dergelijke verjaring hier al sprake zou zijn) danwel anderszins op enig moment de bedoeling heeft gehad hun rechten op het onderhavige strookje grond prijs te geven.

De in dit verband door gedaagde aangevoerde (onder Het geschil sub 3. weergegeven) reactie van D op het verzoek van F om een grenscorrectie (indien al juist) is onvoldoende om een dergelijke bedoeling aan te nemen.

Evenmin is daarvoor voldoende de omstandigheid dat dat echtpaar niet (expliciet) bezwaar heeft gemaakt tegen de bouw van een garage door de rechtsvoorganger van gedaagden, temeer niet nu die garage geheel op eigen grond van die rechtsvoorganger (thans van gedaagden) is gesitueerd.

3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door gedaagden verrichte/beoogde werkzaamheden aan de onderhavige erfafscheiding en de inrit/oprit van het perceel E-straat 0 een onaanvaardbare aantasting opleveren van het eigendomsrecht van mevrouw C. Dat betekent dat de door eisers namens mevrouw C gevorderde voorzieningen toewijsbaar zijn zoals hierna te vermelden. Het spoedeisend belang daarbij is, mede gelet op de inmiddels gerealiseerde verkoop van het perceel E-straat 0 en de voorgenomen levering daarvan op 17 mei a.s., voldoende aangetoond.

4. Er bestaat aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen en het totaal daarvan aan een maximum te binden, een en ander zoals hierna in het vonnis zal worden opgenomen.

5. Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen gedaagden in de kosten van dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. veroordeelt gedaagden om alle maatregelen, werken, bouwsels, aangebrachte materialen e.d. met betrekking tot de oprit/inrit van het perceel E-straat 0 te A ongedaan te maken en de feitelijke inrichting van die inrit/oprit te herstellen in de oorspronkelijke staat en toestand,

2. verbiedt gedaagden op enigerlei wijze op of aan de erfscheiding ter hoogte van de inrit/oprit van het onder 1. genoemde perceel wijzigingen aan te brengen die tot gevolg hebben dat die in-/oprit wordt versmald of anderszins het gebruik daarvan te hinderen of te belemmeren,

3. veroordeelt gedaagden om ingeval zij (na betekening van dit vonnis) in gebreke mochten blijven aan bovenstaande veroordeling sub 1 te voldoen en/of bovenstaand verbod sub 2 overtreden, aan eisers een dwangsom te betalen van telkens € 250,-- per dag, echter met een maximum van in totaal € 25.000,--,

4. veroordeelt gedaagden in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers bepaald op € 703,-- voor salaris en op € 311,40 voor verschotten,

5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters op 12 april 2004.

de griffier de rechter