Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP2245

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
21-06-2004
Zaaknummer
95297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht; Geen causaal verband tussen beroepsfout en gestelde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 95297 / HA ZA 03-70

Datum vonnis: 7 april 2004

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te A,

eiser,

procureur mr. J.M.J. Huver,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A & S ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te Wageningen,

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. J.M.W. Werker te Arnhem.

Partijen worden hierna X en A&S genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Na het uitbrengen van de dagvaarding zijn de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie van antwoord;

* een conclusie van repliek;

* een conclusie van dupliek;

* een akteverzoek van de zijde van X;

* een akteverzoek van de zijde van A&S;

* een akteverzoek van de zijde van X;

* een akteverzoek van de zijde van A&S.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1 X heeft (met zijn echtgenote) een melkveebedrijf aan de B 0 te A. Aan de zuidzijde van de B bevinden zich de woning en de bedrijfsgebouwen van X. Dit perceel wordt aan de zuidzijde begrensd door het water van de Nieuwe Vaart. Aan de noordzijde van de B bezit X ca. 30 ha weidegrond. Op deze weidegrond grazen zijn koeien. Ten tijde in geding had X 50-60 koeien en 40 stuks jongvee. De stal bood ruimte aan 80 koeien.

2.2 Het ontwerp-bestemmingsplan “Landelijk gebied” van de gemeente A - hierna: de gemeente - is op 13 maart 1998 ter inzage gelegd. Het gedeelte ten zuiden van de B is in het ontwerp-bestemmingsplan ingedeeld in zone IV: “Natuur, reservaatsgebieden (reeds verworven natuurgebied; lage dynamiek)”, het gedeelte ten noorden van de B in zone II: “agrarisch gebied, grondgebonden veehouderij: agrarisch gebied ten behoeve van grondgebonden veehouderij (ruimte voor dit bedrijfstype; redelijke dynamiek)”. In de plankaart is in het perceel van X ten zuiden van de B een bouwvlak, waarin bedrijfsbebouwing is toegestaan, getekend. In het perceel van X ten noorden van de B is geen bouwvlak getekend. Bebouwing is daar dus niet toegestaan.

2.3 Mr. E.W.T.M. van Leeuwen van de Stichting Rechtsbijstand heeft namens de heer en mevrouw X hun zienswijzen over het ontwerp-bestemmingsplan kenbaar gemaakt bij brief van 7 april 1998. De rechtbank citeert uit de brief met zienswijzen de navolgende passages:

“Om planologische redenen echter acht het College het situeren van een bouwvlak aan de andere kant van de weg niet aanvaardbaar. Niet aangegeven wordt waaruit de planologische redenen bestaan. In zoverre lijdt het ontwerp aan een motiveringsgebrek. Aangegeven is tevens dat door situering van een bouwvlak aan de andere kant van de weg een verkeersonveilige situatie zou ontstaan. Dit is echter niet juist. De situatie zal hierdoor juist verbeteren. Het bedrijf wordt nu reeds doorsneden door de weg omdat het grootste deel van de voor de agrarische bedrijfsvoering gebruikte grond aan de andere kant van de weg ligt. Voorts is de grond die aan de andere kant van de weg ligt van betere kwaliteit, waarop een betere kwaliteit gewas kan worden geproduceerd. Voor de bedrijfsvoering heeft deze daarom de voorkeur en wordt ook het meest intensief gebruikt. De heer X moet daarom nu dagelijks met machines en vee vanuit de bedrijfsgebouwen de weg oversteken. Indien aan de andere kant van de weg bedrijfsgebouwen zouden kunnen worden gebouwd zouden machines en vee daar hun plaats kunnen vinden, zodat oversteken niet langer nodig is. Enig verkeer over de weg zal natuurlijk noodzakelijk blijven, maar dat is nu ook al, met name voor het kuilen en bemesten, het geval.

Overigens zij hier opgemerkt dat ook bij handhaving van het in het ontwerp aangegeven bouwvlak het bedrijfsverkeer over de weg zal moeten plaatsvinden. De ruimte die het erf biedt om van links naar rechts en vice versa te gaan op het bedrijf is te beperkt voor machines en vee. De bedrijfsgebouwen liggen namelijk vlak aan de vaart die achter het bedrijf langs loopt. De enige methode zou zijn vee en machines voorlangs over de weg te transporteren. Dit acht Uw College zelf ongewenst.

Opgemerkt zij ook dat de weg rustiger is dan Uw College doet voorkomen. Tegenwoordig gaat alleen nog bestemmingsverkeer over de weg.

Voor cliënten speelt ook een rol dat door situering van het bouwvlak aan de overzijde van de weg, tegenover de bestaande gebouwen, de bedrijfsgebouwen centraler ten opzichte van elkaar liggen. Bij handhaving van het bouwvlak op de plaats van het ontwerp zou een soort lintbebouwing ontstaan, die [noch] bedrijfsmatig noch planologisch optimaal is.

2.4 De raad van de gemeente heeft het bestemmingsplan bij besluit van 14 januari 1999 vastgesteld. De rechtbank citeert uit het vaststellingsbesluit de volgende reactie van de raad op de zienswijze van X:

“Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt het niet wenselijk geacht om het agrarisch bouwvlak aan de noordzijde van de B uit te breiden. Hiermee zou bovendien een verkeersonveilige situatie worden gecreëerd, omdat het erf in dat geval wordt doorsneden door een openbare weg. Het in het voorontwerp aangegeven bouwvlak is goed bruikbaar gelet op de nieuwe richtlijn Veehouderij en Stankhinder. De westelijke begrenzing van het agrarisch bouwvlak ligt bovendien reeds op 50.00 m van de woning B 00.”

2.5 Mr. B. E van A&S heeft namens de heer en mevrouw X bij brief aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland - hierna: GS - bedenkingen geuit tegen het vaststellingsbesluit van de raad van de gemeente van 14 januari 1999. Uit deze brief citeert de rechtbank de navolgende passages:

“De heer en mevrouw X drijven een melkveehouderijbedrijf aan de B te A. Het bedrijf, althans de bedrijfsgebouwen, liggen aan de zuidzijde van de B, op korte afstand van de rijbaan, in de smalle strook tussen de weg en het water van de Nieuwe Vaart.

Het grootste gedeelte van de tot het bedrijf behorende gronden ligt aan de noordzijde van de B. De gronden aan de noordzijde zijn ook economisch het belangrijkst. De gronden ten zuiden van de B behoren tot het zogenaamde Varkensland en kennen gebruiksbeperkingen.

Op de bestemmingsplankaart is het agrarisch bouwvlak van het bedrijf van cliënten aan weerszijden, zowel ten westen als ten oosten van de huidige bedrijfsgebouwen ingetekend. Mijn cliënten hebben daartegen bezwaar. Zij zouden graag zien dat ook de mogelijkheid zou worden geboden om aan de noordzijde van de B in een bebouwingsvlak agrarische bebouwing te realiseren. Daarvoor zijn een aantal redenen.

De ligging van het bouwvlak zoals dat thans is geprojecteerd aan weerszijden van de bedrijfsgebouwen in de smalle strook tussen het water en de weg brengt nogal wat belemmeringen met zich mee. Met name om de mogelijkheden om de bebouwing uit te breiden zijn beperkt. In alle gevallen zullen transportbewegingen van de ene zijde [van] het erf naar de ander zijde via de openbare weg moeten verlopen. Op het erf zelf is daarvoor tussen de gebouwen en het water van de vaart onvoldoende ruimte. Daar speelt ook mee dat de bodemgesteldheid de aanleg van een kavelpad vlak langs de vaart niet toelaat. Met name wanneer een kavelpad door zware voertuigen wordt gebruikt zal zo’n pad binnen de kortste keren verzakken. In de situatie zoals die thans is geprojecteerd dient voor interne transporten van de ene kant van het erf naar de andere kant noodgedwongen steeds gebruik te worden gemaakt van de openbare weg. Met het oog op een efficiënte bedrijfsvoering, maar ook met het oog op de verkeersveiligheid, is dat een ongewenste situatie.

Omdat het grootste deel van de bij het bedrijf behorende gronden aan de noordzijde van de B ligt en de stal waarin het melkvee gemolken wordt aan de zuidzijde van de B ligt dient het melkvee in het weideseizoen vier keer per dag de B over te steken. Met het oog op de toename van het verkeer op de B, zoals met name ook het gemeentebestuur die verwacht, is dat naar de mening van mijn cliënten een ongewenste situatie.

Met het oog op deze situatie zouden mijn cliënten graag zien dat het bouwvlak wordt gewijzigd, zodanig dat een deel van het bouwvlak, zij denken zelf aan een deel met een oppervlakte van ongeveer 4.000 m2 dat nu aan de westzijde van de gebouwen is geprojecteerd, aan de noordzijde van de B wordt ingetekend.

De mogelijkheid om aan de noordzijde van de B over een kavel waarop een melkstal gebouwd kan worden te beschikken is ook voor de bedrijfsontwikkeling van groot belang. In het melkrundveehouderijbedrijf van cliënten zal naar verwachting over enkele jaren de zogenaamde melkrobot zijn intrede doen.

Met de komst van de melkrobot kunnen de koeien zich in feite op ieder moment van de dag of nacht laten melken. Praktisch gesproken zal dat betekenen dat melkvee alleen nog kan worden gehouden op kavels van waaruit het vee rechtstreeks naar de stal met de melkrobot kan gaan. Dat betekent feitelijk dat het bouwvlak zoals dat nu is geprojecteerd de invoering van de melkrobot in het bedrijf en daarmee ook de ontwikkeling van het bedrijf wordt belet.

(...)

Verder zal, anders dan de Raad stelt, van een aantasting van de landschappelijke openheid geen sprake zijn. Wanneer de beide bouwpercelen aan weerzijden van de B worden gekoppeld ontstaat er een cluster gebouwen dat op de openheid van het gebied minder zal ingrijpen dan een eventuele uitbreiding van de bebouwing aan weerszijden van de thans aanwezige bebouwing. Bovendien is er nu al geen sprake van echte openheid van het landschap door de bebouwing die ten oosten van de boerderij van cliënten aan de noordzijde van de B ligt.

Bij de beslissing met betrekking tot het bestemmingsplan is de Raad van de gemeente Waterland er bovendien ten onrechte vanuit gegaan dat mijn cliënten een vergroting van het bouwvlak zouden willen. Vergroting ten opzichte van het in het bestemmingsplan geprojecteerde bouwvlak is niet noodzakelijk. Wanneer aan de overzijde van de B een bouwvlak wordt gerealiseerd kan een daarmee corresponderend deel van het geprojecteerde bouwvlak vervallen. Per saldo hoeft het bouwvlak dan ook niet groter te worden dan het bouwvlak dat nu in het bestemmingsplan is opgenomen.

Mijn cliënten menen dat met hun belangen, met name met het belang om goede ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijf te behouden bij de vaststelling van het bestemmingsplan door de Raad van de gemeente Waterland onvoldoende rekening is gehouden.”

2.6 GS hebben bij besluit van 25 augustus 1999, verzonden op 1 september 1999, goedkeuring gehecht aan het bestemmingsplan, behoudens enkele voor deze procedure niet terzake doende uitzonderingen. GS hebben de bedenkingen van X ongegrond verklaard. Zij hebben daarover als volgt overwogen:

“Reactie van burgemeester en wethouders

Verkeersveiligheid

Gelet op het intensiever agrarisch gebruik van het landelijk gebied en het steeds intensiever worden recreatief medegebruik hiervan zal de B naar verwachting onderhevig zijn aan een verder groeiende verkeersintensiteit.

Gelet op het zeer smalle wegprofiel is de verkeersveiligheid op deze weg erg kwetsbaar. Doorsnijding van een agrarisch erf betekent het creëren van extra conflictsituaties tussen regulier verkeer op de B en de agrarische verkeersbewegingen op het gesplitste erf ter plekke. Dit zal ten koste gaan van de verkeersveiligheid. Op het agrarische bouwvlak is bovendien voldoende ruimte aanwezig om over het erf vee en machines te transporteren.

Aantasting landschappelijke openheid

Uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening wordt het niet wenselijk geacht om het agrarisch bouwvlak aan de noordzijde van de B uit te breiden. Handhaving van de openheid van het veenweidegebied wordt in het bestemmingsplan als belangrijk beleidsuitgangspunt aangemerkt. Het creëren van een bebouwingsmogelijkheid tussen de B en D-dijkje betekent ter plekke een directe inbreuk op dit uitgangspunt aangezien er aan deze zijde vanaf de bebouwing van B 22 in westelijke richting geen bebouwingscluster meer voorkomt. Gelet op de in het bestemmingsplan opgenomen omvang van het agrarisch bouwperceel en de bijbehorende uitbreidingsruimte ontbreekt de noodzaak om het agrarisch bouwperceel verder te vergroten, dit afgezet tegen de bovengenoemde argumenten welke voortvloeien uit het in het bestemmingsplan vervatte beleid wordt verplaatsing van het bouwperceel naar de overzijde van de B niet wenselijk geacht.

Overwegingen van ons college met betrekking tot de ingebrachte bedenkingen

Wij kunnen ons vinden in het gemeentelijk commentaar op de ingebrachte bedenkingen. Aanvullend merken wij op dat handhaving van de openheid van het veenweidegebied in overeenstemming is met het provinciaal beleid. Wij hebben vastgesteld dat tussen B en D-dijkje, vanaf de bebouwing van B 0 in westelijke richting, momenteel geen bebouwingscluster aanwezig is en dat de openheid hier nog volledig in tact is. Wij onderschrijven dan ook het gemeentelijk standpunt dat zij verplaatsing van het bouwperceel naar de overzijde (en dus het open gebied) niet wenselijk acht. Gezien de omvang van het agrarisch bouwperceel en de uitbreidingsruimte binnen het onderhavige bestemmingsplan is er naar ons oordeel geen directe noodzaak om een deel van het agrarische bouwblok naar de overzijde te verhuizen en daarmee het huidige open karakter van het gebied ernstig aan te tasten.

De ingebrachte bedenkingen leiden naar onze mening dan ook niet tot het onthouden van goedkeuring.”

2.7 E heeft X bij brief van 2 september 1999 geïnformeerd over het goedkeuringsbesluit van GS. De rechtbank citeert uit de brief de navolgende passages:

“In hoeverre het zinvol is om tegen het goedkeuringsbesluit in beroep te gaan is wat mij betreft maar zeer de vraag. Er zal een afweging moeten plaatsvinden tussen uw bedrijfsbelangen, met name gezien de toekomstige ontwikkelingen, en de landschappelijke waarden.

De kans is groot dat ook de Raad van State oordeelt dat u zich tot de huidige huiskavel zult moeten beperken en dat de aantasting van het open gebied moet worden voorkomen.

Wanneer u toch de zaak aan de Raad van State voorgelegd wilt zien zou ik, om de kosten zoveel mogelijk te beperken, u in overweging geven wel beroep in te stellen maar de verdere behandeling daarvan afhankelijk te maken van de inhoud van het advies, dat door de deskundigen van het Bureau Adviseur ten behoeve van de Raad van State wordt opgesteld. Dit advies, voorheen altijd aangeduid als ambtsbericht, wordt in de meest gevallen door de Raad van State opgevolgd. Wanneer het advies negatief zal is zal u altijd nog kunnen besluiten om de zitting bij de Raad van State niet bij te wonen en de uitspraak maar af te wachten.

Op dit punt moeten wij maar even overleggen.”

2.8 E is namens de heer en mevrouw X bij brief van 25 november 1999 bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State - hierna: AbRS - in beroep gekomen van het goedkeuringsbesluit van GS. Voor de motivering verwees hij naar de zienswijzen en de bedenkingen die namens de heer en mevrouw X waren ingediend. Tevens vroeg hij een termijn voor een aanvullende motivering.

2.9 E heeft bij brief van 13 juli 2000 de gronden van het beroep verder aangevuld. Na een uiteenzetting van de reeds eerder geformuleerde bedenkingen heeft E de navolgende reactie gegeven op de beslissing van GS:

“Dat er op het agrarisch bouwperceel, zoals dat thans in het bestemmingsplan is opgenomen, voldoende uitbreidingsruimte voor bebouwing aanwezig is, wordt door mijn cliënten niet bestreden. Deze ruimte is praktisch echter nauwelijks bruikbaar, omdat deze aan de zuidzijde van de B aan weerszijden van de bestaande gebouwen is gesitueerd, terwijl er juist behoefte is aan bebouwingsmogelijkheden aan de overzijde van de B en de interne ontsluiting van de oostzijde naar de westzijde van het bouwperceel zonder meer slecht is.

Wat betreft de openheid van het gebied kan worden gesteld, dat het toestaan van bebouwing aan de noordzijde van de B in de door mijn cliënten gewenste vorm, een bouwvlak van ongeveer 4.000 m2, ter vervanging van het thans aan de westzijde van de bedrijfsgebouwen ingetekende bebouwingsvlak, geen invloed zal hebben op de openheid van het gebied. Voor zover er ten noorden van de B bebouwing zou worden gerealiseerd, sluit deze immers aan bij de overige lintbebouwing langs de B en vormt deze bovendien visueel één cluster met de bedrijfsgebouwen aan de zuidzijde van de B.

Wat betreft het verkeersveiligheidsaspect verliezen Gedeputeerde Staten uit het oog, dat bij de huidige bedrijfsvoering, waarbij het accent van de bedrijfsvoering aan de noordzijde van de B ligt en de bedrijfsgebouwen aan de zuidzijde, de verkeersveiligheid zeer zeker niet is gediend.

Bovendien is van belang dat de interne ontsluitingsmogelijkheden op de smalle huiskavel dermate beperkt zijn dat ook in de huidige situatie voor de interne ontsluiting over het algemeen gebruik gemaakt wordt van de openbare weg.

(...)

Daarbij wijs ik er ook op, dat in het kader van het project Waardevol Cultuurlandschap (WCL) Waterland aanzienlijke subsidies zijn verstrekt om het voortbestaan van levensvatbare agrarische bedrijven te stimuleren. Daaruit kan worden afgeleid dat het scheppen van voorwaarden waaronder agrarische bedrijven zich kunnen handhaven door gemeente en provincie wordt gezien als een middel om het cultuurlandschap ter plaatse te behouden. Dat betekent, dat een beslissing met betrekking tot een bestemmingsplan, waarin de bedrijfsontwikkeling en het voortbestaan van een bedrijf op langere termijn wordt belemmerd, in strijd is met dit beleid en ook in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.”

2.10 De AbRS heeft de heer en mevrouw X bij uitspraak van 14 juni 2001 niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep in verband met het feit dat het beroepschrift na het sluiten van de beroepstermijn is ontvangen (nr. 199902691/8). De AbRS heeft het daartegen ingediende verzet ongegrond geoordeeld bij uitspraak van 20 september 2001 (nr. 199902691/10).

3 Het geschil

3.1 X vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank in een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis A&S veroordeelt tot betaling van € 393.634,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 1999, met de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van het geding.

3.2 X stelt dat E toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht die hij met E had gesloten, doordat E te laat beroep heeft ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van GS. Hij vordert in deze procedure de schade die hij volgens hem dientengevolge heeft geleden. De schade bestaat uit de winst die hij heeft gederfd doordat hij de nieuwbouwplannen die hij bij gegrondbevinding van het beroep had kunnen realiseren, niet kan uitvoeren. X is de mening toegedaan dat de AbRS het beroep gegrond had verklaard, omdat de gemeenteraad en GS niet gemotiveerd zijn ingegaan op zijn stellingen. Daarnaast vordert X terugbetaling van het aan E betaalde honorarium en kosten van vaststelling van de schade.

3.3 A&S voert gemotiveerd verweer.

4 De beoordeling

4.1 A&S stelt - door X niet betwist - dat de overeenkomst van opdracht is gesloten tussen haar en X. A&S betwist niet dat E, die als advocaat werkzaam is bij A&S en die de overeenkomst van opdracht feitelijk heeft uitgevoerd, een beroepsfout heeft gepleegd door het beroepschrift tegen het goedkeuringsbesluit van GS te laat bij de AbRS in te dienen.

4.2 A&S stelt in de kern genomen dat zij niet is gehouden tot vergoeding van enige schade aan X, omdat er geen causaal verband is tussen de beroepsfout van E en de door X gestelde schade. Zij stelt dat de AbRS het beroep van de heer en mevrouw X ongegrond zou hebben verklaard. De heer en mevrouw X hadden daarom hun nieuwbouwplannen ook bij een tijdig ingediend beroepschrift niet kunnen uitvoeren. De rechtbank dient in deze procedure volgens A&S na te gaan hoe de AbRS had behoren te beslissen.

4.3 X stelt in de kern genomen dat het beroep van X kansrijk was. Hij stelt dat hem door de beroepsfout van E de kans op een succesvol beroep bij de AbRS is ontnomen. Dit verlies van een kans komt voor risico van A&S. De rechtbank heeft de taak de schade aan de hand van de goede en kwade kansen van de niet gevoerde procedure voor de AbRS te schatten.

4.4 De rechtbank overweegt dat in de bestemmingsplanprocedure is gesteld dat de heer en mevrouw X het melkveehouderijbedrijf uitoefenden. In deze procedure heeft X onbetwist gesteld dat hij het melkveehouderijbedrijf uitoefent. De rechtbank zal van dat laatste uitgaan. Zij zal in het vervolg ook de heer en mevrouw X kortheidshalve aanduiden met X.

4.5 De rechtbank overweegt voorts dat beide partijen voor hun stelling over het causale verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade een beroep doen op dezelfde, hierna geciteerde passage uit het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1997, NJ 1998, 257:

“Het gaat in een geding als het onderhavige om de vraag of, en zo ja in welke mate, de cliënt van een advocaat schade heeft geleden als gevolg van het feit dat deze laatste heeft verzuimd hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waarbij die cliënt in het ongelijk was gesteld.

Voor het antwoord op deze vraag moet in beginsel worden beoordeeld hoe de appelrechter had behoren te beslissen, althans moet het te dier zake toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de appellant in hoger beroep, zo dit ware ingesteld, zou hebben gehad.”

4.6 De rechtbank leidt uit deze formulering af dat eerst moeten worden beoordeeld, hoe de appelrechter - of in dit geval de AbRS als bestuursrechter in eerste en laatste instantie - op het beroep had behoren te beslissen. Laat zich dat om de een of andere reden niet goed vaststellen, dan dient de rechter het bedrag te schatten aan de hand van de goede en kwade kansen die de appellant in beroep zou hebben gehad.

4.7 De rechtbank zal daarom eerst nagaan of zich laat vaststellen hoe de AbRS had behoren te beslissen.

4.8 Het gaat hier om de vaststelling door de raad en de goedkeuring door GS van een bestemmingsplan. Beide bestuursorganen dienen zich daarbij te laten leiden door hetgeen een goede ruimtelijke ordening meebrengt (artikel 10 Wet op de ruimtelijke ordening, hierna: WRO). GS passen in hun hoedanigheid van toezichthoudend bestuursorgaan bij hun toetsing van het door de raad goedgekeurde bestemmingsplan een doel- en een rechtmatigheidstoetsing toe: zij kunnen daarbij hun eigen visie over wat een goede ruimtelijke ordening meebrengt, laten prevaleren boven die van de raad. Voor GS zijn de maatstaven vastgelegd in artikel 28 lid 2 WRO (“De goedkeuring kan worden onthouden, indien de ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven dan wel wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.”) en artikel 10:27 Algemene wet bestuursrecht (“De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of op een grond, neergelegd in de wet waarin of krachtens welke goedkeuring is voorgeschreven.”).

4.9 De toetsing door de AbRS is die van een rechter en beperkt zich daarom tot de rechtmatigheid van het goedkeuringsbesluit. De AbRS overweegt thans vrijwel standaard in beroepsprocedures naar aanleiding van een goedkeuringsbesluit van een bestemmingsplan als volgt:

“De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.”

4.10 De rechtbank zal het door E namens X ingediende beroepschrift aan de hand van dit criterium beoordelen. In de kern genomen zijn de grieven van X dat (1) GS onvoldoende rekening hebben gehouden met de ongewenste huidige verkeerssituatie die meebrengt dat X reeds nu van de openbare weg gebruik moet maken om van de ene kant van zijn aan de zuidzijde gelegen perceel naar de andere kant van hetzelfde perceelsgedeelte te komen, (2) GS onvoldoende hebben meegewogen dat verplaatsing van de veestal naar het noordelijke gedeelte van het perceel onontbeerlijk is voor een gezonde bedrijfsuitoefening door X in de toekomst, en (3) de verplaatsing van het bouwvlak naar het noordelijke gedeelte van het perceel geen invloed heeft op de openheid van het gebied, omdat er aan de noordzijde van de B in oostelijke richting lintbebouwing aanwezig is.

4.11 In essentie komen de klachten erop neer dat GS ten onrechte het planologische belang van een open gebied zonder bebouwingscluster tussen de B en het D-sdijkje, ten westen van B 00, hebben laten prevaleren boven het bedrijfsbelang van X bij een bebouwingsmogelijkheid ten noorden van de B, en ook dat GS hun standpunt ter zake van de verkeersveiligheid onvoldoende zouden hebben gemotiveerd.

4.12 Naar het oordeel van de rechtbank is de afweging tussen behoud van het open gebied ter plaatse en het bedrijfsbelang van X voorbehouden aan (de raad en) GS en beoordeelt de AbRS slechts of GS binnen de voor hen geldende beoordelingsmarges zijn gebleven. De rechtbank overweegt dat de AbRS in dit geval zou hebben geoordeeld dat GS binnen hun beoordelingsmarges zijn gebleven en dat zij daarom de planologische afweging van GS niet zou hebben aangetast. De rechtbank werkt dit als volgt uit.

4.13 In de toelichting op het bestemmingsplan wordt op verschillende plaatsen het grote belang van de openheid van het veenweidegebied onderstreept, ook voor zover het veenweidegebieden in zone II betreft, het gebied waarom het in deze zaak gaat:

“(p. 44) Kenmerkend voor het gehele plangebied ook als onderdeel van het totale Hollands-Utrechtse veenweidegebied is de grote mate van openheid. Dit is een belangrijke kwaliteit die in ieder geval behouden dient te blijven. Daarnaast geldt het volgende:

- Vanuit de bebouwingslinten zijn de achterliggende open polders zichtbaar. Behoud van deze zichtlijnen is van groot belang aangezien de beleving van het landschap in belangrijke mate vanaf de wegen plaatsvindt. Door toekomstige bebouwings- en beplantingselementen te situeren achter (en niet naast) de bestaande bebouwing kan hier rekening mee worden gehouden

(...)

(p. 69) Zone II: Agrarisch gebied, grondgebonden veehouderij

Grote delen van het veenweidegebied hebben deze aanduiding gekregen. De grondgebonden veehouderij is hier productietak bij uitstek die wezenlijk bijdraagt aan behoud en herstel van de kenmerkende natuur- en landschapswaarden (waaronder begrepen de openheid van het gebied).”

4.14 De afweging van GS, waarin het belang bij handhaving van het opengebied prevaleerde, was daarom consistent met de aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende uitgangspunten. Daarnaast hebben GS overwogen dat het bedrijfsbelang van X voldoende was gediend met de uitbreiding van het bouwvlak ten opzichte van het oude bestemmingsplan op het perceel ten zuiden van de B. GS oordeelden ten slotte kennelijk anders dan X dat het wel mogelijk was op het perceel ten zuiden van de B zich met landbouwmachines te verplaatsen zonder dat het nodig was gebruik te maken van de openbare weg. X heeft zijn stelling, dat zulks zonder gebruikmaking van de openbare weg niet mogelijk zou zijn, in de zienswijze, de bedenkingen en het beroepschrift slechts in algemene termen bestreden en zijn stellingen op dit punt nauwelijks concreet uitgewerkt. GS konden daarom van oordeel zijn dat het vanuit het perspectief van de verkeersveiligheid ongewenst was, als de bedrijfsgebouwen van X gedeeltelijk ten zuiden van de B en gedeeltelijk ten noorden van de B zouden worden gebouwd.

4.15 Het beroep van X zou daarom ongegrond zijn verklaard. X heeft in dit verband gesteld dat E X dan had moeten adviseren te berusten in het goedkeuringsbesluit van GS. E heeft naar het oordeel van de rechtbank de kansen in beroep in zijn advies van 2 september 1999 als gering getaxeerd. Hij heeft aanbevolen de beslissing al of niet in beroep te gaan in een nadere bespreking te nemen. Ten slotte heeft hij een strategie uitgestippeld die zou meebrengen dat de procedure in beroep X niet veel zou kosten, als X zou besluiten in beroep te komen. In zoverre heeft E (A&S) zich niet inconsistent opgesteld door destijds een beroep niet expliciet af te raden en thans zich op het standpunt te stellen dat het beroep zou zijn verworpen.

4.16 Omdat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het beroep zou zijn verworpen, komt de rechtbank niet toe aan een schatting van de schade aan de hand van de goede en kwade kansen die X in beroep zou hebben gehad.

4.17 Omdat het beroep zou zijn verworpen, is er geen causaal verband tussen de beroepsfout van E en de door X gestelde bedrijfsschade. De hierop betrekking hebbende vordering van X zal daarom worden afgewezen. Dit betekent ook dat de kosten van WLTO Advies, die de omvang van de door X gestelde bedrijfsschade heeft berekend, niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.18 Ten slotte vordert X restitutie van de declaraties die hij aan E heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat het door X betaalde honorarium voor de werkzaamheden van E voor de beroepsfase bij de AbRS door X als aanvullende schadevergoeding kan worden teruggevorderd. X heeft niet gesteld en het is ook niet gebleken dat de advisering van E met betrekking tot de procedure bij GS, inclusief het advies over het beroep bij de AbRS, onjuist zou zijn geweest. De voor deze advisering betaalde declaraties kunnen daarom niet als schadevergoeding worden teruggevorderd.

4.19 De declaraties die voor terugvordering in aanmerking komen, zijn de declaraties van 10 november 1999 van ƒ 181,98 (telefoongesprek op 12 oktober 1999), 13 maart 2000 van ƒ 225,- (griffierecht AbRS) en van 25 juli 2000 van ƒ 947,93 (aanvullend beroepschrift). X heeft een afrekeningoverzicht overgelegd, waaruit blijkt dat hij het griffierecht van ƒ 225,- heeft vergoed aan A&S. Dit bedrag zal A&S daarom moeten restitueren. A&S heeft in het algemeen betwist dat X de declaraties heeft betaald. Ofschoon X een aantal afrekeningoverzichten in het geding heeft gebracht, kan daaruit niet worden opgemaakt of de twee andere declaraties zijn betaald. X zal daarom in de gelegenheid worden gesteld bij akte schriftelijk bewijs bij te brengen, waaruit blijkt dat hij de declaraties van 10 november 1999 van ƒ 181,98 en 25 juli 2000 van

ƒ 947,93 heeft betaald.

4.20 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

1. verwijst de zaak naar de rol van 5 mei 2004 voor akte aan de zijde van X voor het leveren van het bewijs dat hij de declaraties van 10 november 1999 van ƒ 181,98 en 25 juli 2000 van ƒ 947,93 heeft betaald,

2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 7 april 2004.

de griffier de rechter