Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP1362

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-03-2004
Datum publicatie
11-06-2004
Zaaknummer
108639
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

X heeft niet de op grond van artikel 7:658a lid 2 BW op hem rustende verplichting geschonden om mee te werken aan het door DB opstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a lid 2 WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 108639 / KG ZA 04-32

Datum vonnis: 23 maart 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

de besloten vennootschap

DOBBELSTEIJN BISSCHOPS C.S. B.V.,

gevestigd te Ingen, gemeente Buren,

eiseres,

procureur mr. W.J.M. van Ophuizen,

tegen

X,

wonende te A,

gedaagde,

procureur mr. drs. N. van den Berg.

Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De procureur van eiser en de procureur van gedaagde hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij heeft laatstgenoemde producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. Gedaagde (hierna X te noemen) is op 6 maart 2002 als juridisch medewerker in dienst getreden bij eiseres (hierna DB te noemen). Vanwege een beëindiging van haar bedrijfsactiviteiten heeft DB de dienstbetrekking met X tegen 22 februari 2004 opgezegd.

2. Nadat X zich op 5 augustus 2003 ziek had gemeld is hij door de bedrijfsarts per 19 augustus 2003 volledig arbeidsongschikt verklaard. Die arbeidsongeschiktheid heeft in ieder geval tot 22 februari 2004 voortgeduurd.

3. Tussen de partijen is een geschil ontstaan over de hoogte van het aan X tijdens zijn ziekte door te betalen salaris. Bij vonnis in kort geding van 5 november 2003 heeft de kantonrechter te Tiel daarover geoordeeld dat uit de tekst van de tussen partijen gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst niet volgt dat X slechts recht heeft op 70% van zijn salaris en is DB veroordeeld om gedurende de arbeidsgeschiktheid van X aan hem het volledige salaris door te betalen zulks tot aan de dag dat de dienstbetrekking tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

4. De mondelinge behandeling van de in voormeld kort geding door X gevorderde voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2003.

5. Bij brief van 20 oktober 2003 heeft DB met ingang van 15 oktober 2003 de salarisbetaling aan X stopgezet op grond van artikel

7:629 lid 3 onder d BW omdat hij volgens DB weigert eraan mee te werken samen met haar een plan van aanpak betreffende herstel en reïntegratie op te stellen als bedoeld in artikel 7:658a lid 2 BW.

Voorafgaand aan 20 oktober 2003 had DB er herhaaldelijk bij X op aangedrongen contact met haar te leggen en een afspraak te maken voor het opstellen van een plan van aanpak. Daarover zijn tussen de partijen ook enkele e-mails gewisseld. X heeft o.a. gemaild:

(10 oktober 2003 )

Ik ben wel degelijk bereid mee te werken aan het opstellen van een plan van aanpak. U kunt het plan van aanpak aan mij toezenden, waarna ik dit plan van aanpak na overleg met mr. S. de Lange aan u zal retourneren.

(15 oktober 2003)

Zoals ik u al heb bericht ben ik wel degelijk bereid mee te werken aan het opstellen van een plan van aanpak. Echter, op dit moment voel ik mij hiertoe nog niet goed genoeg. Ik ben gezien de huidige omstandigheden nog te ziek om de confrontatie aan te gaan. Ik zit onder de medicijnen en moet stresssituaties voorkomen. Zoals u inmiddels al weet heb ik om die reden ook mijn geplande vakantie in november geannuleerd. In uw e-mail van 5 september 2003 heeft u mij de mogelijkheid geboden te herstellen. Wanneer ik 'zover was’ zou ik contact met u opnemen. Ik begrijp dat u enigszins haast heeft, maar ik doe mijn best beter te worden. Ik hoop en verwacht dan ook dat u mij deze kans geeft. U heeft nog steeds de mogelijkheid het plan van aanpak aan mij toe te zenden, waarna ik het aan u zal retourneren

6. De bedrijfsarts van Maetis arbo Arnhem heeft bij brief van 7 november 2003 aan DB een ‘Eerste Probleemanalyse’ gezonden en o.a. geschreven over X:

De arbeidsongeschiktheid wordt niet veroorzaakt door medische redenen, maar is gelegen in de arbeidssituatie. Ik raad u aan hier een zodanige verandering in aan te brengen, dat betrokkene weer aan het arbeidsproces kan gaan deelnemen. Voor verdere bijzonderheden aangaande het reïntegratieproces verwijs ik naar de Probleemanalyse, die voor u en uw medewerker als basis zal moeten dienen voor het maken van het Plan van Aanpak.

7. Nadat de gemachtigde van X DB tot betaling had gesommeerd heeft DB bij brief van 12 november 2003 daarop geantwoord dat zij alleen de tot 10 oktober 2003 verschuldigde betalingen zou verrichten. Als reden daarvoor heeft DB opgegeven:

Dit gezien het feit dat wij van Maetis arbo 10 november j.l. de probleemanalyse betreffende uw cliënt hebben mogen ontvangen. Hierin staat tot onze grote verbazing dat cliënt theoretisch weer geschikt is voor zijn eigen werk. Echter de arbeidssituatie, te weten het arbeidsconflict, belemmert hem. Cliënt heeft echter zijn eigen arbeidsconflict geschapen middels allerlei vage klachten en ziektebeelden, die ook weer plotsklaps konden veranderen op momenten dat het uw cliënt zo uitkwam. Daar komt nog bij dat wij van uw cliënt persoonlijk, noch via u, op de hoogte zijn gesteld van zijn volledige arbeidsgeschiktheid. Hij heeft dus nagelaten te melden dat hij de bedongen arbeid weer kan verrichten.

8. Ter executie van het onder 3 genoemde vonnis heeft X beslag doen leggen op de bankrekening(en) van DB.

Het geschil

9. DB vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het X is verboden verdere uitvoering te geven aan het gelegde executoriaal beslag alsmede de veroordeling van X om aan DB terug te betalen hetgeen zij als gevolg van de reeds getroffen eexecutiemaatregelen onverschuldigd aan X heeft betaald vanaf 5 november 2003. Ten slotte vordert DB dat X wordt veroordeeld in de proceskosten.

10. DB legt, kort samengevat, aan haar vorderingen ten grondslag dat het beslag onrechtmatig is omdat X daartoe het kort geding vonnis van 5 november 2003 op oneigenlijke gronden aanwendt. In dat vonnis is slechts een oordeel uitgesproken over de ter discussie gestelde aanvulling van 70 tot 100 % van het salaris. Er is niet geoordeeld over de door DB betwiste aanspraak op salaris c.q. het opschorten van de aanspraak daarop vanwege de gronden vermeld in de brieven van 20 oktober 2003 en 12 november 2003. Volgens DB was X per 10 november 2003 niet langer arbeidsongeschikt en heeft zij voordien vanwege het niet meewerken van de zijde van X aan een plan van aanpak de salarisbetalingen mogen opschorten. Het had op de weg van X gelegen om bij het UWV een second opinion aan te vragen en een loonvorderingsprocedure in te stellen.

11. X voert gemotiveerd verweer tegen het gevorderde, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

12. De kern van het geschil betreft de vraag of X zijn verplichtingen is nagekomen met betrekking tot reïntegratie. In het door de kantonrechter te Tiel op 5 november 2003 gewezen vonnis in kort geding staat daarover niets. Het is voorshands niet aannemelijk dat daarover wel tussen de partijen in dat eerdere kort geding is gedebatteerd en dat het aldus onderwerp van het geschil is gemaakt waarover de kantonrechter (in voor X gunstige zin) heeft beslist. Chronologisch zou dat ook niet goed te verklaren zijn. De mondelinge behandeling van de door X gevorderde voorlopige voorziening vond immers plaats op 17 oktober 2003 en pas daarna, met haar brief van 20 november 2003, heeft DB de salarisbetalingen opgeschort. Aantekeningen van de griffier waaruit voldoende zeker van het tegendeel blijkt zijn door X niet in het geding gebracht. Dat betekent dat het primaire verweer van X, dat uitgaat van de bindende kracht van het kort geding vonnis van 3 november 2003, faalt nog daargelaten dat nadien omstandigheden kunnen zijn opgekomen die in de weg staan aan de (verdere) aanspraak op salarisdoorbetaling.

13. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft X niet de op grond van artikel 7:658a lid 2 BW op hem rustende verplichting geschonden om mee te werken aan het door DB opstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a lid 2 WAO. Anders dan DB meent vergde die medewerking niet dat X zich bij haar moest melden om een gesprek te voeren over de inhoud van het plan van aanpak. Net zo min als voor zo’n plan vormvoorschriften gelden kunnen er strikte eisen worden gesteld over de wijze waarop de werkgever en de werknemer daarover met elkaar overleg voeren en onderhandelen. Het gaat er ‘slechts’ om dát schriftelijke afspraken worden gemaakt die als handvat kunnen dienen bij de evaluatie en de voortgang van de verdere reïntegratie-activiteiten.

Aan DB kan wel worden toegegeven dat dit een en ander doorgaans in persoonlijke gesprekken tussen de werkgever en de werknemer wordt voorbereid, zodat begrijpelijk is dat zij aanvankelijk deze weg heeft willen bewandelen met X. Toen deze echter aangaf voorstellen over de inhoud van het plan van aanpak in samenspraak met zijn gemachtigde op een zekere afstand te willen beoordelen, had DB af moeten stappen van haar wens om (in dat stadium) per sé een persoonlijk gesprek met X te voeren. Door daarop wel te blijven aandringen heeft DB eerder de verdenking op zich geladen te zoeken naar de spreekwoordelijke stok om de hond te slaan dan dat zij constructief poogde een bijdrage te leveren aan oplossing van het met X gerezen arbeidsconflict. Daarvoor was meer nodig, zo staat ook in het oordeel van de bedrijfsarts van 7 november 2003 en de probleemanalyse waarop dat oordeel was gebaseerd. Het laat zich eenvoudig raden dat de bedrijfsarts daarbij een vorm van conflictbemiddeling, bijvoorbeeld door een mediator, in gedachten had. Als X in dat kader geweigerd zou hebben een gesprek aan te gaan zou hij in zoverre niet hebben voldaan aan zijn reïntegratieverplichting. Op 20 oktober 2003, toen DB besloot de salarisbetalingen op te schorten op grond van artikel 7:629 lid 3 onder e, was daarvan in elk geval geen sprake.

14. Ten overvloede wordt nog het volgende opgemerkt. In de systematiek van de WAO (zie daarvoor de Regeling procesgang eerste ziektejaar, Besluit van de Staatsecretaris van SZW van 25 maart 2002, Stcrt. 2002, 60) kon op 20 oktober 2003 nog geen sprake zijn van een plan van aanpak. Dat plan komt in beginsel eerst aan de orde indien uit het oordeel van de arbodienst blijkt dat er nog mogelijkheden zijn om de terugkeer naar arbeid van de werknemer te bevorderen. Daarover heeft Maetis arbo Arnhem zich in het geval van X pas op 7 november 2003 uitgelaten. Gerekend vanaf dat moment had binnen twee weken door DB een plan van aanpak moeten worden opgesteld. Niet is gesteld of gebleken dat DB in die betreffende periode daarover voorstellen aan X heeft gedaan. Integendeel. DB heeft gemeend in het oordeel van de bedrijfsarts te moeten lezen dat hij niet (meer) arbeidsongeschikt was. Dat staat er echter niet. Er staat in dat de arbeidsongeschiktheid van X situatief van aard was.

15. DB heeft nog aan de orde gesteld dat zij in het kader van de executie teveel heeft betaald. Of dat zo is kan, nu X het gemotiveerd heeft betwist, niet zonder nader onderzoek worden uitgemaakt. Het kort geding leent zich daar niet voor.

16. Al het hiervóór overwogene leidt tot de slotsom dat de gevraagde voorzieningen niet gegeven zullen worden. Bij deze uitkomst dient DB in de kosten van de procedure te worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevorderde voorzieningen,

veroordeelt DB in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van X bepaald op € 241,00 voor griffierecht en op € 703,00 voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S.M. Daamen uitgesproken op 23 maart 2004.