Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP1329

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
05/096052
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdenking ter zake van opzettelijke brandstichting op 25 mei 2002 in het Asielzoekerscentrum te Duiven (art 157 aanhef en sub 1 en 2 Sr). Verdachte is op 29 april 2003 Nederland uitgezet naar Turkije.

Door de aan het OM toe te rekenen omstandigheid, dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de uitzetting, is aan verdachte de mogelijkheid ontnomen om ter terechtzitting aanwezig te zijn, terwijl niet is gebleken dat verdachte niet aanwezig had willen zijn. Verder is aan zijn raadsman de mogelijkheid ontnomen om in overleg met verdachte de verdediging (behoorlijk) voor te bereiden. Hierdoor is schending van artikel 6 EVRM, met name van de in het derde lid sub b en c van dat artikel geformuleerde beginselen. Nu deze schending niet binnen redelijke termijn hersteld zal kunnen worden kan geen andere sanctie volgen dan niet-ontvankelijk van het OM.

Verwijzing naar onderdeel A4, artikel 3.1 aanhef en onder 3 van de Vreemdelingencirculaire en het arrest van het Gerechtshof Arnhem d.d. 17 december 2003, LJN: AO3063

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/096052-02

Datum zitting : 22 oktober 2002, 14 januari 2003, 15 april 2003, 27 mei 2003,

13 januari 2004 en 11 mei 2004

Datum uitspraak : 11 mei 2004

VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in [adres].

Raadsman: mr. P.R. Rombouts, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 25 mei 2002 te Duiven, in de woonkamer van woonunit 3.7, welke woonunit deel uitmaakt van een gebouw met meerdere woonunits op het terrein van het Asielzoekerscentrum aldaar, opzettelijk brand heeft gesticht, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een (bed)matras en/of een deken en/of een laken en/of een (hoofd)kussen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat (bed)matras en/of die deken en/of dat laken en/of dat (hoofd)kussen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woonkamer en/of die woonunit en/of dat gebouw met meerdere woonunits, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de (mede)bewoners van die woonunit en/of de bewoners van dat gebouw met meerdere woonunits, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 11 mei 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet versche-nen. Wel is ter terechtzitting aanwezig mr. P.R. Rombouts, advocaat te Amsterdam, die wederom verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd door verdachte om namens hem het woord te voeren.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, omdat de behandeling van de zaak tegen verdachte reeds 2 jaar in beslag heeft genomen en door aan het openbaar ministerie toe te rekenen omstandigheden aan de verdachte de mogelijkheid is ontnomen om heden ter terechtzitting aanwezig te zijn. Voorts is de raadsman de mogelijkheid ontnomen om in overleg met verdachte de verdediging voor te bereiden, waardoor de raadsman in die verdediging aanzien wordt belemmerd. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte in april 2003 is uitgezet naar Turkije, terwijl bekent was dat er een strafzaak tegen de verdachte aanhangig was gemaakt en het openbaar ministerie geen bezwaar heeft gemaakt tegen die uitzetting. De raadsman verwijst daarbij naar onderdeel A4, artikel 3.1 aanhef en onder 3 van de Vreemdelingencirculaire en het arrest van het Gerechtshof Arnhem d.d. 17 december 2003, LJN: AO3063, waarin in een soortgelijke situatie als de onderhavige het openbaar ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn vervolging.

De rechtbank stelt vast dat:

- verdachte blijkens een aantekening op het procesdossier op 29 april 2003 Nederland is uitgezet, vermoedelijk naar Turkije

- uit niets blijkt dat het openbaar ministerie bezwaar heeft gemaakt tegen de uitzetting van verdachte uit Nederland

- thans is gedetineerd in [adres]

Naar het oordeel van de rechtbank is op geen enkele wijze gebleken dat verdachte niet aanwezig had willen zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. De rechtbank is - met de raadsman - van oordeel dat door de aan het openbaar ministerie toe te rekenen omstandigheid, te weten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de uitzetting van verdachte uit Nederland aan verdachte de mogelijkheid is ontnomen om heden ter terechtzitting aanwezig te zijn en aan zijn raadsman de mogelijkheid is ontnomen om in overleg met verdachte de verdediging (behoorlijk) voor te bereiden. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van schending van de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vastgelegde grondbeginselen waaraan een deugdelijk strafproces dient te voldoen, met name van de in het derde lid sub b en sub c van dat artikel geformuleerde beginselen. Nu deze schending naar mag worden aangenomen, gelet op het feit dat verdachte thans is gedetineerd in de [adres], niet binnen redelijke termijn hersteld zal kunnen worden is de rechtbank van oordeel dat geen andere sanctie kan volgen dan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging.

4. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging.

Aldus gewezen door:

mr. A.Th.M. Vrijhoeven, als voorzitter,

mr. H. Eigenberg, rechter,

mr. J.H.M. Westenbroek, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. de With, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 mei 2004.