Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP1323

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
109765
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

X is er niet in geslaagd om feiten aan te dragen, waaruit blijkt dat Pro-Vorm misbruik maakt van haar bevoegdheid als zij de door haar in gang gezette executie niet stopt. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 109765 / KG ZA 04-102

Datum vonnis: 15 maart 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X,

wonende te A,

eiser bij dagvaarding van 17 februari 2004,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. M.F.H. van Delft te Leusden,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRO-VORM HOLDING B.V. in liquidatie,

gevestigd te Rossum,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRO-VORM NEDERLAND B.V. in liquidatie,

gevestigd te Rossum,

gedaagden,

advocaat mr. J.O. de Wilde te Den Bosch.

Het verloop van de procedure

Eiser -hierna te noemen: X- heeft gedaagden -hierna zowel tezamen als ieder afzonderlijk te noemen: Pro-Vorm- ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Pro-Vorm heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit -de advocaat van X overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities- en hebben daarbij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. X is krachtens een aantal rechterlijke uitspraken, in ieder geval op grond van een vonnis van 5 februari 2003 van deze rechtbank en één van 12 maart 2003, geldsommen verschuldigd aan de ontbonden vennootschappen Pro-Vorm.

2. X heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie van Pro-Vorm om uitvoering te geven aan de veroordelingen tot betaling in de hiervóór bedoelde rechterlijke uitspraken.

3. Bij beschikking van 21 augustus 2003 van deze rechtbank is de vereffening van het vermogen van Pro-Vorm heropend en is mevrouw B -hierna te noemen: B- benoemd tot vereffenaar. De advocaat van B heeft haar in februari 2004 als vereffenaar van Pro-Vorm doen inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rivierenland.

4. Pro-Vorm heeft in december 2003 opdracht gegeven tot de executoriale verkoop van de woning van X krachtens (een aantal van) de hiervóór onder 1 bedoelde rechterlijke uitspraken.

De vorderingen

1. Kort weergegeven vordert X bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een verbod voor Pro-Vorm om de hiervóór onder van de vaststaande feiten bedoelde rechterlijke uitspraken te executeren, op straffe van het verbeuren van een dwangsom, met veroordeling van Pro-Vorm in de proceskosten.

2. X voert voor het gevorderde aan dat hij niet bevrijdend aan B als vereffenaar van Pro-Vorm kan betalen omdat B zich niet correct als vereffenaar heeft ingeschreven in het handelsregister. Voorts stelt X dat hij tegenvorderingen heeft op Pro-Vorm die hij kan verrekenen met de vorderingen van Pro-Vorm. Volgens X leidt die verrekening er toe dat hij per saldo een bedrag heeft te vorderen van Pro-Vorm.

3. Pro-Vorm voert gemotiveerd verweer tegen het gevorderde, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

De motivering van de beslissing

1. Voorop wordt gesteld dat de bedoelde rechterlijke uitspraken executoriale kracht hebben, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is. Vervolgens heeft te gelden dat het niet aan de voorzieningenrechter is om de kracht tot tenuitvoerlegging aan rechterlijke uitspraken te ontnemen door de tenuitvoerlegging te verbieden. Dit kan alleen anders zijn als de tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren. Daarvan is sprake als de te executeren uitspraken klaarblijkelijk berusten op een juridische of feitelijke misslag, of als er nadat de uitspraken zijn gewezen, feiten zijn voorgevallen of aan het licht gekomen die klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde, in casu X, een noodtoestand zullen doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet aanvaardbaar is.

2. Gesteld noch gebleken is dat (één of meer van) de hiervóór bedoelde rechterlijke uitspraken berusten op juridische of feitelijke misslagen. Dergelijke misslagen kunnen in dit kort geding derhalve geen grond zijn voor schorsing van de executie zoals X vordert. De vraag is dan of er sprake is van feiten, zoals hiervóór bedoeld, waaruit blijkt dat X in een noodsituatie komt te verkeren als de executie van de rechterlijke uitspraken wordt doorgezet.

3. X stelt dat B als vereffenaar niet correct is ingeschreven in het handelsregister. Volgens X loopt hij daardoor het risico dat hij niet bevrijdend aan Pro-Vorm zal hebben betaald als hij (of na executie van de woning: de notaris) aan B betaalt, en bestaat er het gevaar dat het aan B betaalde niet meer teruggevorderd zal kunnen worden omdat zij in het buitenland woont.

4. X baseert zijn stelling dat B niet correct als vereffenaar van Pro-Vorm in het handelsregister is ingeschreven, op de toelichting die op de inschrijvingsformulieren staat van de Kamers van Koophandel en Fabrieken. Volgens die toelichting dient de vereffenaar voor de inschrijving zich persoonlijk te legitimeren bij de balie van de Kamer. Duidelijk is dat B, die verblijft in het buitenland, niet volgens de toelichting op het inschrijvingsformulier heeft gehandeld nu haar advocaat haar als vereffenaar van Pro-Vorm heeft laten inschrijven in het handelsregister. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee de inschrijving evenwel niet nietig. Daartoe wordt overwogen dat lid 1 van artikel 3 van het Handelsregisterbesluit 1996 -hierna te noemen: het besluit- bepaalt dat voor inschrijving in het handelsregister gebruik moet worden gemaakt van de inschrijvingsformulieren van de Kamer. Uit de overgelegde producties volgt dat mr. De Wilde voor de inschrijving van B de inschrijvingsformulieren van de Kamer heeft gebruikt. Voor zover te gelden heeft dat dit niet het geval is omdat B niet zelf de formulieren heeft ingevuld en zich evenmin zelf bij de balie van de Kamer heeft gemeld zoals op het formulier staat voorgeschreven, is niet uitgesloten dat de inschrijving is geschied op grond van artikel 3 lid 2 van het besluit, dat de Kamer de mogelijkheid biedt om in te stemmen met het opgeven van de in te schrijven gegevens op een andere manier dan aan de hand van de inschrijvingsformulieren. Hoe het ook zij, niet is gebleken dat de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rivierenland ex artikel 4 van het besluit de opgave door mr. De Wilde heeft geweigerd omdat niet is voldaan aan enig wettelijk voorschrift. Kennelijk heeft de Kamer, na het op grond van artikel 5 van het besluit verrichte summierlijk onderzoek, geoordeeld dat de opgave juist is en heeft zij -gelet op de door mr. De Wilde in het geding gebrachte uittreksels uit het handelsregister- krachtens artikel 6 van het besluit B als vereffenaar van Pro-Vorm ingeschreven. Het aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rivierenland opgegeven adres van B op Aruba stemt overeen met het als nagekomen productie door mr. De Wilde ingebrachte uittreksel uit het Bevolkingsregister van Aruba. Dit alles brengt mee dat X, die mag afgaan op de gegevens in het handelsregister, bevrijdend kan betalen aan Pro-Vorm. De wijze van inschrijving van B als vereffenaar is het handelsregister is derhalve geen grond om de nakoming van de betalingsverplichtingen te weigeren dan wel op te schorten.

5. X stelt ook aan dat door verrekening van tegenvorderingen van hem op Pro-Vorm zal blijken dat hij niets verschuldigd is aan Pro-Vorm, en dat Pro-Vorm per saldo een bedrag aan hem dient te betalen. Pro-Vorm betwist dat. Nog daargelaten of aan de wettelijke vereisten voor verrekening is voldaan, is in kort geding geen plaats is voor nader feitelijk onderzoek. Het had dan ook in elk geval op de weg van X gelegen om een totaaloverzicht in het geding te brengen, dat in hoge mate het bestaan en de omvang van zijn gestelde tegenvorderingen en het per saldo als gevolg van verrekening door Pro-Vorm aan hem te betalen bedrag, aannemelijk maakt. Omdat X dat heeft nagelaten, heeft hij zijn stelling dat hij te verrekenen tegenvorderingen heeft op Pro-Vorm onvoldoende onderbouwd.

6. Al het hiervóór overwogene leidt tot de conclusie dat X voorshands er niet in is geslaagd om feiten aan te dragen als hiervóór onder 1 bedoeld, waaruit blijkt dat Pro-Vorm misbruik maakt van haar bevoegdheid als zij de door haar in gang gezette executie niet stopt. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

7. Als de in het ongelijk gestelde partij zal X worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevorderde voorzieningen;

veroordeelt X in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Pro-Vorm bepaald op € 241,00 voor griffierecht en op € 703,00 voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde uitgesproken op 15 maart 2004.