Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP1312

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
100943
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6:107a; regresrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 100943 / HA ZA 03-994

Datum uitspraak: 3 maart 2004

Vonnis

in de zaak van

X,

handelende onder de naam ASFORO,

zaakdoende te Ede,

hierna te noemen: Asforo,

eiser bij dagvaarding van 16 juni 2003,

procureur en advocaat mr. J.S. Wurfbain te Barneveld,

tegen

Y,

hierna te noemen: Y,

wonende te A,

gedaagde bij genoemde dagvaarding,

procureur mr. A.F. van Dam,

advocaat mr. D. Kotterman,

beiden te Arnhem.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 26 november 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Y heeft daarna een akte genomen met drie producties en Asforo een antwoordakte. Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

1. In zijn akte heeft Y uiteengezet dat en waarom ten tijde van de perioden van arbeidsongeschiktheid van B, in welke periode Asforo het loon aan B heeft doorbetaald en waarvoor hij in deze procedure verhaal zoekt op grond van artikel 6:107a BW, sprake is geweest van een duurzame affectieve relatie tussen hem en B.

Uit de door hem in het geding gebrachte stukken blijkt dat volgens Y afdoende.

2. Asforo ontkent niet dat de situatie tussen Y en Asforo in het verleden is geweest zoals is beschreven in de akte van Y en de daarbij behorende producties. Hij wijst er echter op dat zulks ten tijde van het instellen van de vordering niet meer zo was en daarmee is volgens hem de achtergrond van de in rechtsoverweging 8 van het vonnis van 26 november 2003 aangehaalde rechtspraak niet aan de orde. Bovendien betwist Asforo ten principale dat het verhaalsrecht van artikel 6:107a BW aan beperking onderhevig kan zijn. Dat staat niet in dat wetsartikel en voor werkgevers zou iets anders moeten gelden dan voor verzekeraars en bedrijfsverenigingen.

3. De rechtbank oordeelt als volgt. Het is op zichzelf juist dat in de tekst van artikel 6:107a BW geen beperkingen op het regresrecht van de werkgever zijn te lezen. Dat is echter niet beslissend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vormgeving van artikel 6:107a BW niet anders is dan dat van gelijksoortige bepalingen in wettelijke regelingen omtrent loonvervangende uitkeringen waarvoor de Hoge Raad heeft beslist dat regres op gezinsleden niet mogelijk is. Aangenomen moet worden dat de voor die beslissing gebruikte redenering bij toepassing van artikel 6:107a BW niet anders is. Waarom dit niet voor de werkgever zou moeten gelden in de situatie waarin deze als gevolg van privatisering van voorheen collectieve voorzieningen in de plaats van uitkeringsinstanties treedt, valt niet in te zien. In elk geval gaat ook dan de redenering op dat regres er niet toe mag leiden dat het slachtoffer in feite wordt verstoken van zijn aanspraak op uitkering, in dit geval loondoorbetaling. In de literatuur wordt dit unaniem aangenomen (zie Asscher-Vonk e.a. ‘De zieke werknemer’, Monografieën sociaal recht, 1999, pagina 239 en 240 en de daar vermelde literatuurverwijzingen).

4. Dan de vraag op welk moment de aansprakelijke persoon gekwalificeerd moet zijn als degene met wie het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde. Naar het oordeel van de rechtbank is dat zonder twijfel de periode waarin het slachtoffer aanspraak heeft verkregen op loondoorbetaling omdat aangenomen moet worden dat het slachtoffer dat loon toen heeft aangewend (en verbruikt) ter bestrijding van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Dat volgt reeds uit HR 25 januari 1991, NJ 1992, 706 (zie m.n. rechtsoverweging 4.7 van het daarin weergegeven arrest van het hof) en het ligt ook voor de hand omdat later verhaal zou nopen tot verrekeningskwesties tussen de (gewezen) partners. Ook dat is een standpunt dat in de literatuur wordt aangenomen (zie het artikel van Hartlief en Tjittes ‘Regres in gezinsverband’, WPNR 6000, pag. 225-231).

5. De slotsom is dat regres van Asforo om de hierboven genoemde redenen niet mogelijk is. Het is dus niet nodig Y tot het in rechtsoverweging 7 van het tussenvonnis van 26 november 2003 bedoelde bewijs toe te laten. Asforo dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure te worden verwezen.

De beslissing

De rechtbank,

wijst de vordering af,

veroordeelt Asforo in de kosten van deze procedure; deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van Y gevallen, bepaald op € 1.238,-, waarvan op de voet van artikel 243/244 Rv. te betalen aan de griffier van deze rechtbank op rekening van de Rabobank met nummer 19.23.25.752 ten name van Gerecht 533 Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem onder vermelding van het zaak- en rolnummer:

€ 183,75 wegens in debet gesteld vast recht,

€ 993,- wegens salaris procureur,

en het restant van € 61,25 aan de procureur van Y wegens de eigen bijdrage in het vast recht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en uitgesproken in het openbaar op woensdag 3 maart 2004.

De griffier: De rechter: