Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP1290

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
102220
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling van facturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 102220 / HA ZA 03-1195

Datum vonnis: 18 februari 2004

Vonnis

in de zaak van

X,

h.o.d.n. Bouwadviesbureau X,

wonende te A, gemeente B,

eiser,

procureur mr. T.J. van Veen,

advocaat mr. J.W. van der Linde te Ede,

tegen

Y,

wonende te C, gemeente B,

gedaagde,

procureur mr. B.H.H.M. Ramakers.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 17 september 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. In 2001 schakelt Y X als bouwdeskundige in bij de verbouwing van een woning. Op 11 december 2001 wordt een overeenkomst gesloten. X stelt deze op schrift. Ze bevat onder meer een overzicht van de fasen van de verbouwing waarbij X betrokken zou zijn. Daarbij is een overzicht gegeven van de voor hem zelf geraamde werkzaamheden (à € 50,- per uur excl. btw) per onderdeel van elke fase.

2. De door X gehanteerde algemene voorwaarden bevatten de volgende bepaling (art. 13.1). “De opdrachtgever kan de opdracht tussentijds opzegen. Niettemin is de opdrachtgever gehouden (X) naar de stand van het werk alles te vergoeden en voor het resterende deel 50%.”.

3. Op 9 april 2002 bericht X Y schriftelijk dat de tijdsbesteding van zijn werkzaamheden en betrokkenheid bij de verbouwing van de woning fors oploopt. Hij specificeert de 21,5 extra bestede uren en stelt een bespreking voor om na te gaan hoe partijen verder moeten gaan. De laatste zijn van deze brief luidt: “Ik schort de werkzaamheden thans op tot dat de inhoud van deze brief met u is besproken.”

4. Op 1 mei 2002 faxt X aan Y: ”Het laatste bericht was dat je het druk had met vervelende onverwachte familiaire zaken.” Voorts deelt hij mee dringend behoefte te hebben aan een definitieve startdatum van het werk aan de woning.

5. Op 6 mei 2002 vraagt X om antwoord op zijn fax van 1 mei.

6. Op 28 mei 2002 stuurt X Y een faxbericht waarin onder meer staat dat hij nog niets op zijn fax van 1 mei en op zijn brief van 6 mei heeft vernomen en voorts onder meer: “Mocht het zo zijn dat jij geen behoefte meer hebt aan mijn betrokkenheid laat mij dat dan z.s.m. weten.”

7. Op 20 juni 2002 schrijft X aan Y een brief eindigend met de zinnen: “Dat wil zeggen dat ik uiterlijk a.s. maandag een reactie uwerzijds verwacht. Blijft uw reactie achterwege dan zal ik mij beramen over dan te nemen stappen.”

8. Y mailt X op 21 juni 2002: “(…) Voorop staat dat geen activiteiten door u worden verwacht. (Werkplan was als basis o.k.) Zoals uwerzijds aangegeven van af 9 april 2002. (…)”

9. Op 24 juni 2002 schrijft X aan Y: “Ik stel vast dat u ingaande heden niet meer van mijn diensten gebruik zult of wenst te maken. Dat is nu (…) eindelijk duidelijk. (…) Binnenkort zal ik de eindafrekening voor u opmaken (…).”

10. Op 3 juli 2002 zendt X Y een betalingsherinnering voor de facturen R020406, R020511 (€ 2.499,-, betreffende “overleg met constructeur, constructie berekeningen, constructie tekening, indienen bij gemeente, een en ander volgens afspraak”, en R020606 (€ 119,- voor communicatie). Tevens brengt X aanmaningskosten in rekening.

11. Eveneens op 3 juli 2002 brengt X bij Y € 8.062,25 in rekening

? (A) voor meerwerkkosten (21,5 uur) volgens het schrijven van 9 april 2002,

? (B) voor tijdsreservering van 9 april tot en met eind juni 2002 volgens de opdracht van 11 december 2001 (65 uur),

? (C) volgens art. 13 van Xs algemene voorwaarden 50% van het resterende, uitgaande van de opdracht, waarbij vijf maanden bouwtijd, beginnend op 1 mei 2002 worden berekend, met dien verstande dat de maanden mei en juni reeds verrekend zin in de hiervoor genoemde post (totaal 39 uur),

? (D) volgens opdracht 50% van uitvoeringsplanning, oplevering, rekeningen-controle en nazorg (totaal 50% van 20 uur).

Het geschil

X vordert kort samengevat veroordeling tot betaling van € 11.344,25 met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2002. Hij stelt dat Y de onder 10 en 11 hierboven bedoelde rekeningen niet voldaan heeft. Y betwist de vordering gemotiveerd. Op de gronden van de vordering en van het verweer wordt hieronder voor zover nodig nader ingegaan.

De beoordeling van het geschil

De factuur R020406 is kort voor de betekening van de dagvaarding voldaan.

Op de factuur 020511 van 9 mei 2002 staat dat gedeclareerd wordt volgens afspraak. Op deze factuur heeft Y gereageerd bij mail van 21 juni 2002: “Fact. dd 90502 is me niet duidelijk. Verzoek om gedetailleerde/werkelijk gespecificeerde facturen te ontvangen, daarbij inbegrepen de onderliggende facturen van buro de Krijger.”

Kennelijk slaat op deze factuur wat X vervolgens, op 24 juni 2002, aan Y bericht: “Ik bericht u dat u destijds akkoord bent gegaan met de inschakeling van een constructeur en een bedrag.”

Pas bij brief van Ys advocaat van 14 augustus 2002 volgt hierop een reactie. Hij vraagt een specificatie en deelt mee dat de constructeur al rechtstreeks door Y zou zijn betaald.

Bij de conclusie van antwoord betwist Y dat een vast bedrag is afgesproken en merkt hij op dat hij de constructeur rechtstreeks heeft betaald.

Ter comparitie herhaalt X zijn standpunt door te verklaren dat overeengekomen was dat hij een constructeur zou inschakelen voor f.5.000,- exclusief btw. Daar verklaart Y dat er geen afspraak over de kosten van de constructeur was gemaakt.

Nu in feite Xs mededeling van 9 mei 2002 dat er een afspraak over de facturering van de kosten van de constructeur was gemaakt, tot aan de conclusie van antwoord op 3 september 2003 onweersproken is gebleven en Y niet aangeeft wat hij de constructeur zou hebben betaald, en of dit zou betekenen dat hij X in het geheel niets meer verschuldigd is terzake van het constructeurswerk en evenmin de factuur van de constructeur overlegt opdat deze vergeleken kan worden met Xs gegevens, wordt Xs gemotiveerde betoog geacht onvoldoende te zijn weersproken. De vordering is dus voor € 2.499,- toewijsbaar.

De factuur R020606 zou communicatie tussen partijen tijdens de opschorting van de werkzaamheden die X op 9 april 2002 had aangekondigd, betreffen. Waar partijen overeengekomen waren dat hij zou declareren voor zijn werkzaamheden en X deze in de periode waarover het hier gaat, neergelegd had, ligt aan deze factuur geen overeenkomst ten grondslag. Voor zover X heeft bedoeld Y tot actie te manen – antwoorden, betalen – moet het hier gevorderde nu er een procedure is gevolgd, geacht worden te behoren tot de kosten die bij de voorbereiding van een procedure horen en waarvan een vergoeding is inbegrepen in een toe te wijzen vergoeding van de proceskosten.

Bij de beoordeling van de factuur R020705 spelen twee voorvragen.

De eerste is of Xs algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst tussen partijen. Dit is bij antwoord niet betwist. Ter comparitie heeft Y opgemerkt dat ze hem wel waren toegestuurd, maar dat hij geen tijd kreeg ze te bestuderen. De rechtbank stelt vast dat Y weliswaar kennelijk geïrriteerd is geweest door de gang van zaken, maar dat er geen reden is aangevoerd waarom de voorwaarden tussen partijen niet zouden gelden.

De tweede vraag is of X de overeenkomst heeft opgezegd of Y. In Xs mededeling in de brief van 9 april 2002 “Ik schort de werkzaamheden thans op tot dat de inhoud van deze brief met u is besproken” leest Y dat X de overeenkomst per die datum opzegde. Daarin volgt de rechtbank hem niet. Het gebruik van het woord opschorten en de zinsnede ‘totdat de inhoud van deze brief met u is besproken’ laten er geen twijfel over dat X tijdelijk zijn werkzaamheden staakte. Daarvan getuigen vervolgens ook zijn andere uitlatingen (hierboven onder 4, 5 en 6). Y laat op 21 juni 2002 weten: “Voorop staat dat geen activiteiten door u worden verwacht.” Daarmee is de overeenkomst opgezegd. X bevestigt dit. Dat Y in de mail van 21 juni 2002 toevoegt “Zoals uwerzijds aangegeven van af 9 april 2002,” doet daaraan niet af omdat daaraan slechts Ys onjuiste en taalkundig onbegrijpelijke uitleg van de opschorting door X ten grondslag ligt.

Het eerste onderdeel van de factuur R020705 betreft het meerwerk dat in Xs brief van 9 april 2002 is gespecificeerd. Gelet op het feit dat de overeenkomst van 11 december 2002 slechts een urenraming per fase en geen vast bedrag voor het gehele werk of per fase bevatte, moet worden aangenomen dat X uren kon declareren. Dit is meerdere malen, ook ter comparitie, door Y bevestigd: “Ik begreep van X dat hij dacht meer uren nodig te hebben. Dat was dan zo. Voor de uren dat hij werkte, moest hij betaald worden.” Dat hij meer uren dan verwacht nodig had, berichtte X gespecificeerd op 9 april. Hij vond het aantal uren zo oplopen dat hij schreef niet verder te willen gaan voordat hij een afspraak hierover gemaakt had met Y. Daarin voldeed hij volgens de rechtbank aan wat redelijkheid en billijkheid in de uitvoering van de overeenkomst van hem eisten. Dat bij de conclusie van antwoord wordt aangevoerd dat de extra uren niet waren besproken en ongeloofwaardig veel zijn – het laatste is onbegrijpelijk – en dat X tijdig had moeten waarschuwen, wordt dan ook door de rechtbank gepasseerd. Op dit onderdeel is de vordering toewijsbaar.

Het tweede onderdeel van de factuur betreft tijdreservering voor de periode 9 april tot eind juni 2002. Y heeft aangevoerd dat hier geen basis voor bestaat en de rechtbank volgt hem daarin. Wanneer X zijn werkzaamheden voor Y opschort, kan hij ondertussen zijn tijd met andere zaken vullen. Juist daarin ligt het belang van de opschorting.

Vervolgens komt het beroep op de algemene voorwaarden aan de orde. Uit het voorgaande bleek reeds dat de rechtbank artikel 13 daarvan op de onderhavige situatie van toepassing acht. De vraag is vervolgens of, zoals Y betoogt, artikel 7:408 lid 3 BW zich verzet tegen de daarop gegronde facturering. De wetgever gaat ervan uit dat opzegging van een overeenkomst van opdracht door een particulier regelmatig is. Dat is in deze zaak niet betwist. Van schadevergoeding kan dan behoudens gemaakte onkosten geen sprake zijn. Dit laat onverlet dat de opdrachtnemer recht kan hebben op (een deel van) het loon waarop hij aanspraak zou hebben gehad als niet opgezegd was. Het kan redelijk zijn dat partijen overeenkomen dat de opdrachtnemer na opzegging door de opdrachtgever een deel van zijn loon over de nog openstaande werkzaamheden ontvangt. Dat is wat hier langs de weg van de algemene voorwaarden is gebeurd. Dit is niet verboden. Dat de algemene voorwaarden op enige andere grond niet toegepast zouden mogen worden, is niet aangevoerd.

Het in de factuur onder B genoemde moet als vergoeding van gereserveerde tijd worden afgewezen. Het onder B, C en D tezamen in rekening gebrachte, is blijkens de formulering van de factuur en het ter comparitie verklaarde, gegrond op de algemene voorwaarden. Zo uitgelegd, dat X hierin aanspraak maakt op betaling van 50% van de door hem geraamde, maar niet gewerkte uren, is deze vordering in beginsel toewijsbaar.

De factuur biedt echter onvoldoende duidelijkheid om thans een bedrag te kunnen toewijzen. X zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld bij akte aan te geven hoeveel van de in de overeenkomst van 11 december 2001 geraamde uren hij gewerkt en gedeclareerd heeft, en hoeveel uren vervolgens in aanmerking komen voor de 50%-berekening op grond van de algemene voorwaarden, die onder C en D dubbel geteld lijken te worden. Deze akte zal op korte termijn verzocht moeten worden en Y zal daarop, eveneens op korte termijn, kunnen reageren.

Tenslotte vordert X € 69,- voor aanmaningen. Nu er een procedure is gevolgd, moet dit bedrag geacht worden te behoren tot de kosten die normaliter bij de voorbereiding van een procedure horen en waarvan een vergoeding is inbegrepen in een toe te wijzen vergoeding van de proceskosten.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rolzitting van twee 3 maart 2004 voor het verzoeken van een akte aan de zijde van X zoals hiervoor overwogen,

bepaalt dat van deze termijn geen uitstel wordt gegeven,

verstaat dat Y bij akte kan reageren op de rolzitting van 17 maart 2004,

bepaalt dat ook van deze termijn geen uitstel wordt gegeven,

houdt iedere verdere beslissing aan.

De beslissing

Gewezen door mr J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter in tegenwoordigheid van de griffier op woensdag 18 februari 2004.

de griffier de rechter