Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP1142

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-05-2004
Datum publicatie
08-06-2004
Zaaknummer
03/502 WAO en 04/166 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Amber

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummers: 03/502 WAO en 04/166 WAO

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen:

I. [eiseres I], eiseres,

gevestigd te [A], vertegenwoordigd door mr. Y.C.E. van der Moer-Lemmens,

II. [eiseres II], eiseres,

wonende te [B], vertegenwoordigd door mr. P. Burger,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Eiseres onder I en eiseres onder II zullen in het navolgende worden aangeduid als [werkgeefster] respectievelijk [werkneemster].

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder van 29 januari 2003, uitgereikt door UWV GAK te Arnhem (besluit I).

Besluit van verweerder van 24 december 2003, uitgereikt door UWV GAK te Arnhem (besluit II).

2. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2002 heeft verweerder geweigerd om aan [werkneemster] een WAO-uitkering toe te kennen onder de overweging dat haar arbeidsongeschiktheid per 18 maart 2002 en na 4 weken per 15 april 2002 niet is toegenomen sedert 1 augustus 2001.

Zowel [werkgeefster] als [werkneemster] hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit I respectievelijk besluit II heeft verweerder die bezwaren ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

[werkgeefster] heeft beroep ingesteld tegen besluit I (zaak met registratienummer 03/502 WAO).

[werkneemster] heeft beroep ingesteld tegen besluit II (zaak met registratienummer 04/166 WAO).

Door verweerder zijn verweerschriften ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 27 april 2004. Namens [werkgeefster] zijn verschenen [X] en mr. Y.C.E. van der Moer-Lemmens, advocaat te Amersfoort. [werkneemster] is verschenen, bijgestaan door mr. P. Burger, advocaat te Utrecht. Namens verweerder is verschenen mr. S. Croes, werkzaam bij het UWV, kantoor Arnhem.

3. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep van [werkgeefster].

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De Centrale Raad van Beroep heeft meerdere malen uitgesproken dat een werkgever als belanghebbende dient te worden aangemerkt bij een besluit met betrekking tot aanspraken van één van zijn werknemers op een WAO-uitkering, en dat zulks niet afhankelijk is van de aard van het besluit, te weten een toekennings-, herzienings- of intrekkingsbesluit. Het beroep van [werkgeefster] is derhalve ontvankelijk.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar van [werkgeefster].

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Vast staat dat het primaire besluit op 29 mei 2002 in afschrift aan [werkgeefster] is verzonden, en dat het bezwaarschrift ruim buiten de bezwarentermijn, op 5 augustus 2002, is ingediend.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Verweerder heeft het bezwaar van [werkgeefster] derhalve terecht ontvankelijk geoordeeld.

Ten aanzien van de inhoudelijke kant van de zaak.

[werkneemster] is reeds vele jaren in dienst van [werkgeefster] voor 40 uur per week en is in 2000 uitgevallen wegens RSI-klachten. Aan haar werd per einde wachttijd een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. [werkneemster] heeft haar eigen werk geleidelijk aan hervat. Bij besluit van 11 juli 2001 is de WAO-uitkering per 1 augustus 2001 ingetrokken omdat [werkneemster] in staat werd geacht om haar eigen werk volledig te verrichten. [werkneemster] heeft hiertegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 21 november 2001 ongegrond is verklaard. Tegen het besluit van 21 november 2001 is geen beroep ingesteld.

Bij brief van 18 maart 2002 heeft [werkgeefster] [werkneemster] met ingang van 18 maart 2002 weer (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt gemeld en verzocht om de wet Amber toe te passen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder het besluit van 29 mei 2002 genomen.

Zowel [werkgeefster] als [werkneemster] hebben in bezwaar en beroep het standpunt ingenomen dat het besluit van 11 juli 2001 tot intrekking van de WAO-uitkering van [werkneemster] per 1 augustus 2001 evident onjuist is. Deze stellingname lijkt erop te duiden dat [werkgeefster] en [werkneemster] van mening zijn dat verweerder dient terug te komen op het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering per 1 augustus 2001. Ter zitting is door [werkgeefster] en [werkneemster] bevestigd dat zij deze mening zijn toegedaan.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [werkgeefster] van 18 maart 2002 om de wet Amber toe te passen niet kan worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen op het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering.

Voor zover de door [werkgeefster] en [werkneemster] tegen het besluit van 29 mei 2002 ingediende bezwaarschriften al moeten worden aangemerkt als verzoeken om terug te komen op het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering – de rechtbank laat dit thans in het midden – overweegt de rechtbank dat bij besluit I en besluit II niet op die eventuele verzoeken is beslist. De vraag of verweerder had moeten terugkomen op het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering is in de onderhavige beroepsprocedures derhalve niet aan de orde.

Overigens wijst de rechtbank erop dat, indien de bezwaarschriften van [werkgeefster] en [werkneemster] aangemerkt zouden moeten worden als verzoeken om terug te komen op het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering, een beslissing op die eventuele verzoeken een primair besluit is, waartegen eerst bezwaar dient te worden gemaakt, alvorens beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld.

Tussen partijen is niet in geschil dat het verzoek van [werkgeefster] van 18 maart 2002 beoordeeld moet worden in het kader van artikel 43a van de WAO.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 43a, eerste lid, van de WAO geen regeling inhoudt van een toename van arbeidsongeschiktheid in algemene zin doch naar bewoordingen en bedoeling uitsluitend ziet op die situaties waarin sprake is van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag lagen aan de eerder toegekende doch nadien ingetrokken uitkering. Indien van een zodanige toename niet kan worden gesproken, wordt aan een beoordeling van arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen. Slechts indien zich zulk een toename wel voordoet, dient ter beoordeling of, en zo ja in welke omvang, die toename van beperkingen ook leidt tot een toename van arbeidsongeschiktheid, de arbeidskundige component in ogenschouw te worden genomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 oktober 2003, USZ 2003/343.

Hoewel de rapportages van de verzekeringsarts E.M.E. van der Werf-Huysmans van 18 april 2002 en van de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten van 7 november 2002/16 januari 2003 en van 23 oktober 2003/18 december 2003 niet helemaal zijn toegespitst op de beoordeling die in het kader van artikel 43a van de WAO dient plaats te vinden, is de rechtbank van oordeel dat uit die rapportages, met name uit de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts, voldoende duidelijk blijkt dat (onder meer) is beoordeeld of per 18 maart 2002 sprake is van een toename van medische beperkingen ten opzichte van 1 augustus 2001 en dat zulks naar het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts niet het geval is.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit oordeel en overweegt daartoe het volgende.

De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens zijn rapportages kennis genomen van een grote hoeveelheid, deels door hemzelf opgevraagde, medische informatie, waaronder de door [werkgeefster] en [werkneemster] overgelegde informatie van de bedrijfsarts H. de Wit van 18 september 2002, het rapport van het ADAC van 25 februari 2002 (het Ergos-onderzoek), en het onderzoeksverslag van fysiotherapeut J. Driehuizen van 23 april 2003, en deze informatie bij zijn beoordeling betrokken. De medische grondslag van de bestreden besluiten is zorgvuldig voorbereid.

Voorts acht de rechtbank van belang dat uit de hiervoor genoemde, door [werkgeefster] en [werkneemster] overgelegde, medische stukken weliswaar blijkt dat de opstellers van die stukken de belastbaarheid van [werkneemster] anders inschatten dan verweerder, maar dat uit deze stukken in het geheel niet blijkt dat in de medische situatie van [werkneemster] per 18 maart 2002 een wijziging zou zijn opgetreden ten opzichte van 1 augustus 2001.

Aan de ter zitting door de gemachtigde van [werkneemster] ingenomen stelling dat in genoemde periode sprake is geweest van een toename van klachten moet voorbij worden gegaan, omdat een toename van klachten – wat daar verder ook van zij – nog niet betekent dat sprake is van een toename van medische beperkingen.

Aangezien niet is gebleken van een toename van medische beperkingen wordt aan de beoordeling van arbeidskundige aspecten, zoals bijvoorbeeld de vraag of eiseres per 18 maart 2002 in staat was haar eigen werkzaamheden te verrichten, niet meer toegekomen.

Door [werkgeefster] is nog aangevoerd dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts deze zaak niet onbevangen konden beoordelen omdat zij ook bij eerdere besluiten ten aanzien van [werkneemster] betrokken zijn geweest. Voorts is aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts Joosten niet meer betrokken had mogen worden bij het bezwaar van [werkneemster], nu hij eerder al betrokken was geweest bij het bezwaar van [werkgeefster].

De rechtbank onderschrijft deze stellingen niet. Gesteld noch gebleken is dat de inschakeling van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts op de wijze zoals dat is geschied, in strijd zou zijn met enige wettelijke regeling. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien dat een en ander in strijd met de zorgvuldigheid zou zijn. In dit verband zij opgemerkt dat niet gebleken is van concrete aanwijzingen dat de verzekeringsarts of de bezwaarverzekeringsarts vooringenomen zou zijn geweest.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht heeft geweigerd om aan [werkneemster] per 15 april 2002 een WAO-uitkering toe te kennen. De beroepen dienen mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep van [werkgeefster] tegen besluit I ongegrond;

- verklaart het beroep van [werkneemster] tegen besluit II ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van F.W. Langhorst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2004.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: