Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP0133

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/2696
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De weigering om met toepassing van een in het bestemmingsplan gegeven mogfelijkheid tot wijziging van dit plan ten behoeve van de vestiging van een agrarisch bouwperceel, is in casu niet toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 03/2696

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X], eiser,

wonende te [A],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 oktober 2003, bekendgemaakt bij schrijven van 13 oktober 2003.

2. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2002 (verzonden 2 december 2002) heeft verweerder geweigerd om ten behoeve van de vestiging van een nieuw agrarisch bouwperceel op de percelen, kadastraal bekend, [kadastrale nummers], te [A], gebruik te maken van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Voorts is bij gelijk besluit eisers verzoek om op voornoemde percelen een tijdelijke woonvoorziening te mogen plaatsen afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder - in afwijking van het advies van de bezwarencommissie - het besluit van 12 november 2002 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij schrijven van 9 februari 2004 hebben [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 16 april 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mw. mr. J.H. Hartman, werkzaam bij Hartman Consultancy te Hedel. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.G. Van Liempt en mw. A. Zweerus, ambtenaren der gemeente.

3. Overwegingen

De rechtbank overweegt allereerst dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] niet als belanghebbende partij in dit geding kunnen worden aangemerkt, omdat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat zij ten tijde van het bestreden besluit nog geen eigenaar waren van het pand [adres]. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat het in casu een weigering betreft gebruik te maken van een bevoegdheid tot wijziging van het bestemmingsplan, in welke gevallen naar het oordeel van de rechtbank niet sprake is van rechtstreekse betrokkenheid van een derde bij zodanig besluit, omdat daarbij immers geen wijziging wordt aangebracht in diens rechtspositie.

Eiser exploiteert op de onderhavige percelen - tezamen met een perceel van circa 1 ha aan de [adres] - een bloemteeltbedrijf. Met het oog op de toekomstige ontwikkeling van zijn bedrijf en uit een oogpunt van een doelmatige(r) bedrijfsvoering heeft eiser verzocht om de vestiging van een agrarisch bouwperceel, teneinde de bouw van een woning, een bedrijfsschuur, permanente tunnels en overige teeltondersteunende voorzieningen mogelijk te maken.

Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, waartoe in hoofdzaak is aangevoerd dat de vestiging van een agrarisch bouwperceel ter plaatse onevenredig afbreuk doet aan de (milieuhygiënische) belangen van de in de onmiddellijke nabijheid gelegen (woon)functie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Met betrekking tot de vraag of sprake is van nieuwvestiging van een bedrijf, alsmede of voor het vestigen van een agrarisch bouwperceel door verweerder rechtens relevante verwachtingen zijn gewekt, verwijst de rechtbank naar de overwegingen dienaangaande in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2004, welke overwegingen de rechtbank tot de hare maakt.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het geschil voor het overige beperkt tot het antwoord op de vraag of verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren van zijn bevoegdheid tot (binnenplanse) wijziging van het bestemmingsplan gebruik te maken, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met het geschreven of ongeschreven recht.

Niet in geschil is dat eisers bedrijf - uitgaande van een agrarisch bouwperceel met een maximaal oppervlak van 1 ha - kan uitgroeien tot een volwaardig agrarisch bedrijf. Zulks blijkt uit een door de provinciale dienst Ruimte, Economie en Welzijn uitgebracht advies van 11 augustus 2003. Daaruit blijkt voorts dat voor een goede bedrijfsvoering de bouw van een bedrijfswoning noodzakelijk is indien de tunnelkassen worden voorzien van een verwarming.

Verweerder heeft aan zijn weigering om ter plaatse een agrarisch bouwperceel te vestigen ten grondslag gelegd dat de op te richten bedrijfsbebouwing op een te korte afstand zal zijn gelegen van de ter plaatse aanwezige burgerwoning aan de [adres]. Hierdoor wordt naar verweerders oordeel niet voldaan aan het in artikel 6, tweede lid, (beschrijving in hoofdlijnen) van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" opgenomen criterium dat het nieuwe agrarische bedrijf, gelet op de ligging, aard en omvang daarvan, ten opzichte van de in de nabijheid gelegen functies een zodanig beperkte (milieu)hinder zal veroorzaken dat daardoor de belangen van deze functies niet in onevenredige mate zullen worden geschonden. Verweerder heeft hierbij aansluiting gezocht bij de in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ genoemde afstandsnorm van 30 meter tussen bedrijfstypen als het onderhavige en de aanwezigheid van woonbebouwing. Verweerder heeft in de omstandigheden van onderhavig geval geen planologische motieven aanwezig geacht om van deze norm af te wijken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus een te beperkte maatstaf aangelegd voor de beoordeling van de vraag of het vestigen van een agrarisch bouwperceel ter plaatse onevenredig afbreuk doet aan de nabij gelegen woonfunctie. Bedoelde afstand is slechts indicatief van aard en bekorting daarvan betekent nog niet zonder meer dat de te beschermen functies onevenredig worden geschaad. Zoals in genoemde beschrijving in hoofdlijnen expliciet is bepaald, vormen niet alleen de ligging, maar ook de aard en de omvang van het te vestigen bedrijf de relevante factoren bij de beantwoording van de hierboven bedoelde vraag. De door verweerder gekozen min of meer categoriale benadering doet in de gegeven omstandigheden dan ook afbreuk aan hetgeen het bestemmingsplan in dit opzicht voorschrijft.

Op grond van het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaarschrift moeten nemen.

De rechtbank overweegt in dit verband nog - zij het voor dit geding ten overvloede - dat het vorenstaande niet impliceert dat aan eiser daadwerkelijk een bouwperceel moet worden toegekend. Zij voegt hier wel aan toe dat bij een bepaalde situering van het bouwperceel aan mogelijk aanwezige afstandsbezwaren zou kunnen worden tegemoetgekomen. Zulks laat overigens onverlet dat tegen zodanige situering anderszins planologische bezwaren kunnen bestaan. Voorts komt het de rechtbank voor dat de met het bedrijf samenhangende vervoersbewegingen in de eerste plaats door het stellen van voorschriften in de milieuvergunning dienen te worden gereguleerd, zoals in de thans bestaande feitelijke situatie ook is geschied.

De rechtbank ziet in verband met het bovenstaande aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:72, zesde lid, van de Awb en te bepalen dat de bij uitspraak van 20 januari 2004 getroffen voorlopige voorziening niet eerder vervalt dan 6 weken na de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaarschrift.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 322 ter zake van kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen;

bepaalt dat de bij uitspraak van 20 januari 2004 getroffen voorlopige voorziening niet eerder vervalt dan 6 weken na het door verweerder te nemen nieuwe besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322 en wijst de gemeente Maasdriel aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat de gemeente Maasdriel het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 116 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van mr.drs. C.M. van der Vlies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2004.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: