Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AP0070

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
05/095241-03
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2005:AT4658
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

11 jaar gevangenisstraf en 8 jaar + TBS met dwangverpleging voor moord op Maja Bradaric en het verbranden van haar lichaam. Derde verdachte krijgt 3 jaar waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Zie ook LJN nummers: AP 0069, AP 0067 en AP 0070.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/095241-03

Datum zitting : 17 mei 2004

Datum uitspraak : 26 mei 2004

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : Ö, Ferdi,

geboren op : 16 april 1985

thans gedetineerd in PI Vught - Nieuw Vosseveld 1 HVB, Lunettenlaan 501 Vught.

Raadsman: mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegelaten vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 november 2003 te Nijmegen en/of Bemmel, gemeente Lingewaard, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, M. (Maja) Bradaric (hierna: Maja) van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, Maja in een auto hebben/heeft doen plaatsnemen en/of in die auto hebben/heeft meegevoerd en/of (vervolgens) de keel/hals van Maja met hun/zijn arm(en) en/of hand(en) hebben/heeft dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of een touw om de keel/hals van Maja hebben/heeft aangebracht en/of dat touw met kracht strak om de keel/hals van Maja hebben/heeft aangetrokken en/of met kracht aan dat touw hebben/heeft getrokken en/of (daarbij) een hand op de mond en/of neus van Maja hebben/heeft gelegd en/of gedrukt en/of Maja (aldus) hebben/heeft gewurgd en/of verstikt, tengevolge waarvan Maja is overleden;

2.

hij op of omstreeks 17 november 2003, te Nijmegen en/of Bemmel, gemeente

Lingewaard, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten: het stoffelijk overschot van M.(Maja) Bradaric, heeft verbrand, weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, door toen aldaar met dat oogmerk genoemd stoffelijk overschot in een auto te vervoeren naar een -afgelegen- locatie (in de polder/uiterwaarden, bij een waterplas/grindafgraving te Bemmel) en/of (vervolgens) genoemd stoffelijk overschot aldaar te overgieten en/of te besprenkelen met benzine en/of in brand te steken en/of achter te laten;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 18 februari 2004, 12 mei 2004 en 17 mei 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. Ter terechtzitting gevoerde verweren

Door de raadsman van verdachte is gesteld dat de behandeling van de strafzaak nietig is nu de wrakingskamer op andere dan de door hem aangevoerde gronden het wrakingsverzoek heeft beoordeeld en het verzoek vervolgens heeft afgewezen.

De rechtbank oordeelt dat los van de vraag of het feit juist is en dan het gestelde effect zou hebben het niet aan haar is om de beslissing van de wrakingskamer en de motivering van die beslissing te beoordelen omdat zulks (in strijd met het systeem van de wet) neer zou komen op een vorm van intern hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer. Al helemaal ongerijmd is dat de raadsman dit verkapt appel voorlegt aan de rechters die door hem gewraakt zijn en over wier wraking is beslist. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.

De raadsman van verdachte heeft voorts een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman van verdachte als volgt:

De officier van justitie dient niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vervolging van de verdachte omdat de raadsman geen adequate verdediging heeft kunnen voeren en de beginselen van "fair trial" en "fair hearing" op grove wijze zijn aangetast door de navolgende beslissingen van de rechtbank, genomen ter terechtzitting van 12 mei en 17 mei (kort en zakelijk weergegeven):

- de rechtbank zal zich pas na requisitoir en pleidooi (bij het vonnis) uitlaten over het al dan niet toepassen van het materiële jeugdstrafrecht;

- de verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd gehad om de zaak voor te bereiden nu het proces-verbaal van de politie reeds op 12 maart jl. gereed was en het Pieter Baan Centrum rapport op 6 mei j.l. door haar is ontvangen;

- de rechtbank acht het horen van de door verdediging verzochte, maar niet tijdig opgegeven, getuigen niet noodzakelijk en wijst dit verzoek af. Het betreft de in het proces-verbaal van politie genoemde getuigen die de gestelde psychische overmacht zouden moeten kunnen onderbouwen, maar de verdediging heeft zich reeds in een vroeg stadium op die strafuitsluitingsgrond beroepen en de verdediging heeft geen aanvaardbare reden opgegeven waarom zij pas op de terechtzitting heeft gevraagd om die getuigen op te roepen, terwijl zij al twee maanden over dat proces-verbaal beschikt. De rechtbank acht het horen van die getuigen zelf niet noodzakelijk. Voorst heeft de rechtbank het (subsidiaire) verzoek afgewezen om de rechter-commissaris, de districtspsychiater en twee groepsleiders van het Pieter Baan Centrum als getuigen te horen omtrent de persoonlijkheid van verdachte (de tevens opgegeven psychiater en psycholoog zijn wèl ter terechtzitting als deskundigen gehoord). Hierbij heeft de rechtbank een ander criterium gehanteerd, omdat aanvaardbaar was dat bij de verdediging pas na de ontvangst van het Pieter Baan Centrum-rapport de behoefte opkwam om die personen ter terechtzitting te horen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat zij van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet oproepen en horen van deze getuigen. Voor de rechter-commissaris en de districtspsychiater geldt dat zij geen van beiden invloed hebben gehad op de inhoud van de rapportage en de conclusie van het Pieter Baan Centrum. Voor de groepsleiders geldt dat zij gerapporteerd hebben onder verantwoordelijkheid van de psychiater en de psycholoog, die wel ter terechtzitting zijn gehoord, en niet valt in te zien dat die groepsleiders meer informatie kunnen verschaffen over de vragen die de raadsman reeds aan de psychiater en de psycholoog heeft gesteld;

- de rechtbank wijst het verzoek om het rapport van de medeverdachte M tot processtuk te maken af;

- de rechtbank acht geen termen aanwezig de zaak aan te houden voor een contra-expertise van de persoon van de verdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu de door de rechtbank genomen beslissingen in de loop van het onderzoek ter terechtzitting niet kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht, onder meer gelet op het sectierapport, de processen-verbaal omtrent de waarnemingen op de plaats delict, een aantal alinea's uit de afgelegde verklaringen van G. M, G. P, N.S. K en de bekennende verklaringen van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op of omstreeks 17 november 2003 te Nijmegen en/of Bemmel, gemeente

Lingewaard, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk, M. (Maja) Bradaric (hierna: Maja) van het leven heeft

beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)

opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren

genomen besluit, althans opzettelijk, Maja in een auto hebben/heeft doen

plaatsnemen en/of in die auto hebben/heeft meegevoerd en/of (vervolgens) de

keel/hals van Maja met hun/zijn arm(en) en/of hand(en) hebben/heeft

dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of een touw om de keel/hals van Maja

hebben/heeft aangebracht en/of dat touw met kracht strak om de keel/hals van

Maja hebben/heeft aangetrokken en/of met kracht aan dat touw hebben/heeft

getrokken en/of (daarbij) een hand op de mond en/of neus van Maja hebben/heeft gelegd en/of gedrukt en/of Maja (aldus) hebben/heeft gewurgd en/of verstikt, tengevolge waarvan Maja is overleden;

2.

hij op of omstreeks 17 november 2003, te Nijmegen en/of Bemmel, gemeente

Lingewaard, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten: het stoffelijk overschot van M.(Maja) Bradaric, heeft verbrand en weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, door toen aldaar met dat oogmerk genoemd stoffelijk overschot in een auto te vervoeren naar een -afgelegen- locatie (in de polder/uiterwaarden, bij een waterplas/grindafgraving te Bemmel) en/of (vervolgens) genoemd stoffelijk overschot aldaar te overgieten en/of te besprenkelen met benzine en/of in brand te steken en/of achter te laten;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de rol van de verdachte in de moord op Maja is de rechtbank van oordeel dat verdachte en zijn mededader gezamenlijk de moord hebben voorbereid, georganiseerd en uitgevoerd. Zij hebben met elkaar over verschillende manieren van het doden van Maja gesproken en beiden hebben zij daartoe, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, initiatieven genomen. Zo hebben verdachte en zijn mededader samen de datum van de moord en de afspraak met Maja voor die datum geregeld, heeft verdachte gezorgd voor de auto, de jerrycan en de benzine en hebben ze samen de verwurgings/verstikkingshandelingen uitgevoerd.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

medeplegen van moord;

feit 2:

medeplegen van een lijk verbranden en wegvoeren met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

J.M. Oudejans, psycholoog, en H.D. Sierink, psychiater, beide verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (Psychiatrische Observatiekliniek van het Gevangeniswezen) hebben op 6 mei 2004 omtrent verdachte een multidisciplinaire rapportage uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten geen sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens zodat de feiten indien bewezen hem volledig kunnen worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is.

Namens verdachte heeft zijn raadsman een beroep op psychische overmacht gedaan. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ten tijde van de delicten onder zodanige druk, bestaande uit doodsangst voor Goran M, stond dat hij niet in staat was zijn wil in vrijheid te bepalen. Volgens de raadsman kan het handelen hem dan ook niet worden toegerekend.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in totaal drie keer door M is bedreigd. De eerste keer was op woensdag 11 november 2003 bij M thuis, de tweede keer was op zaterdag 16 november 2003 in het toilet bij discotheek De Spijker en de derde keer was op maandag 17 november 2003 voorafgaand aan de autorit.

Verdachte heeft bij de politie alleen over de eerste bedreiging verklaard. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij de eerste bedreiging niet serieus nam. Dit kan derhalve buiten beschouwing blijven. Over een bedreiging in discotheek De Spijker heeft verdachte bij de politie niet verklaard. Daar noemt hij alleen een gebeurtenis die hij niet als een bedreiging of bedreigend heeft ervaren en waarbij hij van mening was dat hij M nog wel op andere gedachten kon brengen. Verder blijkt uit het dossier dat verdachte tegenover de politie uitdrukkelijk verklaard heeft op maandag 17 november 2003 niet door M te zijn bedreigd. Met deze tegenstrijdige verklaringen is geenszins duidelijk wat nu concreet door M is gezegd of anderszins geuit jegens verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting medegedeeld dat er ook geen getuigen zijn die over het één en ander nader kunnen verklaren. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat verdachte, die zegt dat hij door M met de dood werd bedreigd, op dat moment objectief gezien nog geen reden had om aan te nemen dat M, met wie hij al meer dan een jaar bevriend was, een dergelijk dreigement ook zou uitvoeren. M was misschien wel een agressieve jongeman maar een moord had hij toen nog niet gepleegd. Het nu bewezen verklaarde feit, was, voorzover bekend, de eerste moord en die hebben zij samen gepleegd.

Wat betreft die agressiviteit blijkt uit het dossier overigens dat verdachte in eerdere situaties goed in staat was om weerstand te bieden aan de agressie van M, toen verdachte bij vechtpartijen tussen M en derden tussenbeide kwam.

Ook heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat er na het bewezenverklaarde vriendschappelijk (telefonisch) contact was tussen verdachte en M, dat zij samen op condoleancebezoek gingen bij de familie Bradaric en dat zij samen de auto van verdachte hebben schoongemaakt. De rechtbank oordeelt dat deze handelingen er juist van getuigen dat verdachte geen angst koesterde voor M, maar dat zij op vriendschappelijke wijze met elkaar omgingen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk dat er sprake was van psychische overmacht en verwerpt zij het verweer.

De rechtbank oordeelt dat verdachte noch bij de politie noch ter terechtzitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van concrete bedreiging dan wel van een dermate grote angst (voor M) dat hij als redelijk normaal mens daar geen weerstand aan kon bieden.

Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het onder 5. genoemde multidisciplinaire rapport .

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich op 17 november 2003 schuldig gemaakt aan medeplegen van moord op de 16-jarige Maja Bradaric en aan

medeplegen van het vervoeren en verbranden van haar stoffelijk overschot teneinde de sporen van de moord uit te wissen.

Verdachte besprak samen met zijn mededader dat Maja om het leven moest worden gebracht. Er worden verschillende plannen gemaakt en uiteindelijk wordt besloten haar te wurgen. Daartoe werd een datum bepaald en werden middelen aangeschaft. Er werd besloten om Maja op 17 november 2003 uit te nodigen voor een autoritje in de personenauto van de moeder van de verdachte. Op 17 november 2003 gingen verdachte, Goran M, Goran P en Maja Braderic, die allen tot dezelfde vriendengroep behoren, met z'n vieren een eindje rijden. Maja mocht in tegenstelling tot de andere keren voor in de personenauto zitten. M ging achter haar zitten, P daarnaast en verdachte trad op als chauffeur. Vervolgens werd Maja in de personenauto gewurgd/verstikt, onder meer met behulp van een stuk touw. Daarna werd het stoffelijk overschot door de drie personen in de personenauto vervoerd naar een afgelegen locatie waar verdachte en zijn mededader M het stoffelijk overschot met benzine in brand staken. Hun houding tijdens het hele delictgebeuren getuigt van een koelbloedige gerichtheid op de daad en van een diepschokkende minachting voor het slachtoffer.

Verdachten hebben Maja op een gruwelijke wijze het leven ontnomen. Het handelen van verdachte en zijn mededaders gedurende die fatale avond heeft de rechtsorde hevig geschokt. Zij hebben onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van Maja, hun leven zal nooit meer hetzelfde zijn.

De raadsman heeft verzocht artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, jeugdsancties voor volwassenen, toe te passen nu verdachte deel uit maakte van een groep jeugdigen.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten 18 jaar, evenals de mededader. De rechtbank kan, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan (een) jeugdsanctie(s) opleggen bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder dan 21 jaar. Verdachte en zijn mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan het zwaarste commune delict dat Wetboek van Strafrecht kent en daarnaast hebben verdachte en zijn mededader ook geprobeerd de juiste toedracht van hun afgrijselijke daad op een weerzinwekkende manier verborgen te houden. Maja was door de brand zozeer verminkt dat gebitsvergelijking nodig was om haar identiteit met zekerheid te kunnen vaststellen.

De persoonlijkheidsrapportage biedt geen aanknopingspunten om te stellen dat verdachte niet leeftijdsadequaat zou zijn. Door de deskundigen wordt gesteld dat: "Hoewel hij wat naïef kan overkomen, is hij in staat zijn eigen plan te trekken en loopt hij qua ontwikkeling niet achter bij zijn leeftijdsgenoten (...)". Ook in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan is geen motivering te vinden voor toepassing van het jeugdsanctierecht. De groep vrienden vertoont normaal gedrag voor jongvolwassenen en ook het delictgebeuren vertoont geen "kinderlijke" trekken. Dat het delict zoals de raadsman stelt "onbegrijpelijk" is rechtvaardigt op zich niet de toepassing van het jeugdsanctierecht.

Gelet op het tevoren overwogene ziet de rechtbank geen aanleiding om artikel 77c Wetboek van Strafrecht toe te passen en zal zij daarom recht doen overeenkomstig de bepalingen voor strafrechtelijk meerderjarigen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van verdachte enkel en alleen worden bestraft met een zeer langdurige gevangenisstraf. De rechtbank is wel van oordeel dat er bij de hoogte van de gevangenisstraf rekening moet worden gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte en zal dat ook doen. Voorts houdt de rechtbank rekening met het blanco strafblad van verdachte. De rechtbank realiseert zich dat de feiten verbijsterend zijn en dat de samenleving, of althans een deel daarvan, verwacht dat dit met de zwaarst mogelijke straf wordt bestraft. De rechtbank wil echter ook wijzen op de andere kant. Verdachte is een normale jongeman op wie tot nu toe niets was aan te merken. Door de op te leggen gevangenisstraf worden aan de verdachte jaren ontnomen, die zijn leeftijdsgenoten kunnen benutten om hun levensweg uit te stippelen. Voorts zal verdachte, hoewel hij daar nu nog geen tekenen van toont, de rest van zijn leven gebukt gaan onder de wetenschap dat hij een medemens heeft vermoord en dat dit nooit meer goed te maken is. Al met al besluit de rechtbank om aan de verdachte een kortere gevangenisstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 57, 151, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder feit 1 en feit 2, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 3.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van elf (11) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. mr. N.W. Huijgen, rechter, als voorzitter, mr. R.H. Koning, rechter, mr. H.J.T. Blom, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.G. Eskes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank

op 26 mei 2004.