Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO9466

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
05/090509-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

5 jaar voor het tezamen en in verenigi9ng met anderen exploiteren van een xtc-laboratorium

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 368

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/090509-03

Datum zitting : 23 april 2004

Datum uitspraak : 7 mei 2004

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Overijssel, huis van bewaring Zwolle, gevestigd aan de Huub van Doornestraat 15 te Zwolle.

Raadsman: mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegelaten vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 november 2003

te gemeente Duiven meermalen, althans éénmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of vervaardigd een hoeveelheid

van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA en/of MDMA en/of E-ethylMDA (MDEA) en/of 2-CB, zijnde amfetamine, MDA en/of MDMA en/of E-ethyl MDA (MDEA) en/of 2-CB (een) middel(en) ais bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet en/of aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 14 tot en met 28 november 2003 in na te noemen gemeenten (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet en/of aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten:

- in de gemeente Westervoort en/of Duiven (ongeveer) 52,9 kilo (bruto) MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

- in de gemeente Duiven (ongeveer) 4,4 kilo MDMA, in eik geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 februari 2004 en 23 april 2004 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is op 23 april 2004 verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd in verzeke-ring en voorlopige hechtenis doorge-bracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie aangekondigd dat er een ontnemingsvordering tegen verdachte zal volgen.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. Ter terechtzitting gevoerde verweren

Ter zitting heeft de raadsman betoogd dat:

1) Voor de plaatsing van videoapparatuur en de daarop volgende observaties van het bedrijfspand perceel [adres] een bevel stelselmatige observatie ex artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering was vereist; en in het kielzog daarvan

2) Er geen verdenking in de zin van de Opiumwet heeft kunnen bestaan, die de aanhouding van verdachte en de daarop volgende beslagen zou rechtvaardigen.

Naar de mening van de raadsman zijn de video-observatie, de aanhouding van verdachte en de daarop volgende beslagen onrechtmatig geweest en dienen de resultaten daarvan als onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen van het bewijs te worden uitgesloten. Hetgeen resteert aan bewijsmiddelen is naar de mening van de raadsman onvoldoende om tot een bewezenverklaringen van de ten laste gelegde strafbare feiten te komen. De rechtbank overweegt als volgt.

De video-observatie:

Uit het proces-verbaal van de verbalisant J.L. Leunk van 23 maart 2004 volgt dat op enig moment in de maand augustus 2003 de Nationale Recherche (Kernteam Noord- en Oost Nederland) een proces-verbaal van verhoor van 6 augustus 2003 ontving inhoudende een verklaring van C. [getuige]. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring zeer gedetailleerd. Immers, het volgende wordt daarin gesteld: in een bedrijf [naam] wordt door derden (een stel Amsterdammers en een Belg) XTC gefabriceerd; het bedrijf verkoopt normaliter badkamers, sanitair, etc; en de eigenaar geeft zijn sleutel voor het weekend af aan die derden.

Genoemde verklaring van de getuige C. [getuige] heeft er kennelijk toe geleid dat de officier van justitie op 14 augustus 2003 heeft besloten video-opnameapparatuur te (laten) plaatsen op de openbare weg of op/nabij perceel [naam]. Blijkens het “meldingsformulier OvJ-toetsingszaak” was het doel van de statische observatie het “vaststellen of er in de weekeinden in genoemd bedrijf activiteiten plaatsvinden welke mogelijk verband kunnen houden met het vervaardigen van XTC en het vaststellen van de identiteit van de daders en hun voertuigen”. De video-observatie is aangevangen op 15 augustus 2003 en is geëindigd op 8 september 2003.

Onder omstandigheden zullen observaties een inbreuk betekenen op het in artikel 8 EVRM verankerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De Hoge Raad gebruikt bij de beoordeling van de toelaatbaarheid en daarmee de legitimatie van observaties een schema dat in de kern op het volgende neerkomt:

1) Is er inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM?

2) Zo ja, bestaat voor die inbreuk een wettelijke legitimatie als bedoeld in artikel 8 EVRM?

3) Indien die legitimatie ontbreekt, welke gevolgen moeten daar dan aan worden verbonden?

Eerst zal dus moeten worden vastgesteld dat er een inbreuk heeft plaatsgevonden. In onderhavige zaak is gedurende een drietal weken een bedrijfspand geobserveerd. De observaties hebben zich derhalve beperkt tot waarneming van hetgeen in het openbaar geschiedde en hebben zich voorts beperkt tot de vaststelling van de identiteit van diegenen die het pand in de weekeinden hebben betreden. Op grond hiervan en mede gelet op de beperkte periode van de observaties, leveren de observaties, naar het oordeel van de rechtbank, geen strijd op met artikel 8 EVRM. In dit geval biedt artikel 2 van de Politiewet of artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering een toereikende wettelijke grondslag.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

De verdenking:

Voorop wordt gesteld dat de rechtbank de aannemelijkheid van de verdenking ex ante en slechts marginaal kan toetsen. Met inachtneming van het vorenstaande zal de rechtbank aldus nagaan of - gemeten naar hetgeen toen bekend was bij de opsporingsambtenaren - de conclusie dat er sprake was van een verdenking in de zin van de Opiumwet gerechtvaardigd was.

Blijkens eerdergenoemd proces-verbaal van 23 maart 2004 werd aan de hand van de observaties gezien dat er gedurende het hele weekend opmerkelijke bewegingen en gedragingen plaatsvonden in en/of nabij het geobserveerde perceel, te weten bewegingen gedurende het gehele weekend. Daarnaast werd telkens bij binnentreding en/of verlating van het perceel de toegangsdeur (af)gesloten. Naar de rechtbank begrijpt, hebben de verbalisanten op grond van hun deskundigheid en ervaring geoordeeld dat de observaties de verklaring van de getuige C. [getuige] bevestigden en er bewegingen en gedragingen plaatsvonden in en/of nabij het perceel, die afweken van de normale gang van zaken behorende bij de verkoop van badkamers en sanitair. Deze feiten en omstandigheden, de gedetailleerde verklaring van de getuige C. [getuige] en de aard van het vermoedelijk gepleegde strafbare feit (artikel 2 Opiumwet) leverden naar het oordeel van de rechtbank een redelijk vermoeden van schuld op dat verdachte de Opiumwet had overtreden. Dit betekent dat het bevel stelselmatige observatie van 10 september 2003, het verlengingsbevel stelselmatige observatie van 24 oktober 2003, de aanhouding van verdachte en de daarop volgende inbeslagnemingen rechtmatig zijn geweest. Er zijn derhalve geen termen over te gaan tot bewijsuitsluiting.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De periode zoals in de tenlastelegging omschreven ten aanzien van feit 1 zal, min of meer conform hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, worden aangepast, hierin bestaande dat “01 januari 2003” zal worden vervangen door “01 juli 2003”. Daarnaast leest de rechtbank ten aanzien van feit 1 in de zesde regel de komma achter “amfetamine” als “en/of”.

De raadsman heeft tevens aangevoerd dat, nu dit poeder niet is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut, niet bewezen kan worden dat de 4,4 kilogram poeder die is aangetroffen ook daadwerkelijk MDMA is en dat verdachte dientengevolge van het aanwezig hebben van die 4,4 kilogram dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

De 4,4 kilogram werd aangetroffen in de loods gelegen aan de [naam]. Het poeder bevond zich in een emmer met een paarse deksel. In deze loods bevonden zich twee xtc-laboratoria. Deze laboratoria waren beide in gebruik. Daarnaast bevond zich aldaar een tabletteerinrichting om xtc-pillen mee te slaan. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft meerdere poeders onderzocht. Dit bleek telkens MDMA te zijn, dan wel MDMA te bevatten. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij uit de emmers met een paarse deksel de grondstof haalde om pillen van te slaan. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de stof die zich in die emmer bevond tevens MDMA bevatte. Het aanwezig hebben van deze 4,4 kilogram MDMA zal derhalve bewezen worden verklaard.

De raadsman heeft ter terechtzitting voorts betoogd dat niet bewezen kan worden dat zijn cliënt tezamen met anderen 52,9 kilo MDMA voorhanden heeft gehad aangezien hij van de aanwezigheid van deze hoeveelheid MDMA geen weet had.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich gedurende de bewezen te verklaren periode meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van bereiden, bewerken, verwerken, vervoeren en/of vervaardigen van middelen waarvan xtc-pillen kunnen worden geslagen. Verdachte kan in dat geval niet langer met succes aanvoeren dat hij van de aanwezigheid van de grondstoffen geen weet heeft gehad, temeer nu hij zelf actief betrokken is geweest bij het tabletteerproces. De hoeveelheid doet dan niet ter zake, zolang deze hoeveelheden maar redelijkerwijs betrekking zouden kunnen hebben op de activiteiten die plaatsvonden in de verschillende laboratoria en bij de tabletteerinrichting.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van 1 juli 2003 tot en met 14 november 2003

te gemeente Duiven telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of vervaardigd een hoeveelheid

van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA en/of MDMA en/of E-ethylMDA (MDEA) en/of 2-CB, zijnde amfetamine en/of MDA en/of MDMA en/of E-ethyl MDA (MDEA) en/of 2-CB middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1,

2.

hij in de periode van 14 tot en met 28 november 2003 in na te noemen gemeenten telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, te weten:

- in de gemeente Duiven ongeveer 52,9 kilo (bruto) MDMA, en

- in de gemeente Duiven ongeveer 4,4 kilo MDMA,

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 21 januari 2004; en

- een voorlichtingsrapport van (stichting) Reclassering Nederland, gedateerd 10 februari 2004, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich gedurende ongeveer vier maanden schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging met anderen fabriceren van grote hoeveelheden xtc-pillen. Een deel van de door verdachte en zijn mededaders geproduceerde pillen is ook aangetroffen, alsmede een grote hoeveelheid MDMA-bevattend poeder waarvan nog pillen moesten worden geslagen. Alleen al van de aangetroffen grondstoffen had men, conform berekeningen van het Nederlands Forensisch Instituut, nog minimaal 300.000 pillen kunnen slaan. Daarnaast zijn er ongeveer 100.000 pillen aangetroffen. Dit is een enorme hoeveelheid pillen die garant staat voor een evenzo enorme omzet.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben alleen verklaard over hun eigen rol binnen de organisatie. Zij hebben geen verklaringen afgelegd over de organisator(en) achter het xtc-laboratorium. Op deze manier valt voor de rechtbank niet vast te stellen of anderen een rol hebben gespeeld bij de opzet en exploitatie van het xtc-laboratorium en/of welke rol en/of dat zij überhaupt bestaa(t)(n). Dit betekent dat de volledige verantwoordelijkheid voor het laboratorium te Duiven zal worden gelegd bij verdachte en zijn mededaders.

Het produceren van xtc-pillen is een ernstig feit en geschiedt puur uit winstbejag. Hoewel bij een breed publiek geaccepteerd als partydrug, is en blijft xtc een gevaarlijke harddrug die jaarlijks de nodige slachtoffers opeist. Het is dan ook mede voornoemd gevaar geweest dat heeft geresulteerd in plaatsing op lijst I van de Opiumwet.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een forse, geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. J.P. Bordes, rechter, als voorzitter,

mr. M. Jurgens, rechter,

mr. H.W. Schmidt, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.W.A. van Kuppeveld, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 07 mei 2004.