Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO9360

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
102239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de saldi van de bankrekeningen aldus zijn verdeeld dat iedere partij de helft daarvan ontvangt, ook de rente over die saldi aan beide partijen gelijkelijk toekomt. Als peildatum voor verdeling van de rente geldt de door partijen voor verdeling van de saldi gekozen peildatum van 1 juli 2002.

De rechtbank is van oordeel dat, nu X stelt de lening te zijn aangegaan teneinde in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, deze lening niet voor verdeling tussen partijen in aanmerking komt, terwijl evenmin op Y de verplichting rust het bedrag van de lening in zijn geheel aan X te vergoeden. Ter comparitie is immers gebleken dat de rechtbank X per 1 december 2002 alimentatie heeft toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 102239 / HA ZA 03-1199

Datum vonnis: 17 maart 2004

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te A, gemeente B,

eiseres,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. H.J.M. van Arkel te Arnhem,

tegen

Y,

wonende te A, gemeente B,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. J.F. Schouwenaar.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “X” en “Y”.

1. Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 24 september 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Bij beschikking van 3 april 2003 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Inschrijving van deze beschikking vond plaats op 26 mei 2003. Als peildatum voor verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap hebben partijen gekozen voor 1 juli 2002.

3. Het geschil

3.1 X vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Y veroordeelt om mee te werken aan de vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zoals door haar in de dagvaarding is voorgesteld. X vordert voorts dat de rechtbank Y veroordeelt om binnen een maand na betekening van het vonnis aan haar te betalen een bedrag gelijkstaand aan dat waarop zij recht heeft ter zake van overbedeling, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2003, met veroordeling van Y in de kosten van de procedure.

3.2 Y voert gemotiveerd verweer.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Ter comparitie hebben partijen overeenstemming bereikt over een groot aantal van de door X in de dagvaarding genoemde posten. Partijen hebben het geschil omtrent die posten beëindigd middels een vaststellingsovereenkomst.

4.2 Thans resteert nog een geschil over verrekening van de rente over de diverse bankrekeningen waarvan de saldi ter comparitie zijn verdeeld. De rechtbank is van oordeel dat, nu de saldi van de bankrekeningen aldus zijn verdeeld dat iedere partij de helft daarvan ontvangt, ook de rente over die saldi aan beide partijen gelijkelijk toekomt. Als peildatum voor verdeling van de rente geldt de door partijen voor verdeling van de saldi gekozen peildatum van 1 juli 2002.

4.3 Het laatste punt dat partijen verdeeld houdt is het geschil over een lening gesloten door X en over een lening gesloten door Y. Ter comparitie heeft X gesteld tijdens het huwelijk een lening te hebben gesloten omdat Y zou hebben geweigerd een bijdrage te leveren in haar kosten voor levensonderhoud. X is onduidelijk over de hoogte van de lening. Ter comparitie heeft zij gesteld dat de lening € 7.000,-- bedroeg en dat een bedrag van € 4.000,-- aan haar zou moeten worden vergoed, terwijl de verklaring van geldlening zoals door X in het geding gebracht vermeldt dat een bedrag van € 11.000,-- zou zijn geleend. Onduidelijk is voorts wanneer de lening is afgesloten. Y stelt dat de lening is aangegaan na de datum van verdeling van huwelijksgoederengemeenschap terwijl de verklaring van geldlening vermeldt dat geleend zou zijn “vanaf juni 2002”. Tenslotte merkt de rechtbank op dat, hoewel X ter zitting heeft verklaard het bedrag van € 4,000.— door Y vergoed te willen zien, het petitum van de dagvaarding niets over de lening vermeldt terwijl ook overigens uit de dagvaarding niet blijkt op welke wijze X de lening in haar vordering tot verdeling wil betrekken.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat, nu X stelt de lening te zijn aangegaan teneinde in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, deze lening niet voor verdeling tussen partijen in aanmerking komt, terwijl evenmin op Y de verplichting rust het bedrag van de lening in zijn geheel aan X te vergoeden. Ter comparitie is immers gebleken dat de rechtbank X per 1 december 2002 alimentatie heeft toegekend en de vordering tot betaling van alimentatie met terugwerkende kracht, voor wat betreft de terugwerkende kracht heeft afgewezen. Het is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de redelijkheid en billijkheid om X thans alsnog via een omweg een vergoeding toe te kennen voor de door haar gevorderde kosten van levensonderhoud. De rechtbank zal de vordering van X tot vergoeding van de door haar gesloten lening – voor zover ingesteld – dan ook afwijzen. Daarmee kan in het midden blijven voor welk bedrag de lening in de vordering van X is opgenomen alsmede op welke datum de lening is afgesloten.

4.5 In het licht van hetgeen hiervoor onder r.o. 4.4 is gesteld, zal ook de vordering tot vergoeding van de wettelijke rente worden afgewezen.

4.6 Voor wat betreft de lening van Y overweegt de rechtbank als volgt. De vordering tot verdeling van deze lening is door Y voorwaardelijk ingesteld. Immers Y stelt in zijn conclusie van antwoord dat indien de lening van X in de verdeling wordt betrokken, ook zijn lening onderdeel van de procedure dient uit te maken. Nu de rechtbank de vordering van X omtrent haar lening afwijst behoeft de vordering tot verdeling van de lening van Y geen verdere bespreking.

4.7 Aangezien partijen gewezen echtgenoten zijn en de onderhavige procedure voortvloeit uit de ontbinding van hun huwelijk zullen de proceskosten van dit geding tussen hen worden gecompenseerd.

De beslissing

De rechtbank:

gelast de verdeling van de rente over de diverse bankrekeningen waarvan het saldo ter comparitie tussen partijen is verdeeld, in die zin dat iedere partij de helft daarvan zal krijgen toegescheiden;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004.

de griffier de rechter