Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO9353

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
27-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/1839
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen en is zijn rijbewijs ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 03/1839

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A, eiser,

wonende te B, vertegenwoordigd door mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 17 juli 2003.

2. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2002 heeft verweerder vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen en is zijn rijbewijs ongeldig verklaard.

Nadat eiser tegen dit besluit bezwaar had gemaakt heeft hij een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Dit verzoek is bij uitspraak van 9 januari 2003 afgewezen

(procedurenummer Awb 02/2574).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 10 maart 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Kabel voornoemd. Verweerder heeft zich, zoals tevoren bericht, ter zitting niet doen vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Op grond van artikel 134, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en artikel 12, onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (Stcrt. 1996, 81, nadien gewijzigd) besluit de Minister van Verkeer en Waterstaat tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid zijn vastgesteld in de Regeling eisen geschiktheid 2000 (Stcrt. 2000, 99, laatstelijk gewijzigd op 24 januari 2002, Scrt. 2002, 20, hierna: de Regeling). Paragraaf 8.8 van de Bijlage behorend bij de Regeling met als opschrift “Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)” luidt als volgt:

“Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zijn aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met het misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring op basis van een specialistisch rapport geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van een keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.”

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de aanhouding van eiser op 1 januari 2002 is een ademalcohol-gehalte van 830 µg/l geconstateerd. Het op basis daarvan ontstane vermoeden van ongeschiktheid is ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 medegedeeld aan verweerder. Vervolgens heeft verweerder eiser verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig.

Dit onderzoek had plaats op 6 mei 2002 door dr. P.L. The (zenuwarts-psychiater). Op 13 mei 2002 heeft deze aan verweerder een verslag van bevindingen toegestuurd. Samengevat luidt de conclusie dat er sprake is van alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid. Naar aanleiding van de uitslag van het onderzoek heeft verweerder op 31 juli 2002 aan eiser medegedeeld voornemens te zijn diens rijbewijs ongeldig te verklaren voor alle categorieën. Op grond van artikel 134, tweede lid, van de Wvw 1994 is daarbij aangegeven dat eiser om een tweede onderzoek kan vragen. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Bij primair besluit van 28 november 2002 heeft verweerder onder meer het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard. Tevens is daarin aangegeven dat uit het onderzoek blijkt dat aannemelijk of aantoonbaar is dat betrokkene op of omstreeks 2 januari 2002 met misbruik van het middel is gestopt, zodat de recidiefvrije periode vanaf die datum is ingegaan.

Eiser is samengevat van mening dat het besluit tot ongeldigverklaring niet had mogen worden gebaseerd op het rapport van dr. The en dat dit besluit ook overigens onvoldoende is gemotiveerd. Op de stellingen van eiser zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan.

Namens eiser is in de stukken en ter zitting verzocht om aanhouding van de behandeling teneinde de nog te nemen beslissing op een tuchtrechtelijke klacht die hij jegens dr. The heeft ingediend aan de rechtbank kenbaar te maken. De mondelinge behandeling van deze klacht bij het Regionaal Tuchtcollege voor Gezondheidszorg is geagendeerd op 30 maart 2004.

De rechtbank heeft besloten de behandeling niet aan te houden. Ter beoordeling van de rechtbank staat immers de vraag of het besluit van verweerder van 17 juli 2003 de rechterlijke toets kan doorstaan. Het antwoord op de vraag of het onderzoek en de rapportage van dr. The aan de tuchtrechtelijke eisen terzake voldoen is voor die beoordeling niet doorslaggevend. Dit neemt overigens niet weg dat de zorgvuldig-heid van dat onderzoek een belangrijk aspect vormt van de beoordeling door de rechtbank. Het in dit verband namens eiser ingebrachte arrest van de Hoge Raad (HR 12 juli 2002, NJ 2003/151) verplicht de (bestuurs)rechter evenwel geenszins de uitkomst van tuchtrechtelijke procedures af te wachten.

Het primaire besluit tot ongeldigverklaring is (uitsluitend) gebaseerd op de diagnose alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid die dr. The naar aanleiding van zijn onderzoek heeft gesteld. Dit geldt ook voor het bestreden besluit.

Blijkens het rapport van dr. The is de diagnose alcoholafhankelijkheid gebaseerd op hetgeen eiser hem bij de speciële anamnese zou hebben medegedeeld bij de aspecten alcoholtolerantie (3.2.1), controle over alcoholgebruik 1/controleverlies (3.2.3), controle over alcoholgebruik 2/persistentie (3.2.4) en persistentie 2 (3.2.7 en 3.2.11). De diagnose alcoholmisbruik berust uitsluitend op de mededelingen van eiser bij het aspect voortdurend gebruik van alcohol (eveneens 3.2.7 en 3.2.11).

Blijkens paragraaf 10 van het rapport is geen van beide diagnoses gebaseerd op de fijne handtremor en de vergrote lever die tijdens het lichamelijk onderzoek zijn vastgesteld.

Eiser heeft pas in de bezwaarfase kennis kunnen nemen van rapport van dr. The en heeft vanaf toen nadrukkelijk betwist dat hij zich jegens hem heeft uitgelaten zoals door dr. The is genoteerd. Eiser is van mening dat dr. The zijn antwoorden heeft verdraaid en conclusies heeft getrokken die gezien de antwoorden niet getrokken hadden mogen worden. Zo is volgens eiser nimmer gesproken over pogingen het alcoholgebruik te stoppen (3.2.4) en kan dus niet worden gecon-cludeerd dat die pogingen weinig succesvol waren. Voorts kan volgens eiser uit het enkele feit dat loonbeslag is gelegd niet worden afgeleid dat hij niet met geld kan omgaan en een sociaal probleem heeft dat door alcohol wordt veroorzaakt of verergerd (3.2.7 en 3.2.11).

Het loonbeslag houdt volgens eiser uitsluitend verband met een alimentatiegeschil.

De rechtbank moet in dit verband vaststellen dat dr. The in paragraaf 3.2 van zijn rapportage (getiteld Alcohol anamnese) niet of nauwelijks heeft aangegeven welke vragen hij bij de afzonderlijke aspecten heeft gesteld en welke concrete antwoorden eiser daarop heeft gegeven. De ingevulde antwoorden zijn in de regel standaardmatig en vertonen veelal gelijkenis met de tekst die in het DSM IV-handboek is opgenomen.

Met name door het ontbreken van de concrete antwoorden die eiser volgens de onderzoeker heeft gegeven kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de rapportage voldoende inzichtelijk maakt waarop voormelde diagnoses zijn gebaseerd. Daar komt bij dat in paragraaf 7 van het rapport zonder nadere toelichting wordt gesteld dat de anamnese niet betrouwbaar overkomt.

Gelet op het voorgaande had verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet mogen aannemen dat het onderzoek van dr. The op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In het bijzonder het feit dat dr. The enerzijds stelt dat de anamnese niet betrouwbaar overkomt maar anderzijds zijn diagnose wel uitsluitend op die anamnese baseert had voor verweerder aanleiding moeten zijn nadere informatie in te winnen. De stelling van verweerder dat men in beginsel mag afgaan op de bevindingen van een deskundige is op zichzelf juist maar kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan de in artikel 3:9 van de Awb neergelegde onderzoeksplicht.

Door eiser in de bezwaarfase te laten onderzoeken door een andere deskundige had verweerder de twijfel aan de zorgvuldigheid van het eerste onderzoek kunnen wegnemen. Eiser kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden verweten dat hij zelf niet is ingegaan op het aanbod van verweerder om een tweede onderzoek te ondergaan: dat aanbod is gedaan voorafgaand aan het primaire besluit en toen had eiser nog geen inzage gekregen in de rapportage van het eerste onderzoek. Hij kon derhalve niet weten op basis waarvan de eerste onderzoeker zijn diagnose had gesteld. In zijn bezwaarschrift heeft eiser aangegeven dat hij niet om een tweede onderzoek heeft gevraagd omdat hij de gestelde vragen dan hetzelfde zou beantwoorden als bij het eerste onderzoek. Het nut van een tweede onderzoek ontging hem derhalve. Overigens beschikte hij toen nog niet over rechtshulp.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn in het schrijven van 9 maart 2004 ingenomen standpunt dat aan het belang van eiser bij de onderhavige procedure moet worden getwijfeld omdat hij inmiddels door het verstrijken van de recidiefvrije periode via een eigen verklaring weer over een geldig rijbewijs kan beschikken. Inzet van de onderhavige procedure is immers of verweerder gezien het rapport van dr. The überhaupt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van eiser heeft kunnen overgaan.

Het beroep is mitsdien gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:9 van de Awb.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Aangezien eiser op basis van een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd dient dit bedrag te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank, zoals in het dictum is aangegeven. De door eiser betaalde eigen bijdrage voor rechtshulp komt niet voor vergoeding in aanmerking. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 17 juli 2003;

gelast verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank op bankrekeningnummer 1923.25.752, ten name van DS 533 arrondissement Arnhem, onder vermelding van registratienummer Awb 03/1839.

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Vermeulen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2004.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 29 april 2004