Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO9349

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
96874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat de renteloze geldlening is overeengekomen als onderdeel van de afspraken over de overname van de groothandel, zoals vastgelegd in de koopovereenkomst. Zie de eerste zin van artikel 4: "als onderdeel van de koop- en verkoopovereenkomst zal verkoper een renteloze lening verstrekken aan koper voor een bedrag van f. 150.000,--". In artikel 12 lid 2 koopovereenkomst hebben partijen afstand gedaan van hun recht de overeenkomst te ontbinden. Dit betekent dat de vordering tot ontbinding van de overeenkomst van renteloze geldlening zal worden afgewezen. Dit betekent ook dat de overige vorderingen, voorzover zij strekken tot betaling van een bedrag dat hoger is dan de opeisbare tweede termijn van € 13.613,41, zullen worden afgewezen. Een andere grondslag dan ongedaanmaking na ontbinding is immers niet gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 96874 / HA ZA 03-310

Datum vonnis: 10 maart 2004

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRITTIJN BEHEER B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J. de Graaf,

tegen

1. X,

wonende te A,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HULZEBOS GROSSIERDERIJ BREDA B.V.,

gevestigd te Breda,

3. de vennootschap onder firma

BI-CIRCLE BRITTIJN NIJMEGEN V.O.F.,

gevestigd te Nijmegen,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BI-CIRCLE BREDA B.V.,

gevestigd te Oosterhout,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. J.A.M.P. Keijser,

advocaat mr. R.J. Borghans te Nijmegen.

Partijen worden hierna Brittijn, X, E, Bi-Circle en Bi-Circle Breda genoemd (gedaagden gezamenlijk E c.s.).

1. Het verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 25 juni 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Brittijn oefende tot 1 januari 2001 een groothandelsbedrijf in fiets- en bromfietsartikelen uit. Daarnaast was zij importeur van Sachs-fietsen. In de loop van 2000 zijn Brittijn en E besprekingen begonnen over overname door E van de groothandel (dus niet het importeurschap) door middel van een activa/passivatransactie. E is (ook) een groothandel in fiets- en bromfietsartikelen. E heeft in een ongedateerd voorstel aan Brittijn over de activa/passivatransactie onder meer het navolgende geschreven:

? “Overname Brittijn Tweewielergroothandel actief, volgens volledige inventarisatie ultimo 31 december en gewaardeerd tegen historische verkrijgingswaarde (exclusief geactiveerde kosten als transport, verzekering etc.) waarbij waardering volgens algemeen aanvaarde behoudende accountantsgrondregels per 31 december 2000 plaats zal vinden.

? De waardering van de voorraad is onderdeel van de Due Diligence door onze accountant Poppelaars van deze voorraad, doch wij stellen als volgt voor

Omloopsnelheid > 2 100 %

1 < Omloopsnelheid < 2 90 %

0,75 < Omloopsnelheid < 1 75 %

0,5 < Omloopsnelheid < 0,75 50 %

0,25 < Omloopsnelheid < 0,5 25 %

Omloopsnelheid < 0,25 0 %

Garantie / retourvoorziening ƒ 15.000,-

(…)

? Ontbindende voorwaarde is dat de heren Leo X en Dries B vrijwillig instemmen met overgang naar de nieuwe werkgever.”

2.2 X was bedrijfsleider van Brittijn, B een succesvolle vertegenwoordiger.

2.3 Brittijn heeft bij brief van 2 september 2001 op het voorstel geantwoord. Zij was het met de meeste voorwaarden eens. Over de waardering van de voorraad heeft zij het navolgende voorgesteld:

“Zoals je weet is door ons per 1 januari een nieuw computersysteem binnengehaald. Ten einde de invoer niet onnodig te belasten hebben wij toen onze voorraad rigoureus opgeschoond.

De onderdelen welke op de inventarisstaat van 1 januari 2000 voorkomen zijn dan ook uitsluitend die onderdelen welke door ons (in het bijzonder door Leo en Dries) noodzakelijk worden geacht voor het functioneren als streekgrossier. Tevens is gelet op het aantal in voorraad en zonodig terug gebracht tot een aantal dat past bij de verkoopbaarheid.

Als simpele en derhalve eenduidige waardebepaling zou ik het volgende voorstel willen doen.

Alle onderdelen waarop in 2000 inkopen zijn geboekt worden gewaardeerd tegen de laatste inkoopprijs. Die onderdelen waarop geen inkoop is geboekt worden gewaardeerd op 50% van de inkoopwaarde.

Ter indicatie: Uitgaande van de inventaris van 1 augustus jl. zou dit het volgende betekenen.

fietsonderdelen: ƒ 871.369,13 ƒ 632.379,68

bromfietsonderdelen: ƒ 164.096,57 ƒ 112.492,23

Buba en Biba: ƒ 126.039,77 ƒ 111.253,36

Fietsen: ƒ 74.709,24 ƒ 75.873,42

Imperials e.d.: ƒ 10.411,52 ƒ 10.046,00

Totaal ƒ 1.216.599,23 ƒ 942.044,69

50% van het verschil: ƒ 152.277,27

Overnameprijs: ƒ 1.094.321,96

In de eerste kolom de voorraadwaarde van alle onderdelen tegen laatst bekende inkoopprijs. In de tweede kolom alleen de voorraadwaarde van die onderdelen welke in 2000 in- of bijgekocht zijn (kleine verschillen zijn mogelijk want niet alle facturen zijn ingeboekt per 31-08-00).

Uitwerking van bovenstaande stel ik mij als volgt voor:

Na het passeren van de verkoopakte bij de notaris bepaal jij de verdere opbouw van de voorraad. Onder toezicht van Leo wordt er voor gezorgd dat per 31 december de voorraadaantallen exact kloppen met de administratie waarna de beide bovenstaande uitdraaien worden gemaakt en de verkoopprijs bekend is.”

2.4 Partijen hebben hun afspraken vastgelegd in een door Accountantskantoor Poppelaars, adviseur van E, opgesteld document, getiteld “Intentie tot de koop en verkoop van een gedeelte van een onderneming” en gedateerd 31 december 2000 - hierna: de koopovereenkomst. X had zich inmiddels naast E gevoegd als koper. Zij zouden na de overdracht het groothandelsbedrijf uitoefenen in de vennootschap onder firma Bi-Circle, waarin zij beide vennoot zouden worden. Uit de koopovereenkomst worden de navolgende bepalingen geciteerd:

Artikel 1

Verkoper verklaart te willen verkopen en in eigendom over te dragen, terwijl koper verklaart te willen kopen en in eigendom te aanvaarden een zelfstandig gedeelte van de ondernemingen van de door verkoper gedreven vennootschap voornoemd. Het verkochte gedeelte van de onderneming van verkoper zal vanaf 1 januari 2001 ten bate en ten laste van koper komen.

Artikel 2

Koper verklaart alle tot het gekochte gedeelte van de onderneming behorende schulden en verplichtingen, mits en voorzover deze op voormelde inventarisatiestaat onder de passiva voorkomen, voor zijn rekening te nemen en als eigen schulden te zullen voldoen en - voor zover door verkoper is/wordt voldaan - aan deze terstond het betaalde te vergoeden, alsmede verkoper te vrijwaren.

Artikel 3

De koopsom voor deze overdracht wordt bij uitsluiting vastgesteld op basis van de per 31 december 2000 door Accountantskantoor Poppelaars te Roosendaal te controleren inventarisatiestaat en van de daarop voorkomende waarden en zal onder nader vast te stellen voorwaarden worden voldaan door koper.

Artikel 4

Als onderdeel van de koop- en verkoopovereenkomst zal verkoper een renteloze lening verstrekken aan koper voor een bedrag van ƒ 150.000,-. De bepalingen waaronder deze lening zal worden verstrekt cq wordt aangegaan zullen nog nader schriftelijk, echter voor 31 december 2000, worden vastgelegd.

(…)

Artikel 12

(…)

2. Partijen doen afstand van het recht om op enige grond ontbinding van vorenstaande koopovereenkomst te vorderen. (…)”

2.5 Omstreeks 12 december 2000 werd bekend dat B uit dienst zou treden en niet mee zou gaan met X en E. Op 12 december 2000 hebben C, directeur van Brittijn, D, directeur van E, en X daarover overlegd. Besloten werd dat de overname toch werd doorgezet, maar dan zonder dat B mee over zou gaan naar de nieuwe onderneming.

2.6 Brittijn, Bi-Circle en ING Bank N.V. - hierna: ING - hebben eind 2000 een achterstellingsakte getekend, waarin Brittijn zich verbond haar vordering op Bi-Circle tot een beloop van ƒ 75.000,- achter te stellen bij de vordering van ING op Bi-Circle in verband met een door ING aan Bi-Circle verstrekt krediet. Artikel 1 van de achterstellingsakte luidt als volgt:

“De vordering (van Brittijn op Bi-Circle, rechtbank) zal pas opeisbaar zijn en de voldoening van de vordering, waaronder begrepen de eventuele periodieke aflossingsverplichtingen zal, behoudens schriftelijke toestemming van de bank, eerst mogen plaats hebben wanneer de kredietnemer al hetgeen hij aan de bank, uit welken hoofde ook, al of niet in rekening-courant en al of niet in het gewone bankverkeer, schuldig mocht zijn, zal hebben voldaan.”

2.7 X heeft eind 2000 op basis van een door Brittijn ter beschikking gestelde voorraadlijst de voorraad van de groothandel opgenomen. Poppelaars heeft deze lijst op 17 januari 2001 gecontroleerd.

2.8 In de loop van 2001 zijn er geschillen gerezen over de uitvoering van de koopovereenkomst. Nadat Brittijn conservatoir beslag had gelegd op de voorraad, inventaris en bankrekeningen van Bi-Circle, hebben partijen een regeling getroffen, die is vastgelegd in een door Bi-Circle opgestelde, door Brittijn voor akkoord ondertekende brief van 30 november 2001, waaruit de navolgende passages worden geciteerd:

“Met betrekking tot artikel 3 wordt de inventarisatie geacht te zijn bepaald en de waardering geacht te zijn uitgevoerd met de reeds door Bi-Circle Brittijn Nijmegen vof gedane betaling ad ƒ 525.000,- (waarvan ƒ 375.000,- door de V.O.F. voldaan en ƒ 150.000,- d.m.v. de in art. 4 genoemde lening) waaraan wordt toegevoegd een bedrag ad ƒ 56.595,48, waarmee derhalve nog een bedrag van ƒ 56.595,48 zal worden voldaan.

(…)

De in artikel 4 genoemde renteloze lening dient zodanig te worden uitgelegd dat aflossing in 5 jaarlijkse gelijke termijnen ultimo 1 januari 2006 dient plaats te vinden. De eerste aflossing zal op 1 januari 2002 plaats vinden.”

2.9 E is op 1 januari 2002 uitgetreden als vennoot van Bi-Circle en opgevolgd door Bi-Circle Breda.

2.10 De eerste termijn van de renteloze lening van ƒ 30.000,-

(€ 13.613,41) heeft Bi-Circle in juni 2002 voldaan.

2.11 Partijen hebben in 2002 onderhandeld over de voorwaarden van de renteloze lening van ƒ 15.000,-. Zij hebben geen overeenstemming over de voorwaarden bereikt.

2.12 Brittijn heeft Bi-Circle gesommeerd de tweede termijn van

€ 13.613,41 te betalen. Bi-Circle heeft niet betaald, waarna Brittijn beslag heeft gelegd op de voorraad, inventaris en bankrekeningen van Bi-Circle, E en X.

2.13 Bi-Circle, X, E en Bi-Circle Breda hebben vervolgens in een kort geding voor de voorzieningenrechter te Breda opheffing van het beslag gevorderd. De voorzieningenrechter heeft het beslag op de voorraad en de inventaris bij vonnis van 26 maart 2003 opgeheven, maar de voorziening ten aanzien van de beslagen bankrekeningen geweigerd. De rechtbank citeert uit het vonnis de navolgende overwegingen:

“Uit artikel 3 van de koopovereenkomst en uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat partijen de hoogte van de koopsom hebben willen laten afhangen van de waarde van de over te nemen voorraad. De tegenvordering van E c.s. ten bedrage van ƒ 289.526,40 is gebaseerd op de stelling dat uit gegevens die hun in oktober 2002 zijn overgelegd, blijkt dat de overgenomen onderneming in 2000 een aanzienlijk lagere omzet heeft gedraaid dan opgemaakt kan worden uit de gegevens welke zij in augustus 2000 van Brittijn hebben ontvangen. Daargelaten de vraag of de vergelijking in omzet wel klopt, hetgeen Brittijn gemotiveerd heeft bestreden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat E c.s. onvoldoende hebben aangevoerd waarom een lager uitgevallen omzet over 2000 van invloed zou zijn op de overnamesom. In de vaststellingsovereenkomst noch in de koopovereenkomst wordt de omzet van de over te nemen onderneming op enigerlei wijze genoemd, of daarnaar verwezen, als een factor die van invloed is op de overnamesom. Hieruit volgt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat er contractueel geen grondslag lijkt te zijn voor de tegenvordering.”

3. Het geschil

In conventie en reconventie

3.1 Brittijn heeft, nadat zij daarvoor verlof van de voorzieningenrechter te Breda had gekregen, conservatoir beslag gelegd op de voorraad en inventaris van Bi-Circle en op de bankrekeningen van Bi-Circle, X en E bij de Postbank N.V. en die van E bij F. van Lanschot Bankiers N.V.. De voorzieningenrechter te Breda heeft het beslag op de voorraad en de inventaris bij vonnis van 26 maart 2003 opgeheven, maar de voorziening ten aanzien van de beslagen bankrekeningen geweigerd.

3.2 Samengevat weergegeven vordert Brittijn in conventie dat de rechtbank in een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de overeenkomst van renteloze lening tussen Brittijn en X en E ontbindt, voorzover niet reeds buitengerechtelijk ontbonden, en X en E hoofdelijk, althans Bi-Circle, veroordeelt tot betaling van € 54.453,63, althans te verminderen met het bedrag van de achterstelling van € 34.035,- , althans tot betaling van € 13.613,41, te vermeerderen met wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van het geding, de kosten van het beslag daaronder begrepen.

3.3 Brittijn stelt dat Bi-Circle c.s. hun verplichtingen uit de overeenkomst van renteloze geldlening niet zijn nagekomen, dat zij daarom gerechtigd is de leningsovereenkomst te ontbinden of laten ontbinden door de rechter en dat zij daarom recht heeft op het uitstaande saldo van € 54.453,63.

3.4 Brittijn is met ING een achterstelling overeengekomen voor

€ 34.035,-. Zij wenst de afspraak met ING netjes af te wikkelen en heeft daarom de overeenkomst van achterstelling opgezegd tegen 7 oktober 2004, waarop ING heeft gereageerd met de mededeling dat zij niet toestemt in het opeisen van de achtergestelde lening. Voorzover het standpunt van ING meebrengt dat het uitgeleende bedrag tot € 34.035,- nog niet opeisbaar is, dient het gevorderde met dit bedrag te worden verminderd, met dien verstande dat de rechtbank dit bedrag dient toe te wijzen onder de voorwaarde dat ING de achterstelling vrijgeeft of dat de achterstelling is beëindigd. Meer subsidiair vordert Brittijn van Bi-Circle c.s. betaling van de tweede termijn van € 13.613,41.

3.5 Bi-Circle c.s. voeren in conventie gemotiveerd verweer.

3.6 Bi-Circle c.s. vorderen in reconventie dat de rechtbank in een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de gevolgen van de koopovereenkomst van december 2000 en de vaststellingsovereenkomst van 30 november 2001 conform artikel 6:230 lid 2 j° artikel 2:228 BW aldus wijzigt dat de koopsom wordt verminderd met € 126.000,-, zodat daarmee het nadeel voor Bi-Circle c.s. door de onjuiste voorstelling van zaken door Brittijn over de omzet wordt weggenomen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 november 2001 (de rechtbank verandert dat in 1 december 2001) en de kosten van het geding in reconventie.

3.7 Bi-Circle stellen dat Brittijn hen onjuist heeft geïnformeerd over de omzet van de groothandel over 2000. De belastingadviseur van Brittijn, F van Winkes belastingadviseurs, heeft in een brief van

6 juni 2000 de omzet van de groothandel over 1999 becijferd op

ƒ 3.788.864, terwijl uit een door Brittijn in oktober 2002 aan Bi-Circle gezonden overzicht van de omzet van de groothandel over 2000 blijkt dat deze slechts ƒ 2.185.891,- bedroeg. Als X en E zouden hebben geweten dat de omzet over 2000 zoveel lager was dan die over 1999, hadden zij de koopovereenkomst niet gesloten. Zij beroepen zich daarom op dwaling en vorderen opheffing van het nadeel door vermindering van de koopsom met € 126.000,-.

3.8 Brittijn voert in reconventie gemotiveerd verweer.

4. De beoordeling

In conventie en reconventie

4.1 De onder de Postbank en Van Lanschot gelegde conservatoire derdenbeslagen zijn gelegd met inachtneming van de wettelijke vereisten en termijnen. Het beslag op de voorraad en inventaris is door de voorzieningenrechter te Breda opgeheven.

4.2 In conventie vordert Brittijn in essentie van Bi-Circle en dier huidige vennoot X en voormalige vennoot E terugbetaling van de renteloze lening, voorzover nog niet terugbetaald. Het gaat om

€ 54.453,65 (ƒ 120.000,-).

4.3 In artikel 4 koopovereenkomst is bepaald dat de voorwaarden waaronder de lening wordt verstrekt vóór 31 december 2000 nader zouden worden bepaald. Dit is echter niet gebeurd. In de brief van 30 november 2001, waarin partijen hun in 2001 gerezen geschillen hebben bijgelegd, is bepaald dat aflossing in 5 jaarlijkse gelijke termijnen ultimo 1 januari 2006 dient plaats te vinden en dat de eerste aflossing op 1 januari 2002 zou plaats vinden. Partijen hebben daarna nog zonder succes over een concept notariële akte van geldlening onderhandeld. De afspraken in de koopovereenkomst en in de vaststellingsovereenkomst van 30 november 2001 zijn voldoende concreet om vast te stellen dat Bi-Circle verplicht is de lening in vijf jaarlijkse termijnen van € 13.613,41

(ƒ 30.000,-) terug te betalen.

4.4 Bi-Circle heeft de termijn die opeisbaar werd op 1 januari 2003 niet aan Brittijn betaald. Brittijn heeft haar in gebreke gesteld tegen 24 januari 2003 en daarna de overeenkomst van renteloze geldlening buitengerechtelijk ontbonden. Zij stelt dat daardoor de nog uitstaande hoofdsom ineens opeisbaar is geworden.

4.5 De rechtbank overweegt dat de renteloze geldlening is overeengekomen als onderdeel van de afspraken over de overname van de groothandel, zoals vastgelegd in de koopovereenkomst. Zie de eerste zin van artikel 4: “als onderdeel van de koop- en verkoopovereenkomst zal verkoper een renteloze lening verstrekken aan koper voor een bedrag van ƒ 150.000,-.“ In artikel 12 lid 2 koopovereenkomst hebben partijen afstand gedaan van hun recht de overeenkomst te ontbinden. Dit betekent dat de vordering tot ontbinding van de overeenkomst van renteloze geldlening zal worden afgewezen. Dit betekent ook dat de overige vorderingen, voorzover zij strekken tot betaling van een bedrag dat hoger is dan de opeisbare tweede termijn van € 13.613,41, zullen worden afgewezen. Een andere grondslag dan ongedaanmaking na ontbinding is immers niet gesteld.

4.6 Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet behoeft te beslissen over het aspect van de achterstelling van de lening ten opzichte van de vordering van ING. Dit aspect speelt immers eerst bij de derde termijn van € 13.613,41 (ƒ 30.000,-), die inmiddels overigens opeisbaar is geworden op 1 januari 2004. De totale lening is € 68.067,03 (ƒ 150.000,-); de helft is achtergesteld

(€ 34.033,51, ƒ 75.000,-); na betaling van twee termijnen resteert er nog een schuld van € 40.840,22 (ƒ 90.000,-); zou de derde termijn van € 13.613,41 (ƒ 30.000,-) geheel worden betaald, dan zou een gedeelte van 6.806,70 (ƒ 15.000,-) het achtergestelde gedeelte betreffen. Op grond van de akte van achterstelling zou dit gedeelte eerste opeisbaar worden als Bi-Circle geen schulden meer heeft aan ING. In deze procedure heeft Brittijn gevorderd dat de rechtbank de vordering, voorzover betrekking hebbende op het achtergestelde gedeelte, zou toewijzen onder de voorwaarde dat ING de vrijstelling vrijgeeft of de achterstelling is beëindigd. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij er niet voor zou hebben gevoeld een dergelijke voorwaardelijke veroordeling uit te spreken. De vervulling van de voorwaarde is immers gezien de correspondentie met ING te onzeker: ING houdt Brittijn blijkens de overgelegde brieven van 1 en 8 oktober 2003 ondubbelzinnig aan de overeengekomen achterstelling. De achterstelling is verleend ten behoeve van Bi-Circle en haar vennoten. Dit brengt mee dat het achtergestelde gedeelte ook niet van de vennoten kan worden gevorderd.

4.7 De tweede termijn van € 13.613,41 komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking. Bi-Circle c.s. stellen echter dat deze vordering door verrekening met de door hen gestelde tegenvordering van

€ 126.000,- teniet is gegaan.

4.8 Dit brengt de rechtbank bij de vraag of Bi-Circle c.s. met recht een beroep doen op dwaling (artikel 6:228 BW). Zij stellen dat Brittijn hen onjuist heeft geïnformeerd over de omzet door in de zomer van 2000 een cijferopstelling te presenteren, waaruit een omzet van de groothandel over 1999 van ƒ 3.788.864 bleek, terwijl de omzet van de groothandel over 2000 ƒ 2.185.891,- bedroeg, zo bleek eerst in oktober 2002. Dit laatste cijfer is door Brittijn overigens betwist: volgens haar bedroeg de omzet van de groothandel over 2000 ƒ 3.023.652,-. Bi-Circle c.s. stellen dat Brittijn wist dat de omzet over 2000 belangrijk achterbleef bij die over 1999 en dat zij Bi-Circle c.s. daarover had moeten informeren.

4.9 De rechtbank overweegt - met de voorzieningenrechter te Breda - dat op grond van artikel 3 koopovereenkomst de koopsom van de groothandel van Brittijn werd bepaald door de inkoopprijs van de voorraad. De omzet speelde voor de vaststelling van de koopsom geen rol. De rechtbank begrijpt niettemin dat de interesse van een koper van een onderneming onder druk staat, als de omzet van de over te nemen onderneming vlak voor de overname wezenlijk terugloopt, waarbij het niet uitmaakt of de koopsom nu wel of niet aan de omzet is gerelateerd. Als Bi-Circles stelling dat de omzet van de groothandel over 2000 zeer sterk achterbleef bij die van 1999, juist zou zijn - en zij wordt gemotiveerd betwist door Brittijn - en als daardoor aangenomen zou moeten worden dat X en E de koopovereenkomst op basis van een onjuiste voorstelling van zaken hebben gesloten, verwerpt de rechtbank niettemin het beroep op dwaling, omdat de dwaling voor rekening van X en E, en daarmee ook van Bi-Circle, dient te blijven. X was immers bedrijfsleider van Brittijn. Tijdens de comparitie van partijen van 28 oktober 2003 heeft X verklaard dat hij als bedrijfsleider inzicht had in de omzetcijfers van Brittijn en daarvan wekelijks op de hoogte werd gehouden, ook eind 2000 tijdens de onderhandelingen over de overname van de groothandel. Hij wist daarom de actuele omzetcijfers of had daarvan op de hoogte behoren te zijn. Zijn kennis dient toegerekend te worden aan E en Bi-Circle. Deze omstandigheid staat in de weg aan een geslaagd beroep op dwaling.

4.10 Het voorgaande betekent voor de vordering in conventie dat de rechtbank het beroep op verrekening verwerpt. De vordering tot betaling van € 13.613,41 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2003. De rechtbank legt het petitum zo uit dat Bi-Circle, X en E hoofdelijk tot betaling van dit bedrag zullen worden veroordeeld. Brittijn vordert van Bi-Circle Breda niets. De buitengerechtelijke incassokosten zullen conform het rapport Voor-werk worden toegewezen tot een bedrag corresponderend met twee punten van het liquidatietarief, geldend voor het toegewezen bedrag, te weten

€ 780,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2003. Bi-Circle, X en E zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen in de kosten van het geding in conventie worden veroordeeld.

4.11 Het voorgaande betekent ook dat de vordering in reconventie zal worden afgewezen, met veroordeling van Bi-Circle c.s. in de kosten van het geding in reconventie.

De beslissing

de rechtbank

in conventie

1. veroordeelt Bi-Circle, X en E tot betaling aan Brittijn van een bedrag van € 13.613,41 (zegge: dertienduizend zeshonderddertien euro 41/100), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2003, waarbij geldt dat voorzover de een heeft betaald, ook de andere zijn bevrijd,

2. veroordeelt Bi-Circle, X en E tot betaling aan Brittijn van een bedrag van € 780,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2003,

3. veroordeelt Bi-Circle, X en E in de kosten van het geding in conventie, tot op heden aan de zijde van Brittijn begroot op € 1.538,94 wegens verschotten (€ 990,- griffierecht en

€ 548,94 explootkosten) en op € 780,- voor salaris procureur,

4. verklaart het onder 1, 2 en 3 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,

5. wijst af het anders of meer gevorderde,

in reconventie

6. wijst de vordering af,

7. veroordeelt Bi-Circle, X, E en Bi-Circle Breda in de kosten van het geding in reconventie, tot op heden begroot aan de zijde van Brittijn op € 390,- voor salaris procureur,

8. verklaart het onder 7 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 10 maart 2004.

de griffier de rechter