Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO8419

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/1212
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling 19, lid3, WRO en 20, lid 1 Bro voor uitbreiding woonhuis. Ondanks forse uitbreiding ontstaat door natuurlijk verloop van het terrein geen onevenredige aantasting van de belangen van de buren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 03/1212

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

1. [eiseres 1] en

2. [eiseres 2], eiseressen,

wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum, verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.M.A. Delissen-Buijnsters.

alsmede

[vergunninghouder], wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. H. van Ravenhorst, vergunninghouder, partij ex artikel 8:26 van de Awb.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 april 2003, verzonden 17 april 2003.

2. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2002 heeft verweerder aan vergunninghouder bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel [adres].

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiseres sub 1 (tijdig) ingediende bezwaar gegrond verklaard, het eerder genoemde besluit herroepen en alsnog de gevraagde bouwvergunning verleend onder gelijktijdige verlening van vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) juncto artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a ten eerste, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (verder: Bro).

Tegen dit besluit is door eiseressen (tijdig) beroep ingesteld. Vergunninghouder heeft zich doen stellen als partij in het geding en namens hem is een uiteenzetting ingediend. Door verweerder is een verweerschrift en, desgevraagd, een nader stuk ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 2 april 2004. Eiseres sub 1 is aldaar in persoon verschenen, vergezeld van haar echtgenoot. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. C.M.A. Delissen-Buijnsters, advocaat te Arnhem en J. Rutjes, ambtenaar der gemeente. Vergunninghouder is in persoon verschenen met bijstand van mr. H. Van Ravenhorst, advocaat te Arnhem.

3. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van eiseres sub 2 overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de stukken is de rechtbank gebleken dat eiseres sub 2 geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 30 september 2002. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit. Niet is gebleken dat eiseres sub 2 redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt geen bezwaar te hebben gemaakt tegen bedoeld besluit. Hieraan kan niet afdoen dat bij het bestreden besluit alsnog vrijstelling ingevolge artikel 19 van de WRO is verleend, omdat zij als gevolg van deze vrijstelling niet in een ongunstiger positie is gebracht dan als gevolg van het primaire besluit zelf. Derhalve staat voornoemd artikel eraan in de weg dat eiseres sub 2 in haar beroep kan worden ontvangen. De rechtbank zal haar beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van inhoudelijke kant van het beroep overweegt de rechtbank als volgt.

Het bouwplan heeft betrekking op een inpandige verbouwing van een woning aan de [adres], alsmede op de uitbreiding van die woning aan de achterzijde met circa 106 m². Ter zitting is gebleken dat het bouwplan reeds is uitgevoerd.

Eiseres sub 1 (hierna als eiseres aangeduid) is woonachtig op het aangrenzende perceel. Zij verzet zich in hoofdzaak tegen het bestreden besluit vanwege de grote omvang van het bouwplan dat nagenoeg het gehele (oorspronkelijke) kadastrale perceel omvat, de aantasting van haar privacy en de grote afwijkingen van het bestemmingsplan. Verder stelt zij zich op het standpunt dat verweerder de bouwvergunning en vrijstelling in strijd met de eigen beleidsregels heeft verleend. Daarnaast heeft zij nog diverse bezwaren van formele en procedurele aard aangevoerd.

Ingevolge artikel VII van de Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet, is, voor zover hier van belang, op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, die is ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling van deze wet (1 januari 2003), het recht van toepassing zoals dat gold op de dag waarop die aanvraag is ingediend (in casu 18 juli 2002). Reeds om deze reden zijn de door eiseres bedoelde ‘Beleidsregels toepassing artikel 19, lid 3 van de Wro juncto artikel 20 BRO', vastgesteld bij besluit van 10 februari 2003 en in werking getreden op 16 mei 2003, niet op het bouwplan van toepassing, zodat de rechtbank de stellingen van eiseres in dit opzicht onbesproken kan laten.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de onderhavige uitbreiding in strijd is met het geldende bestemmingsplan ‘Oosterbeek 1983’ (verder: het bestemmingsplan), onder meer omdat het gedeeltelijk buiten het op de plankaart aangegeven bouwblok is gesitueerd. Verweerder heeft voormelde strijdigheid opgeheven door het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO juncto artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1?, van het Bro.

Laatstgenoemd artikelonderdeel bepaalt dat voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, lid 3, WRO in aanmerking komt een uitbreiding van- of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Op grond van inmiddels vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) moet worden vastgesteld dat in dit artikel, afgezien van het aantal woningen, geen restricties zijn gesteld (vgl. o.m. de uitspraak van 5 december 2001, AB 2002/92 en BR 2002/240). Anders dan eiseres meent staat de mate van ondergeschiktheid van de uitbreiding ten opzichte van het woongebouw, noch de omvang waarin het perceel als gevolg van die uitbreiding is bebouwd, in de weg aan toepassing van genoemde vrijstellingsbepaling. De omstandigheid dat vergunninghouder na indiening van het bouwplan door aankoop van een tweetal percelen zijn eigen perceel heeft vergroot is in dit verband derhalve niet relevant.

Het voorgaande betekent mitsdien dat de betreffende voorschriften van het bestemmingsplan - anders dan eiseres lijkt te menen - geen rol meer spelen bij de beoordeling van onderhavig bouwplan. Beoordeeld dient slechts te worden of verweerder bij afweging van de in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid tot de onderhavige bouwvergunning met vrijstelling heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met het geschreven of ongeschreven recht.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat haar niet is gebleken dat het bouwplan zodanige nadelige gevolgen voor eiseres heeft, dat verweerder niet in redelijkheid de belangen van vergunninghouder bij realisering van het bouwplan heeft kunnen laten prevaleren boven die van eiseres. Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige uitbreiding, gezien de natuurlijke, trapsgewijs aflopende, ligging van het betreffende perceel, goeddeels onder het peil van het maaiveld van de hoofdbebouwing is gesitueerd. Als gevolg hiervan en mede gezien de aanwezigheid van beplanting, dan wel de mogelijkheid tot het plaatsen van een vergunningvrije erfafscheiding, moet het uitzicht op de uitbreiding van de zijde van eiseres beperkt worden geacht en moet de aantasting van haar privacy als minimaal worden aangemerkt. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd niet kunnen aangeven in welk opzicht haar belangen in dit verband onevenredig zouden zijn geschaad.

De rechtbank voegt hieraan nog toe dat krachtens de voorschriften van het geldende bestemmingsplan evenzeer een aanzienlijke uitbreiding van het woonhuis, alsmede de oprichting van bijgebouwen binnen de bestaande bebouwingsgrenzen, tot de mogelijkheden zou hebben behoord, zodat het door eiseres gestelde ingrijpende karakter van de onderhavige uitbreiding enigszins dient te worden gerelativeerd.

De stelling van eiseres dat als gevolg van het bouwplan een waardevermindering van haar woning optreedt, acht de rechtbank niet genoegzaam onderbouwd, zodat hieraan in dit verband moet worden voorbijgegaan. Het staat haar overigens vrij bij verweerder ter zake een verzoek om planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de WRO in te dienen.

Uit de stukken blijkt voorts dat de welstandscommissie een positief oordeel heeft gegeven over het bouwplan en dat door eiseres ter zake geen deskundig tegenadvies in het geding is gebracht. Aan de bezwaren van eiseres in dit opzicht - dat het bouwplan qua maat en schaal niet passend is in de omgeving - dient dan ook eveneens voorbij te worden gegaan.

Ook de stelling van eiseres dat verweerder had dienen te motiveren waarom een alternatieve vormgeving van het bouwplan niet mogelijk is, kan niet slagen. Verweerder moet een beslissing nemen over het bouwplan zoals dat bij hem is ingediend. Indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat met verwezenlijking van één van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (zie de uitspraak van de AbRS van 27 februari 1997, Gst. 7067, nr. 7). Niet aannemelijk is geworden dat zulk een geval zich hier voordoet.

Hetgeen door eiseres in formeel en procedureel opzicht nog is aangevoerd heeft de rechtbank niet tot het oordeel kunnen brengen dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking zou moeten komen. De rechtbank volstaat in dit verband met de constatering dat naar haar oordeel bij de totstandkoming van het bestreden besluit geen sprake is geweest van zodanige schending van een of meer wettelijke voorschriften, dat eiseres hierdoor wezenlijk in haar belangen zou zijn geschaad. Evenmin is gebleken dat verweerder bij de verlening van de onderhavige vrijstelling niet zonder vooringenomenheid te werk zou zijn gegaan.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

Nu ten slotte niet is gebleken dat zich voor het overige een of meer weigeringsgronden als bedoeld artikel 44 van de Woningwet voordoen, komt het bestreden besluit niet voor vernietiging in aanmerking. Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep van eiseres sub 1 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep van eiseres sub 2 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2004, in tegenwoordigheid van mr. drs. C.M. van der Vlies als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:

Coll: