Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO8415

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/761
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Primair besluit terecht alleen aan eiser bekend gemaakt, nu het verweerder voor het nemen van dat besluit niet kenbaar was en ook niet kon zijn, dat namens eiser een gemachtigde optrad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 03/761

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door ir. T.J. Korevaar,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 maart 2003.

2. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2002 heeft verweerder eiser aangeschreven een aantal in dat besluit met name genoemde bouwwerken van het perceel kadastraal bekend [A], binnen 5 weken na verzending van de aanschrijving te verwijderen en verwijderd te houden en de opgehoogde grond in de oorspronkelijke staat terug te brengen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 8 maart 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door ir. T.J. Korevaar, werkzaam bij Rentmeesterskantoor Korevaar te Ellecom. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door E.A. Hendriks-Slijkhuis, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

De rechtbank constateert allereerst dat verweerder bij het bestreden besluit naast de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser, heeft besloten de met het besluit van 20 juni 2002 opgelegde dwangsom te matigen tot € 3000,00 en over te gaan tot restitutie van het bedrag van € 3000,00 dat reeds door hem was betaald.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de beslissing omtrent de matiging van de dwangsom en de restitutie van het teveel betaalde bedrag te worden aangemerkt als een nieuw primair besluit waartegen, alvorens beroep kan worden ingesteld, eerst bezwaar dient te worden gemaakt. De rechtbank overweegt daartoe dat de niet-ontvankelijkver- klaring van het bezwaar van verweerder er aan in de weg staat dat verweerder nog inhoudelijk op dat bezwaar beslist. De beslissing ten aanzien van de dwangsom en de restitutie kan dan ook niet anders dan als een na de beslissing op bezwaar genomen nieuw besluit in primo worden beschouwd.

Het beroep voorzover gericht tegen de matiging van de dwangsom moet mitsdien niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank zal het beroepschrift voorzover dat betrekking heeft op de matiging van de dwangsom, ter behandeling als bezwaarschrift doorsturen naar verweerder.

In het onderhavige geding moet worden beoordeeld of verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 20 juni 2002 terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Aan het besteden besluit ligt ten grondslag dat, hoewel er wel enige gebreken kleven aan de totstandkoming van het besluit van 20 juni 2002, het bezwaar niet-ontvankelijk is, aangezien het niet tijdig is gemaakt en er geen sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan eiser redelijkerwijs moet worden geacht niet in verzuim te zijn geweest.

In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn gemachtigde, de heer Korevaar, pas na het opleggen van de dwangsom op de hoogte is gesteld van het primaire besluit van 20 juni 2002, terwijl de gemachtigde op 19 juni 2002 nog met verweerder over de kwestie heeft gecorrespondeerd.

Als gevolg van de door verweerder vrijwel gelijktijdig verzonden brief van 19 juni 2002 en het besluit van 20 juni 2002, is er volgens eiser tussen hem en zijn gemachtigde een misverstand ontstaan waardoor de gemachtigde zijn cliënt niet tijdig en adequaat kon instrueren.

Voorts had verweerder naar eisers mening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de begunstigingstermijn moeten opschorten toen hem duidelijk werd dat eiser geen tijdige actie ondernam, omdat verweerder verzuimd heeft de gemachtigde op de hoogte te stellen en eiser dacht dat de brief van 19 juni 2002 en het besluit van 20 juni 2002 dezelfde stukken waren.

Verder heeft eiser gesteld dat, toen eenmaal bleek dat de aanschrijving voldoende duidelijk was, hij door zijn gemachtigde is geadviseerd daaraan te voldoen, hetgeen hij heeft gedaan. Zodoende bestond er geen aanleiding om voor 9 augustus 2002 bezwaar te maken, maar is er contact opgenomen met verweerder over de verbeurdverklaring van de dwangsom en het passeren van zijn gemachtigde.

Door vakanties was het niet mogelijk eerder dan 9 september 2002 een bezwaarschrift in te dienen, aldus eiser. Voorts heeft eiser aangegeven dat verweerder in de periode van overleg van 21 tot en met 30 augustus 2002 de inning van de dwangsom wel heeft opgeschort, maar dat hij niet heeft gewezen op de nog openstaande rechtswegen en deze zelfs heeft gefrustreerd door te ontkennen dat de heer Korevaar als zijn gemachtigde optrad. Een ontkenning welke later is herroepen.

Eiser heeft daarnaast nog aangevoerd dat het tot de afronding van het overleg met verweerder op 30 augustus 2002, ook niet mogelijk was een voldoende beargumenteerd bezwaarschrift in te dienen omdat daarvoor een nadere toelichting op het handelen van verweerder nodig was.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Volgens artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Volgens artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met een bestuursorgaaan laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Op een perceel van eiser bevinden zich een stacaravan en andere bouwwerken ten dienste van recreatief verblijf. Volgens verweerder is een en ander in strijd met het geldende bestemmingsplan en heeft hij eiser met de brief van 12 februari 2002 gewaarschuwd dat hiertegen zal worden opgetreden.

Nadat over deze aangelegenheid al in april 2002 telefonisch contact was geweest met de heer Korevaar heeft deze zich hierover met het schrijven van 6 mei 2002 tot verweerder gericht. Verweerder heeft vervolgens met de brief van 19 juni 2002 de heer Korevaar geantwoord en met het besluit van 20 juni 2002 eiser aangeschreven de betreffende bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van verbeuring van een dwangsom van € 3000,00 per week.

Met de brief van 21 juni 2002 heeft de heer Korevaar namens eiser verweerder bericht dat de stacaravan is verplaatst en dat eiser er op vertrouwt dat hiermede gehoor is gegeven aan de waarschuwing van 12 februari 2002. Daarop heeft verweerder de heer Korevaar geschreven dat eiser slechts gedeeltelijk aan de waarschuwing heeft voldaan en dat het besluit van 19 juni 2002 niet wordt herroepen.

Nadat de heer Korevaar contact had gehad met een lid van verweerders college over zijn optreden als gemachtigde van eiser en over het handhavingsbesluit, heeft deze hem met het schrijven van 23 augustus 2002 nader bericht. De heer Korevaar heeft vervolgens met de gefaxte brief van 26 augustus 2002 hierop gereageerd, waarop een reactie volgde van bedoeld lid van 30 augustus 2002.

Vervolgens heeft de heer Korevaar namens eiser met de brief van 9 september 2002 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 juni 2002. Hij heeft daarbij tevens een machtiging overgelegd.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, zie de uitspraken van 23 mei 2001, JB2001/179, van 11 november 2003, nr. 00/3086, 3087, 3088 NABW en van 25 november 2003, 02/1351 NABW,

vloeit uit het bepaalde in artikel 2:1, eerste lid, van de Awb onder meer voort dat, indien een bestuursorgaan weet heeft van het optreden voor de belanghebbende van een gemachtigde in een bepaalde zaak, de toezending van een besluit in die zaak uitsluitend aan de belangheb- bende, normaliter tot gevolg zal hebben dat dat besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Uit bedoelde rechtspraak volgt dat een verplichting van het bestuursorgaan tot het toezenden van stukken aan een ander dan de belanghebbende uitsluitend kan worden aangenomen indien het bestuursorgaan door of door toedoen van de belanghebbende zelf ervan op de hoogte is gesteld dat in de betreffende zaak voor hem of haar een gemachtigde optreedt. Deze opvatting waarborgt tevens het grondrecht op privacy en de vrijheid van een ieder zich in het verkeer met een bestuursorgaan al dan niet te laten vertegenwoordigen door een (bepaalde) gemachtigde.

De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, verweerder niet kenbaar was en ook niet kenbaar kon zijn dat de heer Korevaar als gemachtigde van eiser optrad. In de periode voorafgaande aan het nemen van het primaire besluit van 20 juni 2002 heeft hij zich niet als de gemachtigde van eiser gepresenteerd.

Weliswaar heeft de heer Korevaar met verweerder in april en mei 2002 zowel telefonisch als schriftelijk contact gehad, maar de rechtbank is niet gebleken dat hij daarbij als gemachtigde van eiser is opgetreden.

Daar komt nog bij dat, gelet op de adviespraktijk van de heer Korevaar, verweerder het heel wel er voor heeft kunnen houden dat hij zich in de kwaliteit van adviseur met betrekking tot bedoelde aanschrijving tot hem wendde.

Eerst met het schrijven van 21 juni 2002 heeft de heer Korevaar verweerder met zoveel woorden te kennen gegeven dat hij hem namens eiser van een en ander mededeling doet.

Uit het bovenstaande volgt dat verweerder terecht het besluit van 20 juni 2002 alleen aan eiser en niet ook aan de heer Korevaar, heeft gezonden. De termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb heeft dan ook op 21 juni 2002 een aanvang genomen en is derhalve op 1 augustus 2002 geeïndigd.

Het bezwaarschrift van 9 september 2002 is op 10 september 2002, derhalve na afloop van de bezwaartermijn, door verweerder ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijk- verklaring daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

In hetgeen zijdens eiser in beroep is aangevoerd heeft de rechtbank geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest.

De rechtbank overweegt daartoe dat het op de weg van eiser lag om terzake van de beweerdelijke, door het vrijwel gelijktijdig verzenden van de brief van 19 juni 2002 en het primaire besluit, ontstane verwarring bij verweerder duidelijkheid te verkrijgen. Daarnaast ligt het voor de hand dat er tussen eiser en de heer Korevaar over die corres- pondentie contact plaatsvindt en dat mogelijke misverstanden dan uit de weg kunnen worden geruimd.

Voorts had eiser om de bezwaartermijn te sauveren, bezwaar op nader in te dienen of aan te vullen gronden kunnen maken. Vervolgens had dan na de vakantie en na afronding van het overleg met verweerder, indiening dan wel aanvulling van de bezwaargronden kunnen plaatsvinden.

Van frustratie van de rechtsgang door verweerder is de rechtbank niet gebleken. Het besluit van 20 juni 2002 bevat de bezwaarclausule, zodat eiser duidelijk was binnen welk termijn hij waar bezwaar kon maken tegen het besluit van 20 juni 2002.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep, voor zover betrekking hebbend op de niet-ont- vankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2002, ongegrond;

verklaart het beroep tegen de matiging van de dwangsom, niet-ont-vankelijk en bepaalt dat het beroepschrift voor zover betrekking hebbend op de matiging ter behandeling als bezwaarschrift wordt doorgezonden naar verweerder.

Aldus gegeven door mr. W.F. Bijloo, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2004, in tegenwoordigheid van R. van Diest als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 13 april 2004.