Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO8414

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
00/2298 en 02/2081 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAO-zaak. Vanwege inkomsten wordt uitkering niet volledig uitbetaald. Rechtbank stelt zelf de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Reg.nrs.: 00/2298 en 02/2081 WAO

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.F. van Willigen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van

I. 7 november 2000, en

II. 23 augustus 2002,

beide uitgereikt door (thans) kantoor Arnhem van het UWV.

2. Procesverloop

Ten aanzien van besluit I.

Bij besluit van 18 mei 2000 heeft verweerder bepaald dat eisers uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingevolge het bepaalde in artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 september 1999 wordt uitbetaald als ware eiser voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt.

Bij besluit van 25 mei 2000 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de uitkering die eiser over de periode van 1 september 1999 tot 1 juni 2000 ontving ten dele onverschuldigd is betaald en dat daarom een bedrag van f 3.406,73 wordt teruggevorderd.

Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit I heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de eerdergenoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen besluit I heeft eiser beroep bij de rechtbank ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingediende stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Ten aanzien van besluit II.

Bij besluit van 1 juni 2001 heeft verweerder bepaald dat eiser per 1 januari 2001 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is, en dat eisers uitkering per 1 januari 2001 ongewijzigd dient te worden uitbetaald als ware eiser voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Het bezwaar is slechts gericht tegen het besluit betreffende de uitbetaling van eisers uitkering. Bij besluit II heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het eerdergenoemde besluit gehandhaafd.

Tegen besluit II heeft eiser beroep bij de rechtbank ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingediende stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Ten aanzien van beide besluiten.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank van 3 juni 2003. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol, werkzaam bij het kantoor van UWV te Arnhem. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Partijen hebben hun standpunten schriftelijk nader toegelicht.

De beroepen zijn vervolgens behandeld ter zitting van de rechtbank van 7 april 2004. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. Van Willigen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol.

3. Overwegingen

Aan de bestreden besluiten ligt een vergelijking van het maatmanloon met de door eiser genoten inkomsten ten grondslag.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat zijn maatmanloon op diverse onderdelen door verweerder op een onjuiste wijze is berekend.

Met betrekking tot de na de zitting van 7 april 2004 resterende geschilpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Aantal werkdagen per jaar.

Aan de orde is de vraag of bij de omrekening van het uurloon van de maatman naar een maandloon of jaarloon uitgegaan moet worden van 260 of van 261 werkdagen in een jaar.

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat uitgegaan moet worden van 261 werkdagen in een jaar. Eiser heeft onweersproken gesteld dat een jaar 260, 261 of 262 werkdagen heeft. Bovendien wordt door verweerder bij loonberekeningen dikwijls als uitgangspunt gehanteerd dat een maand gemiddeld 21,75 werkdagen telt, wat neerkomt op gemiddeld 261 werkdagen per jaar. Gelet op een en ander is de rechtbank van oordeel dat het, bij het ontbreken van een wettelijke referteperiode voor de berekening van het maatmanloon, het meest voor de hand ligt om uit te gaan van 261 werkdagen per jaar.

Vakantietoeslag en eindejaarsuitkering over schoonmaakwerkzaamheden.

In het dagloonrapport van 17 september 1990, waarin de schoonmaakwerkzaamheden als nawerkzaamheden worden aangeduid, is vermeld dat een vakantietoeslag van 8% wordt betaald over het vast loon “+ over beloning voor nawerkzaamheden”. Voorts is vermeld: “Eindejaarsuitkering 3,5% over vaste loon + over beloning voor nawerkzaamheden.” In de berekening onderaan het rapport wordt 11,5% toeslag berekend over (onder meer) de schoonwerkzaamheden, hetgeen in overeenstemming is met de hiervoor weergegeven vermeldingen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat over de schoonmaakwerkzaamheden geen vakantietoeslag en eindejaarsuitkering werd betaald en baseert zich daarbij op mededelingen van de vroegere werkgever van eiser. Uit de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga van 31 oktober 2000 en 24 juli 2002 blijkt dat in oktober 2000 en juli 2002 telefonisch informatie is ingewonnen bij die werkgever. Volgens deze telefonische informatie werd per einde wachttijd (15 november 1990) geen vakantietoeslag en eindejaarsuitkering berekend over de schoonmaakwerkzaamheden.

De rechtbank is van oordeel dat doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan het dagloonrapport van 17 september 1990. Dit rapport is opgesteld kort voor het einde van wachttijd, het bevat een gedetailleerde opgave van de verschillende loonbestanddelen en is consistent. De telefonische mededelingen zijn 10 respectievelijk 12 jaren later gedaan. Bovendien blijkt niet of die mededelingen zijn gebaseerd op het geheugen van degene die de informatie heeft verschaft of dat daaraan een onderzoek van de loonadministratie ten grondslag heeft gelegen en zo ja, wat de inhoud van dat onderzoek was.

De conclusie is derhalve dat bij de berekening van het maatmanloon vakantietoeslag en eindejaarsuitkering over de schoonmaakwerkzaamheden moet worden berekend.

Werkgeversdeel pensioen- en vutpremie.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende duidelijk is geworden dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie als volgt wordt berekend: na aftrek franchise, 5,6% over een grondslag van f 4.505,--, en 9,9% over het meerdere. Dit is in overeenstemming met de informatie van de werkgever, zoals weergegeven in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga van 31 oktober 2000 en met de door eiser in het geding gebrachte bevestiging door het Pensioenfonds Betonindustrie.

De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat bij de berekening van het maatmanloon uitgegaan moet worden van betaling door de werkgever van pensioen- en vutpremie over het schoonmaakwerk. Uit het meergenoemde dagloonrapport blijkt niet dat de werkgever pensioen- en vutpremie betaalde over de schoonmaakwerkzaamheden. Zulks blijkt evenmin uit de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga. Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de werkgever premies betaalde over het schoonmaakwerk of dat eiser recht daarop had.

Berekening maatmanloon en fictieve mate van arbeidsongeschiktheid.

Uit de stukken blijkt dat het maatmanuurloon per februari 1994 f 16,93 bedroeg. Dat is derhalve f 16,93 x 8 x 261 = f 35.349,84 per jaar, ofwel

f 2.945,82 per maand. Geïndexeerd naar september 1999 (129/112,8) bedraagt het maandloon f 3.368,89, en inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuikering f 3.756,31.

Het loon voor de schoonmaakwerkzaamheden bedraagt per 1 september 1999 f 887,28 per maand, uitgaande van f 8.350,-- per jaar in februari 1994, vakantietoeslag en eindejaarsuitkering en indexering naar september 1999.

In september 1999 bedraagt het jaarsalaris van de maatman, exclusief schoonmaakwerk, 12 x f 3.756,31 = f 45.075,72. Na aftrek van de franchise van f 36.471,-- resteert een grondslag van f 8.604,72. Over een deel van f 4.505,-- bedraagt het werkgeversdeel van de pensioenpremie 5,6%, derhalve f 252,28, over het resterende deel van f 4.099,72 is de premie 9,9%, derhalve f 405,87. De pensioenpremie bedraagt in totaal

f 658,15 per jaar, dus f 54,85 per maand.

Het werkgeversdeel van de vutpremie bedraagt 5,5% x (f 45.075,72 – 2,8%) = 5,5% x f 43.813,60 = f 2.409,75 per jaar, dus f 200,81 per maand.

Het maatmanloon bedraagt per 1 september 1999 in totaal f 4.899,25 per maand.

De fictieve mate van arbeidsongeschiktheid per 1 september 1999 is

(f 4.899,25 – f 1.705,28)/f 4.899,25 x 100% = 65,19%.

Geïndexeerd van 1 september 1999 naar 1 januari 2001 (135,8/129) bedraagt het maatmanloon f 5.157,51 per maand.

De fictieve mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2001 is

(f 5.157,51 – f 1.804,46)/f 5.157,51 x 100% = 65,01%.

Het voorgaande betekent dat verweerder ten onrechte heeft besloten eisers uitkering per 1 september 1999 en 1 januari 2001 uit te betalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Uitbetaling dient plaats te vinden naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bovendien heeft verweerder ten onrechte een bedrag teruggevorderd over de periode van 1 september 1999 tot 1 juni 2000.

De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld.

Eiser heeft verzocht om verweerder te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, bestaande uit

- de wettelijke rente over de door eiser op grond van het terugvorderingsbesluit van 25 mei 2000 reeds terugbetaalde bedragen (brief van gemachtigde eiser van 17 januari 2001), en

- de wettelijke rente over de bedragen die ten onrechte te laat aan hem zijn uitbetaald (brief gemachtigde eiser van 8 juli 2003).

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor zover het teruggevorderde bedrag van f 3.406,73 door eiser aan verweerder is betaald, zal verweerder vanwege de vernietiging van het besluit van 25 mei 2000 dat bedrag aan eiser moeten terugbetalen. Eiser heeft recht op vergoeding van de wettelijke rente over de door hem aan verweerder betaalde bedragen vanaf de dag van betaling door eiser tot aan de dag van terugbetaling door verweerder.

Uit de stukken volgt dat vanaf 1 juni 2000 eisers uitkering is uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Eiser heeft derhalve recht op een nabetaling over de periode vanaf 1 juni 2000. Over die nabetaling dient verweerder wettelijke rente te vergoeden, te berekenen op de wijze zoals in de vaste jurisprudentie dienaangaande is bepaald.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.

Aangezien geen sprake is van samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht omdat de beroepen op verschillende tijdstippen zijn ingesteld, kent de rechtbank voor ieder van de beroepen 1 punt toe. Gelet op de inhoudelijke samenhang tussen de zaken ziet de rechtbank aanleiding om voor het vervolg van de procedure de proceskosten te berekenen als was sprake van één zaak. Voor de zitting van 3 juni 2003 wordt 1 punt toegekend, voor de reactie van eiser op de door verweerder na de zitting van 3 juni 2003 overgelegde berekening 0,5 punt, en voor de nadere zitting van 7 april 2004 0,5 punt. De kosten van verleende rechtsbijstand worden derhalve begroot op 4 punten van € 322,--, wat in totaal een bedrag van

€ 1.288,-- oplevert.

Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Aangezien aan eiser in beide zaken een toevoeging is verleend dient het bedrag van de proceskosten te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het besluit van 7 november 2000;

- bepaalt dat eisers WAO-uitkering per 1 september 1999 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%;

- vernietigt het besluit van 25 mei 2000;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 november 2000;

- vernietigt het besluit van 23 augustus 2002;

- bepaalt dat eisers WAO-uitkering per 1 januari 2001 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 23 augustus 2002;

- veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van schadevergoeding aan eiser zoals in de overwegingen is weergegeven;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.288,-- en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat dit bedrag dient te worden betaald aan de griffier van de rechtbank, bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van Gerecht DS 533 arrondissement Arnhem, onder vermelding van registratienummers 00/2298 WAO en 02/2081 WAO;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 56,23 (f 60,-- =

€ 27,23 en € 29,--) aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2004, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: