Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO8408

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
01/1919 WAO en 03/313 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheid, WAO. Onvoldoende gemotiveerd dat geduide functies geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummers: 01/1919 WAO en 03/313 WAO

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen:

[X], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door R.J. Reijnen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 27 september 2001 (besluit 1) en van 21 januari 2003 (besluit 2), uitgereikt door UWV Gak te Nijmegen.

2. Procesverloop

Ten aanzien van besluit 1

Bij besluit van 5 december 2000 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij met ingang van 15 januari 2001 niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzeke-ring (WAO) omdat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit 1 heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat eiser per 15 januari 2001 voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld (reg.nr. 01/1919 WAO) en door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 27 juni 2002. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door R.J. Reijnen, werkzaam bij Belangenvereniging WAO en Samenlopende Wetten te Wijchen. Verweerder is niet verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 8 juli 2002 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

De rechtbank heeft op 23 juli 2003 N.J. de Mooij, psychiater, tot deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.

Psychiater De Mooij heeft een psychiatrische rapportage uitgebracht, door de rechtbank ontvangen op 28 oktober 2002.

De rechtbank heeft op 24 januari 2003 de orthopedisch chirurg P.J.M. van Loon benoemd tot deskundige voor het instellen van een onderzoek.

Op 12 mei 2003 heeft orthopedisch chirurg van Loon een rapportage uitgebracht. Bij brief van 30 juni 2003 heeft psychiater de Mooij zijn reactie hierop kenbaar gemaakt.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op de rapporten van de deskundigen te reageren.

Op verzoek heeft orthopedisch chirurg van Loon bij een ongedateerd schrijven, ingekomen op 29 oktober 2003, een reactie gegeven op de rapportage van 16 september 2003, die de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers naar aanleiding van de rapportages van beide deskundigen had opgesteld.

Op 11 november 2003 heeft eiser een zienswijze op het verslag van orthopedisch chirurg van Loon ingediend.

Bij brief van 12 januari 2004 heeft verweerder rapportages van de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers van 10 december 2003 en van de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg van 8 januari 2004 overgelegd.

Ten aanzien van besluit 2

Bij besluit van 18 april 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de WAO per 18 juni 2002 wordt ingetrokken, omdat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerdergenoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld (reg.nr. 03/313 WAO) en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Ten aanzien van besluit 1 en besluit 2

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 maart 2004. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door R.J. Reijnen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het UWV, kantoor Nijmegen.

3. Overwegingen

Ten aanzien van besluit 1

Arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is, kort weergegeven, degene die op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 85% te verdienen van het inkomen dat een met hem of haar wat betreft opleiding en arbeidservaring vergelijkbare gezonde persoon kan verwerven.

Om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen dient eerst te worden vastgesteld welke medische beperkingen eiser heeft en vervolgens wat de invloed van deze beperkingen is op zijn verdienvermogen.

Wat betreft het medische aspect van de schatting ligt aan besluit 1 ten grondslag een belastbaarheidspatroon van 11 mei 2001, opgesteld door de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick.

Uit het rapport van psychiater De Mooij blijkt dat dit belastbaarheidspatroon voor wat betreft de psychische belastbaarheid van eiser in orde is.

De orthopedisch chirurg van Loon is blijkens zijn rapportage van 12 mei 2003 van oordeel dat, in vergelijking met het belastbaarheidspatroon, voor eiser verdere beperkingen zijn aan te geven voor gebruik van nek (item 9) en werken boven schouderhoogte (item 11). Voorts volgt uit het rapport van Van Loon dat naar zijn inzicht het verrichten van werkzaamheden per 15 januari 2001 uit medisch oogpunt gedurende 4 à 5 uur per dag haalbaar is.

In zijn rapport van 16 september 2003 heeft de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers aangegeven dat hij zich kan vinden in de beoordeling dat eiser op de aspecten gebruik van de nek en werken boven schouderhoogte verdergaand beperkt is, maar dat er geen medische reden is voor het aannemen van een urenbeperking. In dit rapport is voorts het volgende overwogen:

“Op basis van deze gegevens dienen frequente bewegingen in de cervicale wervelkolom vermeden te worden. Een dynamische belasting in de vorm van rotaties in de cervicale wervelkolom boven (ongeveer) 30 graden (…) en met name de extensie (…) is beperkt te achten. Echter kleine rustige nekbewegingen zijn niet beperkt te achten, en een medische reden voor een urenbeperking zie ik niet.

Het bovenhands werken is verdergaand beperkt te achten. Gelet op het lichamelijk onderzoek (…) meen ik dat bovenhands werken beroepsmatig beperkt moet blijven tot ongeveer één minuut, cumulatief tot een half uur per dag.”

Bij brief, door de rechtbank ontvangen op 29 oktober 2003, heeft de deskundige Van Loon onder meer het volgende meegedeeld:

“Het gaat om het al dan niet toekennen van een urenbeperking in arbeid bij betrokkene. Binnen deze discussie kan ik aangeven dat de medische literatuur rond deze cervicale stenoseproblematiek ons geen handvat zal bieden.

……

Net als bij lumbale stenose is het aannemen van een geflecteerde houding een mogelijkheid de klachten te laten verdwijnen. Zijn de werkzaamheden zo in te richten dat hieraan voldaan kan worden dan zal een werkdag zonder urenbeperking haalbaar kunnen zijn. Het noemen van een aantal uren zal echter vanuit mijn discipline redelijk arbitrair blijven.”

De deskundige Van Loon heeft in zijn brief niet gereageerd op de concrete beperkingen voor het gebruik van de nek en het werken boven schouderhoogte, die bezwaarverzekeringsarts Gommers in zijn rapport van 16 september 2003 heeft geformuleered. De rechtbank begrijpt hieruit dat de deskundige zich in deze beperkingen kan vinden.

Wat betreft de vraag of voor eiser een urenbeperking dient te gelden, begrijpt de rechtbank uit de brief van Van Loon dat een urenbeperking op medische gronden niet hard gemaakt kan worden en dat een volledige werkdag tot de mogelijkheden behoort indien de belasting van de nek voldoet aan de door Van Loon genoemde voorwaarde dat de werkzaamheden zo zijn in te richten dat een geflecteerde houding kan worden aangenomen.

Gelet op alle medische rapporten is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het belastbaarheidspatroon van 11 mei 2001, met inachtneming van de beperkingen voor het gebruik van de nek en werken boven schouderhoogte die in het rapport van Gommers van 16 september 2003 zijn geformuleerd, en dat geen urenbeperking aan de orde is indien wordt voldaan aan de door Van Loon in zijn ongedateerde brief geformuleerde voorwaarde.

Eiser heeft aangevoerd dat hij verdergaande beperkingen heeft, en dat een urenbeperking aan de orde is. Gelet op de hiervoor besproken medische rapporten, en gelet op het feit dat eiser zijn standpunt niet medisch onderbouwd heeft, moet aan dit standpunt voorbij worden gegaan.

Geoordeeld moet worden dat eiser op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde beperkingen.

In het kader van de arbeidskundige onderzoeken die hebben plaatsgevonden zijn een aantal functies geduid. Uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg van 8 januari 2004 blijkt dat de schatting thans gebaseerd is op de functies meubelspuiter, assemblagemedewerker, pakketteerder bestratingselementen, medewerker facilitaire zaken, monteur koffiezetters, meteropnemer gas/warmte/electra, en operator.

Ten aanzien van de markeringen in deze functies is de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts Van Gulick in zijn rapportage van 21 augustus 2001 voldoende heeft gemotiveerd dat op de betreffende aspecten geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid van eiser.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de geduide functies voldoen aan de door de bezwaarverzekeringsarts Gommers geformuleerde beperking voor het aspect werken boven schouderhoogte.

In de geduide functies – met uitzondering van de functie medewerker facilitaire zaken – is bij het aspect gebruik van de nek telkens vermeld: “Geen intensief gebruik van de nek”. De rechtbank is van oordeel dat deze vermelding onvoldoende is om te concluderen dat de nekbelasting in de functies voldoet aan de door de bezwaarverzekeringsarts Gommers in zijn rapport van 16 september 2003 geformuleerde beperkingen, en dat wordt voldaan aan door Van Loon in zijn ongedateerde brief geformuleerde voorwaarde. Verweerder heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd dat eiser per 15 januari 2001 in staat was de geduide functies te verrichten.

Het beroep tegen besluit 1 is gegrond en besluit 1 komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 december 2000 met inachtneming van deze uitspraak.

Niet gebleken is dat eiser kosten heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten is evenmin gebleken. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Wel dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Ten aanzien van besluit 2

De schatting is gebaseerd op het belastbaarheidspatroon van 6 maart 2002. Dit belastbaarheidspatroon is identiek aan het belastbaarheidspatroon van 11 mei 2001, dat aan besluit 1 ten grondslag ligt.

Ter zitting is gebleken dat partijen zich op het standpunt stellen dat de medische situatie van eiser op 18 juni 2002 (datum in geding besluit 2) gelijk was aan de situatie op 15 januari 2001 (datum in geding besluit 1). De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Uit de medische rapporten in beide zaken, waaronder de rapporten van de deskundigen De Mooij en Van Loon, blijkt immers niet dat de medische situatie van eiser op 18 juni 2002 anders was dan op 15 januari 2001.

Dit betekent dat al hetgeen ten aanzien van besluit 1 is overwogen met betrekking tot de medische kant van de schatting evenzeer geldt voor besluit 2. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar hetgeen ten aanzien van besluit 1 is overwogen.

Geoordeeld moet derhalve worden dat eiser op 18 juni 2002 in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde beperkingen.

In het kader van het arbeidskundig onderzoek zijn aan eiser een aantal functies geduid. Blijkens het rapport van de arbeidsdeskundig F.D.L. Cuppen betreft het de functies inlegger/inmaker vis, huismeester, medewerker fabricage bouwelementen, samensteller van metaalproducten, printplatenmonteur en inpakker.

De functie huismeester is ongeschikt voor eiser vanwege een overschrijding van de belastbaarheid op het aspect werken boven schouderhoogte. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar het in verband met besluit 1 uitgebrachte rapport van de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg van 9 januari 2004, waarin werd geconcludeerd dat diezelfde functie van huismeester ongeschikt voor eiser is.

Ten aanzien van de markeringen in de geduide functies is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts P. Schouten in zijn rapportage van 26 maart 2002 voldoende heeft gemotiveerd dat op de betreffende aspecten geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid van eiser.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de geduide functies voldoen aan de door de bezwaarverzekeringsarts Gommers geformuleerde beperking voor het aspect werken boven schouderhoogte.

In de functies printplatenmonteur en inpakker is sprake van intensief gebruik van de nek. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom deze functies desondanks geschikt voor eiser zouden zijn.

In de overige geduide functies is bij het aspect gebruik van de nek telkens vermeld: “Geen intensief gebruik van de nek”. De rechtbank is van oordeel dat deze vermelding onvoldoende is om te concluderen dat de nekbelasting in de functies voldoet aan de door de bezwaarverzekeringsarts Gommers in zijn rapport van 16 september 2003 geformuleerde beperkingen, en dat wordt voldaan aan door Van Loon in zijn ongedateerde brief geformuleerde voorwaarde. Verweerder heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd dat eiser per 18 juni 2002 in staat was de geduide functies te verrichten.

Het beroep tegen besluit 2 is gegrond en besluit 2 komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 april 2002 met inachtneming van deze uitspraak.

Niet gebleken is dat eiser kosten heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten is evenmin gebleken. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Wel dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen tegen besluit 1 en besluit 2 gegrond;

- vernietigt besluit 1 en besluit 2;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt op de bezwaren van eiser tegen het besluit van 5 december 2000 en het besluit van 18 april 2002 met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 56,23 (€ 27,23 (f 60,--) in zaak 01/1919 en € 29,-- in zaak 03/313) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Sturkenboom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2004.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: