Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO8397

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
AWB 04/502 (hoofdzaak) en AWB 04/503 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en toepassing beleidsregels inzake vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de WRO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummers: AWB 04/502 (hoofdzaak) en AWB 04/503 (voorlopige voorziening)

Uitspraak

van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X], verzoeker,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door ing. P.B. Boerop,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel, verweerder,

alsmede

[vergunninghouder], partij ex artikel 8:26 van de Awb, te [woonplaats] (verder: vergunninghouder).

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 10 februari 2004.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft verweerder met toepassing van een binnenplanse vrijstelling en een vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening (WRO) aan vergunninghouder een bouwvergunning eerste fase verleend ten behoeve van het geheel vernieuwen en vergroten van een woning op het perceel [adres].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft op 8 december 2003 een hoorzitting van bezwaarschriftencommissie plaatsgevonden.

Bij het in rubriek 1 genoemde besluit heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Hiertegen (verder: bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 11 maart 2004 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van gelijke datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Vergunninghouder heeft bij brief van 2 april 2004 op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 6 april 2004 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 8 april 2004. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door ing. P.B. Boerop. Verweerder heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door mw. L.C.A. Theunisse. Tevens is vergunninghouder verschenen.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien het verzoek, bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Ten aanzien van de hoofdzaak

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd hebben ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “[A]” de bestemming “Woningbouw LO (vrijstaande en dubbele eengezinswoningen”.

Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft verweerder met toepassing van een vrijstelling ingevolge het bestemmingsplan en een vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO een bouwvergunning verleend voor het onderhavige bouwplan.

Verzoeker heeft in beroep naar voren gebracht dat hij zich niet kan verenigen met de verleende vrijstelling voor de afstand van de nieuwbouw tot de zijdelingse perceelsgrens en evenmin met de verleende vrijstelling ten aanzien van de bouwdiepte. Tevens acht hij het bouwplan in strijd met de eisen van welstand.

De voorzieningenrechter zal zich bij de beoordeling beperken tot hetgeen in beroep is aangevoerd en overweegt als volgt.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften dient de bouw van een woning op ten minste 3 meter uit de zijdelingse terreingrens plaats te vinden.

In artikel 5, achtste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is bepaald dat vrijstelling kan worden verleend van de voorschriften inzake de minimumafstand tot de zijdelingse terreingrens tot op deze grens. Verweerder heeft ter zake van de minimumafstand tot de zijdelingse terreingrens een vrijstelling verleend tot een minimumafstand van 1 meter.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gebleken is dat verweerder niet in redelijkheid een vrijstelling kon verlenen voor het bouwen tot op 1 meter van zijdelingse terreingrens. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder, bij de afweging van de betrokken belangen, in het bijzonder waarde heeft gehecht aan het gegeven dat de bestaande bebouwing op de erfgrens staat en dat de nieuwbouw planologisch minder ingrijpend is voor verzoeker dan de bestaande bebouwing.

Ten aanzien van de eisen van welstand overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies gebonden is en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Aangezien de welstandscommissie een positief advies gegeven heeft over het bouwplan en verzoeker geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het bouwwerk in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand.

Ten aanzien van de maximaal toegestane bouwdiepte ingevolge artikel 5, eerste lid, juncto artikel 5, vijfde lid, van de planvoorschriften heeft verweerder vrijstelling verleend, als bedoeld in artikel 19 van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (BRO 1985). In dit artikellid is bepaald dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking komt een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Ter zake de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO heeft verweerder beleidsregels vastgesteld. In die beleidsregels is het volgende opgenomen:

“ De uitbreiding van het woongebouw (hetzij in de vorm van een uitbreiding van het hoofdgebouw hetzij in de vorm van een aaneengebouwd bijgebouw) mag geen grotere hoogte hebben dan 6 meter. Vorenstaande beperking van hoogtematen geldt niet voor bebouwing op meer dan 2,5 meter van de zijdelingse erfgrens, zijnde de kadastrale eigendomsgrens, mits de goot- resp. nokhoogte de bestaande hoogte niet overschrijdt.”

In het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 8 december 2003, meegedeeld dat de beleidsregels zo moeten worden uitgelegd dat een te realiseren gebouw met een nokhoogte van 7,80 meter binnen 2,5 meter van de erfgrens gebouwd kan worden, zolang de (nok)hoogte van het gebouw niet binnen een afstand van 2,5 meter van de erfgrens de maximale hoogte van 6 meter overschrijdt. De bezwaarschriftencommissie heeft de splitsing van het bouwwerk in een gedeelte binnen 2,5 meter van de erfgrens en een aansluitend gedeelte op meer dan 2,5 meter van de erfgrens onjuist geacht en is tot de conclusie gekomen dat het gebouw in zijn geheel moet worden beoordeeld.

Bij een beoordeling in zijn geheel is een vrijstelling op grond van de beleidsregels niet mogelijk volgens deze commissie.

De voorzieningenrechter merkt vooreerst op dat beleidsregels, zoals de onderhavige, tot rechtszekerheid voor eenieder strekken, hetgeen ook voortvloeit uit artikel 4:84 van de Awb. Verweerder heeft dit onderkend door in de beleidsregels op te nemen dat deze externe werking gaan verkrijgen. Dit brengt met zich dat bij de toepassing van de beleidsregels sprake moet zijn van een eenduidige uitleg en uitgegaan dient te worden van de (letterlijke) tekst van de beleidsregel.

Met de bezwaarschriftencommissie is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder een onjuiste interpretatie van de beleidsregels aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Naar dezerzijds oordeel dient voormelde bepaling, gelet op de redactie hiervan, aldus te worden uitgelegd, dat slechts een grotere hoogte dan 6 meter is toegestaan bij gebouwen die op tenminste 2,5 meter van de erfgrens zijn opgericht. Dat verweerder heeft aangegeven dat de door hem voorgestane interpretatie van de beleidsregels de kennelijke bedoeling van de beleidsregels weergeeft en dat in de praktijk ook conform deze kennelijke bedoeling vergunningen worden verleend, moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met vorengenoemde rechtszekerheid worden geacht. De voorzieningenrechter merkt voorts nog op dat niet gebleken is dat verweerder in het onderhavige geval gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om voor bijzondere gevallen af te wijken van het beleid. Een motivering op dit punt ontbreekt.

Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Bij dit oordeel is de voorzieningenrechter uitgegaan van de kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, welk besluit een forfaitair karakter kent, voor vergoeding in aanmerking komen. In het onderhavige geval heeft de voorzieningenrechter, met toepassing van de wegingsfactor 1, één punt toegekend voor het indienen van het verzoek en één punt voor het verschijnen ter zitting. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is in dit verband niet gebleken.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om tot een proceskostenveroordeling ter zake van de door vergunninghouder opgevoerde kosten over te gaan.

Het hiervoor overwogene leidt, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening

Gegeven de hierna weer te geven beslissing in de hoofdzaak, bestaat er in dit geval geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

De voorzieningenrechter acht wel termen aanwezig te bepalen dat het door verzoeker met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorziening gestorte griffierecht ten bedrage van € 136 door verweerders gemeente wordt vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter

Ten aanzien van de hoofdzaak:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

schorst het besluit van 8 oktober 2003, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoeker opnieuw is beslist;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644 en wijst de gemeente Zaltbommel aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat de gemeente Zaltbommel aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ad € 136 vergoedt.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

wijst het verzoek af;

bepaalt dat de gemeente Zaltbommel aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ad € 136 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2004.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage.

Hoger beroep staat niet open voor zover is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening.

Verzonden op: