Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO8394

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/2433 en 03/2700
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Recht op loondoorbetaling door het uitzendbureau nu i.c. geen sprake was van een schriftelijk verzoek van de inlener om de ter beschikkingstelling te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummers: AWB 03/2433 en 03/2700

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen:

[X], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. H.R.T.M. van Ojen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 13 oktober 2003 en 21 oktober 2003, uitgereikt door Uwv Gak te Leiden en Uwv GAK te Nijmegen.

2. Procesverloop

Bij primair besluit van 2 juli 2003 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij ter zake van zijn ziekmelding per 2 juni 2003 geen recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW).

Bij primair besluit van 4 augustus 2003 heeft verweerder eisers aanvraag om uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) geweigerd.

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder de ingediende bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen beide besluiten is beroep ingesteld en door verweerder zijn verweerschriften ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 maart 2004. Eiser is aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel.

3. Overwegingen

Aan de bestreden besluiten ligt ten grondslag dat eiser geen recht heeft op een ZW-uitkering per 2 juni 2003, respectievelijk op een WW-uitkering, omdat hij recht heeft op doorbetaling van zijn loon door Ixans Uitzendbureau BV (Ixans). Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat de uitzendovereenkomst op basis van artikel 7:690 Burgerlijk Wetboek (BW) tussen eiser en Ixans geen uitzendbeding bevat als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, van het BW. Indien wel een uitzendbeding zou moeten worden aangenomen, dan dient aan de beëindiging van de overeenkomst een feitelijk verzoek van de inlener om de terbeschikkingstelling te beëindigen ten grondslag te liggen. Verweerder meent dat geen sprake is geweest van een dergelijk feitelijk verzoek van de inlener.

Eiser heeft de bestreden besluiten gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting verrichtte eiser werkzaamheden via Ixans op basis van een uitzendovereenkomst die was afgesloten voor de periode van 7 april 2003 tot uiterlijk 7 oktober 2003.

Op 2 juni 2003 heeft eiser zich wegens voetklachten ziek gemeld.

Ixans heeft op 16 juni 2003 bij verweerder aangifte gedaan van eisers arbeidsongeschiktheid.

Eiser heeft op 28 juli 2003 een uitkering ingevolge de WW aangevraagd.

Bij schrijven van 8 oktober 2003 heeft de inlener een verklaring aan Ixans verstuurd met de volgende inhoud. “Middels dit schrijven laat ik u weten dat na de ziekmelding van [X] 12 mei 2003 de werkzaamheden voor u en Zuidgeest Bouw zijn beëindigd, de opdrachtgever heeft het resterende werk zelf afgemaakt.”

Niet is in geschil dat er geen CAO van toepassing is, zodat het arbeidsovereenkomstenrecht van het BW moet worden toegepast.

Ingevolge artikel 7:691, tweede lid, van het BW kan in de uitzendovereenkomst schriftelijk worden bedongen dat die overeenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever aan de derde als bedoeld in artikel 690 op verzoek van die derde ten einde komt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd de hierboven geciteerde verklaring van de inlener ertoe heeft geleid dat de uitzendovereenkomst in verband met eiseres ziekmelding per 2 juni 2003 is geëindigd naar aanleiding van een verzoek van Zuidgeest Bouw om de terbeschikkingstelling van eiser te beëindigen.

Uit de verklaring, die veeleer vragen oproept dan beantwoordt, blijkt immers niet dát Zuidgeest Bouw aan Ixans heeft verzocht om de terbeschikkingstelling van eiser te beëindigen. Dat (mogelijk) al op

12 mei 2003 feitelijk aan de werkzaamheden een einde is gekomen maakt dit niet anders.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het niet op de weg lag van verweerder om te trachten meer duidelijkheid te verkrijgen omtrent de verklaring van Zuidgeest Bouw, nu deze verklaring op de eerste plaats van belang is in de verhouding tussen eiser en Ixans.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de ZW en de WW, aangezien de overeenkomst met ingang van 2 juni 2003 niet rechtsgeldig is beëindigd, zodat Ixans gehouden was om, ook bij ziekte, eisers loon door te betalen tot (in beginsel) 7 oktober 2003.

Aangezien de bestreden besluiten op basis van de subsidiaire grond gehandhaafd dienen te worden, zal de rechtbank de vraag óf op de

uitzendovereenkomst van eiser wel een uitzendbeding van toepassing was in het midden laten. Immers, indien geoordeeld zou moeten worden dat dat niet het geval was, eindigde de uitzendovereenkomst eveneens pas op de laatste datum van de geplande uitzendperiode.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.N.A. Bootsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2004.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: