Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO8389

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
AWB 02/1595
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AU6708
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verzocht om indeling in een andere risicopremiegroep met terugwerkende kracht. Ne bis in idem-beginsel geldt ook voor de rechtspraak, zodat de rechter bij een verzoek om terug te komen op een rechtens verbindend geworden besluit primair dient te toetsen of aan dat verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden is geen sprake.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN AU6708

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 02/1595

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Flexpower Uitzendorganisatie B.V., eiseres,

gevestigd te Wijchen, vertegenwoordigd door mr. M.H. Feiken,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 juni 2002, uitgereikt door UWV te Amsterdam.

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2001 heeft verweerder besloten aan eiseres met ingang van 1 januari 2001 voor de voor eiseres werkzame uitzendkrachten zonder uitzendbeding een nieuwe verzekeringsrelatie toe te kennen en deze uitzendkrachten in te delen in de risicopremiegroep Uitzendbedrijven II b van de sector Uitzendbedrijven.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 18 februari 2004. Eiseres heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door [gemachtigde], bijgestaan door H.J.E. Loeffen en mr. M.H. Feiken. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T. Groenewoud-Kralt, werkzaam bij UWV te Amsterdam.

3. Overwegingen

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat de aan het bestreden besluit gegeven motivering onjuist is en heeft daarvoor een gewijzigde motivering in de plaats gesteld. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat eiseres in strijd met artikel 3, tweede lid, van het Besluit melding sociale verzekeringen verweerder niet binnen één maand op de hoogte heeft gesteld van de wijziging die zich in de arbeidsverhouding met een aantal uitzendkrachten heeft voorgedaan. Deze wijziging hield in dat ingevolge de inwerkingtreding van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid bij de betreffende uitzendkrachten per 6 maart 2000 het uitzendbeding niet meer van toepassing was. Nu eerst in juni 2001 bleek dat eiseres bij deze uitzendkrachten ten onrechte nog steeds het uitzendbeding toepaste, heeft verweerder hen per 1 januari 2001 in de voor hen bestemde risicopremiegroep Uitzend-bedrijven II b ingedeeld.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten.

Op haar stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

Nu verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven dat de aan het bestreden besluit gegeven motivering onjuist is, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen.

In het hiernavolgende zal de rechtbank ingaan op de vraag of, gelet op de nieuwe motivering, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

Uit de gedingstukken is onder meer het volgende gebleken. Eiseres heeft in 1999 personeel in dienst genomen. Verweerder heeft eiseres op 19 mei 1999 een verzekeringsrelatie onder het nummer 026-151.902.75-01-01 toegekend en heeft het personeel in de risicopremiegroep Intermediaire diensten ingedeeld. Wegens het in dienst nemen van technische uitzendkrachten heeft verweerder eiseres op 11 oktober 1999 per 23 augustus 1999 een nieuwe verzekeringsrelatie toegekend onder het nummer 026-151.902.75-01-02. Deze uitzendkrachten zijn ingedeeld in de risicopremiegroep Uitzendbedrijven II. Naar aanleiding van een bezoek van verweerder aan eiseres op 22 juni 2001 heeft verweerder geconstateerd dat een aantal uitzendkrachten dat onder het nummer 026-151.902.75-01-02 werkzaam was, het uitzendbeding niet meer van toepassing was. Voor deze groep van uitzendkrachten heeft verweerder aan eiseres per 1 januari 2001 een nieuwe verzekeringsrelatie onder het nummer 026-151.902.75-01-03 toegekend en deze uitzendkrachten ingedeeld in de risicopremiegroep Uitzend-bedrijven II b.

Ten aanzien van de grief van eiseres dat de betreffende uitzendkrachten met ingang van 6 maart 2000 in de risicopremiegroep Uitzendbedrijven II b dan wel in de risicopremiegroep Detachering hadden moeten worden ingedeeld aangezien vanaf dat moment het uitzendbeding niet meer van toepassing was, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de risicopremiegroep Uitzendkrachten II b, die bestemd is voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding, eerst bij het Besluit premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven van 19 december 2000, dat gewijzigd is bij besluit van 19 februari 2001 (Stcrt. 2001, 47), met ingang van 1 januari 2001 in het leven is geroepen zodat indeling in deze risicogroep vóór 1 januari 2001 niet mogelijk was. Verweerder heeft eiseres dan ook terecht niet eerder dan per 1 januari 2001 in deze risicopremiegroep ingedeeld.

Voor wat betreft de vaststelling van de wachtgeldpremie voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding per 6 maart 2000, is het volgende van belang.

Verweerder heeft voor het jaar 2000 geen afzonderlijk besluit genomen waarbij de genoemde wachtgeldpremie is vastgesteld. Aansluiting dient te worden gezocht bij het Besluit vaststelling wachtgeldpremie 1999 voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding van 29 april 1999 (Stcrt. 1999, 88). Ingevolge artikel 1 van dit besluit bedroeg de premie voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding voor het jaar 1999 3,06%. Blijkens de toelichting bij dit besluit zou voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding op termijn een afzonderlijke premie worden vastgesteld en zou ter overbrugging voor het jaar 1999 de premie van de risicopremiegroep Detachering worden opgelegd, die 3,06% bedroeg. Ook voor het jaar 2000 is voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding nog geen afzonderlijke premie berekend, zodat op grond van het Besluit vaststelling wachtgeldpremies 2000 van 17 november 1999 (Stcrt. 1999, 239) ook voor dat jaar van de premie van de risicopremiegroep Detachering dient te worden uitgegaan; die premie bedroeg 3,42%.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat eiseres verweerder ten tijde van het onderzoek in 2001 heeft verzocht om per 6 maart 2000 terug te komen van het besluit om over het jaar 2000, voor wat betreft de betreffende werknemers, wachtgeldpremie te berekenen op grond van de indeling in de risicopremiegroep Uitzendbedrijven II (11,86%) en de wachtgeldpremie alsnog te berekenen op grond van de indeling in de risicopremiegroep Detachering.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Artikel 4:6 van de Awb geeft invulling aan het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). Dit beginsel geldt ook voor de rechtspraak. Buiten de aanwending van de ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen kan eenzelfde besluit niet voor de tweede keer aan de rechter worden voorgelegd.

Artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met de artikelen 7:1 en 6:7 van de Awb, verzet zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een verzoek om terug te komen van een eerder besluit wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur, niet voorziet in discretie, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode open staat.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een verzoek om terug te komen op een rechtens verbindend geworden besluit, primair dient te onderzoeken of aan dat verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als bezwaar- of beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht.

Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is gesteld kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

De rechtbank stelt vast dat eiseres tegen de eerdere indeling van de werknemers, ten aanzien van wie het uitzendbeding niet meer mocht worden toegepast, en de daaruit voortvloeiende (vervolg)besluiten waarbij overeenkomstig die eerdere indeling premie is vastgesteld, geen rechtsmiddel heeft aangewend.

Namens eiseres is aan het verzoek -kort gezegd- ten grondslag gelegd dat zij in het jaar 2000 onbekend was met de toepasselijke regels en dat verweerder, naar in 2001 is gebleken, haar ten onrechte niet dan wel onvolledig heeft voorgelicht. Deze omstandigheden kunnen echter niet aangemerkt worden als nieuwe feiten als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daargelaten dat onbekendheid met de toepasselijke regels in het algemeen niet als een relevant feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb kan worden aangemerkt, is van belang dat eiseres uit het hierboven genoemde Besluit vaststelling wachtgeldpremie 1999 voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding van 29 april 1999 moet hebben kunnen afleiden dat voor haar werknemers zonder uitzendbeding, althans waarvoor het uitzendbeding niet meer mocht worden toegepast, indeling in een andere risicopremiegroep aangewezen was. Mede in het licht daarvan kan ook de omstandigheid dat eiseres zich in 2001 bewust is geworden van het gebrek aan adequate voorlichting door verweerder, niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt.

Verweerder heeft dan ook kunnen weigeren om voor het jaar 2000 terug te komen van de eerdere indeling van de werknemers, ten aanzien van wie het uitzendbeding niet meer mocht worden toegepast, in de risicopremiegroep II.

Gelet op hetgeen is overwogen zal de rechtbank toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 652,90, zijnde € 644,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand en € 8,90 voor verschotten, namelijk een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Hetgeen verder nog is gevorderd wordt afgewezen.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 652,90 en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,-- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.J. Catsburg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2004.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: