Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO8253

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-04-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
05/090519-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sigarettensmokkel vanuit Estland/Letland naar de EU; artikel 5 WA, 28 DW en 140 SR; schadebedrag voor de EU tussen de 75 miljoen - 102 miljoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/090519-02

Datum zitting : 8 april 2004

Datum uitspraak : 22 april 2004

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Noord - De Grittenborgh, Kinholtsweg 7 te

Hoogeveen.

Raadsman: mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 13 april 2003 te

's-Heerenberg, gemeente Bergh en/of Rotterdam en/of Wijchen en/of Duiven en/of Boven-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal en/of Druten en/of Etten-Leur, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan de organisatie, te weten een samenwerkingsverband gevormd door hem, verdachte, en [medeverdachten] en/of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

-valsheid in geschrifte (225 Sr) en/of

-het opzettelijk doen van onjuiste aangifte ten invoer (48 DW) en/of

-het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet

overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in accijnsheffing zijn betrokken (5/97 WA)en/of

-Steuerhehlerei in de zin van par. 370, 373 en 374 van de Abgabe Ordnung

(Bondsrepubliek Duitsland)en/of

-het opzettelijk voorhanden hebben van, danwel het opzettelijk brengen van onveraccijnsde sigaretten op het grondgebied van Groot-Brittannie

(Section 170 van de Customs en Excise Management Act 1979 en/of

-het onwettig bezit van tabak en/of sigaretten in Belgie in de zin van art.12 van de Wet 10.06.1997, Wet betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan

en de controle daarop, althans het plegen van misdrijven;

2.

verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 13 april 2003, te Etten-Leur en/of 's-Heerenbergh en/of Beneden-Leeuwen en/of Duiven en/of Wijchen, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens opzettelijk voorhanden heeft gehad accijnsgoederen, te weten sigaretten, welke niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing van accijns terzake van de uitslag en/of van de invoer van die goederen warenbetrokken;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 8 april 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd in verzeke-ring en voorlopige hechtenis doorge-bracht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De geldigheid van de dagvaarding.

Door de raadsman is betoogd dat de dagvaarding wat betreft feit 1 voor zover het gaat om de omschrijving bij het tweede gedachtestreepje wegens innerlijke tegenstrijdigheid nietig is, omdat in die omschrijving de overtreding ex artikel 48 lid 1 onder a DW is opgenomen en niet het misdrijf ex artikel 48 lid 3 DW.

Dit verweer wordt verworpen, nu in de omschrijving in de dagvaarding de woorden opzettelijk en doen van aangifte met zoveel woorden voorkomen, hetgeen gegeven de tekst van artikel 48 DW alleen maar kán slaan op in het derde lid van dat artikel omschreven misdrijf.

Door de raadsman is tevens betoogd dat de dagvaarding wat betreft feit 1 ook voor zover het gaat om de omschrijving bij de gedachtestreepjes drie tot en met vijf nietig is, ten dele wegens een onduidelijke omschrijving en voorts omdat niet duidelijk is of de daargenoemde in respectievelijk Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk strafbaar gestelde feiten misdrijven dan wel overtredingen betreffen, hetgeen de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig maakt.

De rechtbank acht de feitelijke omschrijving inhoudelijk voldoende duidelijk. Voorts maakt de omstandigheid dat uit die omschrijving niet blijkt of de buitenlandse strafbare gedragingen misdrijven dan wel overtredingen zijn, de tenlastlegging op dit punt niet onduidelijk, laat staan innerlijk tegenstrijdig, te minder nu het bepaald niet voor de hand ligt te veronderstellen dat het om overtredingen gaat, wat de raadsman ook niet heeft gesteld.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak betoogd nu de tapmachtigingen van de rechter-commissaris van de telefoonnummers 06-27570397, 06-136663766 en 06-15307268 van verdachte niet door de verdediging in het BOB-dossier zijn aangetroffen. De officier van justitie heeft uitdrukkelijk verzekerd dat het feitelijk onmogelijk is om zonder tapmachtiging te tappen. Dit in aanmerking nemende vertrouwt de rechtbank er op dat de vereiste machtigingen zijn afgegeven en ziet zij gelet op het voormelde standpunt van de raadsman geen aanleiding aan het ontbreken van die machtigingen in het dossier enige consequentie

te verbinden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 is tenlastege-legd en zal hem daarvan vrij-spreken.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is op geen enkele wijze komen vast

te staan dat er door verdachte en/of zijn medeverdachten sigaretten naar Nederland zijn gebracht. In het hoofdproces-verbaal wordt uitsluitend melding gemaakt van in Duitsland en België aangetroffen partijen sigaretten alsmede van de uitvoer van sigaretten vanuit België naar het Verenigd Koninkrijk. Voorts hebben de verbalisanten in steeds stelliger bewoordingen het vermoeden geuit dat er nimmer sigaretten naar Nederland zijn gebracht en kan uit hun onderzoeksbevindingen worden afgeleid dat de vanuit Letland en Estland afkomstige vrachtauto’s waarin zich sigaretten bevonden na binnenkomst in de Europese Unie via Duitsland koers zetten naar België, terwijl uitsluitend vrachtwagens met zogenoemde deklading en lege vrachtwagens naar Nederland werden gereden teneinde daar een aangifte ten invoer te doen. De observaties van de FIOD-ECD bij de observaties bij De Barrière te Beek en bij Duiven in respectievelijk november 2002 en februari 2003 hebben evenmin overtuigende aanwijzingen opgeleverd dat er sigaretten naar Nederland zijn getransporteerd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 13 april 2003 te

's-Heerenberg, gemeente Bergh en/of Rotterdam en/of Wijchen en/of Duiven en/of Boven-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal en/of Druten en/of Etten-Leur, opzettelijk heeft deelgenomen aan de organisatie, te weten een samenwerkingsverband gevormd door hem, verdachte, en [medeverdachten] en een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

-valsheid in geschrifte (225 Sr) en

-Steuerhehlerei in de zin van par. 370, 373 en 374 van de Abgabe Ordnung

(Bondsrepubliek Duitsland)en

-het opzettelijk voorhanden hebben van, danwel het opzettelijk brengen van onveraccijnsde sigaretten op het grondgebied van Groot-Brittannie

(Section 170 van de Customs en Excise Management Act 1979 en

-het onwettig bezit van tabak en/of sigaretten in Belgie in de zin van art.12 van de Wet 10.06.1997, Wet betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan

en de controle daarop

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 29 augustus 2003.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een periode ongeveer twee jaar in een georganiseerd verband beziggehouden met - kort gezegd - de smokkel van sigaretten vanuit Estland en Letland, via Duitsland en België naar het Verenigd Koninkrijk en de productie van sigaretten in België.

Verdachtes aandeel in het geheel bestond uit het huren of laten huren van opslaglocaties voor de sigaretten, tabak en deklading, het in Nederland huren van woonruimte voor leden van de organisatie, het gedetailleerd voeren van de administratie van de organisatie en het regelen van de transporten van de sigaretten naar het Verenigd Koninkrijk. Tussen verdachte en enkele van zijn mededaders bestond veelvuldig telefonisch contact er was tevens sprake van een vorm van gestructureerd werkoverleg. Tevens is verdachte betrokken geweest bij het personeelsbeleid van de werknemers in de sigarettenfabriek in België.

Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat verdachte een belangrijke uitvoerende rol binnen de organisatie vervulde.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte willens en wetens heeft meegewerkt aan de smokkel van grote hoeveelheden sigaretten en de productie van illegale sigaretten waarmee miljoenen euro’s gemoeid waren. De rechtbank rekent het verdachte tevens aan dat hij, zoals uit het eerder aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatiere-gister blijkt, reeds eerder voor een soortgelijk delict is veroor-deeld.

Gelet hierop, alsmede op de rol die verdachte in het geheel vervulde en op de professionele criminele organisatievorm waarin werd geopereerd, is de rechtbank van oordeel dat ook nu verdachte is vrijgesproken van feit 2, voor een dergelijk feit geen andere straf past dan een forse gevangenisstraf die deels voorwaardelijk zal zijn.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 63 van

het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf zes (6) maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, ten-zij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerleg-ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proef-tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. J.H.M. Westenbroek, rechter, als voorzitter,

mr. M. Keppels, rechter,

mr. G.H.W. Bodt, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Vries, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 april 2004.