Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO8242

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-04-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
05/090162-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sigarettensmokkel vanuit Estland/Letland naar de EU; artikel 5 WA, 28 DW en 140 SR; schadebedrag voor de EU tussen de 75 miljoen - 102 miljoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/090162-03

Datum zitting : 8 april 2004

Datum uitspraak : 22 april 2004

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

Raadsman: mr. P.H. Doedens, advocaat te Utrecht.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 13 april 2003 te

's-Heerenberg, gemeente Bergh en/of Rotterdam en/of Wijchen en/of Druten en/of Etten-Leur, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan de organisatie, te weten een samenwerkingsverband gevormd door hem, verdachte, en [medeverdachten] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

-valsheid in geschrifte (225 Sr) en/of

-het opzettelijk doen van onjuiste aangifte ten invoer (48 DW) en/of

-het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet

overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in accijnsheffing zijn betrokken (5/97 WA)en/of

-Steuerhehlerei in de zin van par. 370, 373 en 374 van de Abgabe Ordnung

(Bondsrepubliek Duitsland),

-het opzettelijk voorhanden hebben van, danwel het opzettelijk brengen van onveraccijnsde sigaretten op het grondgebied van Groot-Brittannie

(Section 170 van de Customs en Excise Management Act 1979 en/of

-het onwettig bezit van tabak en/of sigaretten in Belgie

in de zin van art.12 van de Wet 10.06.1997, Wet betreffende de algemene

regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controle daarop, althans het plegen van misdrijven;

2.

verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 13 april 2003, te 's-Heerenbergh en/of Beneden-Leeuwen en/of Wijchen en/of Etten-Leur, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens opzettelijk voorhanden heeft gehad accijnsgoederen, te weten sigaretten, welke niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing van accijns terzake van de uitslag en/of van de invoer van die goederen waren betrokken;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 8 april 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.H. Doedens, advocaat te Utrecht.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd in verzeke-ring en voorlopige hechtenis doorge-bracht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 is tenlastege-legd en zal hem daarvan vrij-spreken.

In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is op geen enkele wijze komen vast

te staan dat er door verdachte en/of zijn medeverdachten sigaretten naar Nederland zijn gebracht. In het hoofdproces-verbaal wordt uitsluitend melding gemaakt van in Duitsland en België aangetroffen partijen sigaretten alsmede van de uitvoer van sigaretten vanuit België naar het Verenigd Koninkrijk. Voorts hebben de verbalisanten in steeds stelliger bewoordingen het vermoeden geuit dat er nimmer sigaretten naar Nederland zijn gebracht en kan uit hun onderzoeksbevindingen worden afgeleid dat de vanuit Letland en Estland afkomstige vrachtauto’s waarin zich sigaretten bevonden na binnenkomst in de Europese Unie via Duitsland koers zetten naar België, terwijl uitsluitend vrachtwagens met zogenoemde deklading of lege vrachtwagens naar Nederland werden gereden teneinde daar een aangifte ten invoer te doen. De observaties van de FIOD-ECD bij De Barrière te Beek en bij Duiven in respectievelijk november 2002 en februari 2003 hebben evenmin overtuigende feiten opgeleverd dat er sigaretten naar Nederland zijn getransporteerd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 13 april 2003 te

's-Heerenberg, gemeente Bergh en/of Rotterdam en/of Wijchen en/of Druten en/of Etten-Leur, opzettelijk heeft deelgenomen aan de organisatie, te weten een samenwerkingsverband gevormd door hem, verdachte, en [medeverdachten] en een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

-valsheid in geschrifte (225 Sr) en

-Steuerhehlerei in de zin van par. 370, 373 en 374 van de Abgabe Ordnung

(Bondsrepubliek Duitsland),

-het opzettelijk voorhanden hebben van, danwel het opzettelijk brengen van onveraccijnsde sigaretten op het grondgebied van Groot-Brittannie

(Section 170 van de Customs en Excise Management Act 1979 en

-het onwettig bezit van tabak en/of sigaretten in Belgie in de zin van art.12

van de Wet 10.06.1997, Wet betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controle daarop

Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende overtuigend bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij het transport van sigaretten naar het Verenigd Koninkrijk in de maanden februari en maart 2003. De rechtbank kent in dit verband betekenis toe aan een aantal afgeluisterde telefoongesprekken waaruit blijkt van een actieve bemoeienis van verdachte met de verkoop van sigaretten aan een in het Verenigd Koninkrijk verblijvende afnemer en met de afwikkeling van een gedeeltelijk uitgebleven betaling. Voorts betrekt de rechtbank bij haar oordeel de omstandigheid dat verdachte aanwezig was tijdens de besprekingen van zijn medeverdachte [naam] met [naam] die uitmondden in de levering van lampen als deklading en het feitelijke transport van sigaretten naar het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank kent ook gewicht toe aan de omstandigheid dat verdachte meermalen met

de medeverdachte [naam] heeft verbleven in een pand in Rotterdam alsmede dat hij in februari 2003 met die medeverdachte een bezoek heeft gebracht aan medeverdachte [naam] op het bedrijfsadres van [naam] B.V. Dat verdachte, die zegt al jaren bevriend te zijn met de hiervoor genoemde medeverdachten, ondanks zijn regelmatige contacten met hen geen weet zou hebben van hun illegale activiteiten en niet deelnam aan de door hen in dat kader gevoerde besprekingen, acht de rechtbank mede in het licht van de hiervoor genoemde betrokkenheid van verdachte bij de transporten van sigaretten naar Groot-Brittannië volstrekt ongeloofwaardig.

De rechtbank acht onvoldoende bewijs aanwezig voor deelname van verdachte aan de criminele organisatie reeds vóór 2002. Zij heeft de periode om die reden aangepast.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is overigens gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 12 juli 2003.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een periode van ruim een jaar in georganiseerd verband beziggehouden met - kort gezegd - de smokkel van sigaretten vanuit Estland en Letland, via Duitsland en België naar het Verenigd Koninkrijkin België.

Verdachte heeft zich, voor zover uit het dossier blijkt, binnen de organisatie voornamelijk bezig gehouden met de transporten van de sigaretten naar het Verenigd Koninkrijk. Hij regelde hiertoe de deklading en onderhield het contact met de afnemer(s) in het Verenigd Koninkrijk.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte willens en wetens heeft meegewerkt aan de smokkel van grote hoeveelheden sigaretten, waarmee miljoenen euro’s gemoeid waren.

Gelet enerzijds op de vergelijkenderwijs wat beperktere rol die verdachte

in het geheel lijkt te hebben vervuld, en anderzijds op de professionele criminele organisatievorm waarin door verdachte werd geopereerd, is geweest, is de rechtbank van oordeel dat, ondanks dat verdachte is vrijgesproken voor feit 2, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, en 27

van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf zes (6) maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, ten-zij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerleg-ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proef-tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. J.H.M. Westenbroek, rechter, als voorzitter,

mr. M. Keppels, rechter,

mr. G.H.W. Bodt, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 april 2004.