Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO7894

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-04-2004
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
07.831.1/5
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

21 notarissen hebben een klacht ingediend bij de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem tegen 2 notarissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ARNHEM

Kenmerk: 07.831.1/5

Beslissing van de Kamer van Toezicht te Arnhem in de klachtzaak van:

21 notarissen,

klagers,

advocaat mr. C.H.B. Winters te Arnhem,

tegen

1. notaris A,

notaris te (plaats),

2. notaris B,

notaris te (plaats),

verweerders,

advocaat mr. H.A. Schenke te Nijmegen.

Partijen worden hierna de klagers respectievelijk notaris A en notaris B genoemd. De laatsten worden gezamenlijk ook wel de notarissen genoemd.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- de brief met bijlagen, ingekomen op 30 januari 2003, waarbij de klacht is ingediend;

- het verzoek van 17 februari 2003 van de voorzitter van de Kamer aan de plaatsvervangend voorzitter tot het instellen van een onderzoek inzake de ingekomen klacht;

- het verslag met bijlagen van 5 juni 2003 naar aanleiding van het ingestelde onderzoek van de plaatsvervangend voorzitter;

- het verweerschrift met bijlagen namens de notarissen, ingekomen op 12 september 2003;

- de reactie namens de klagers op het verweerschrift, ingekomen op 5 december 2003;

- de tussentijdse reactie met bijlagen namens de notarissen, ingekomen op 20 februari 2004;

- de aanvullende reactie namens de notarissen, ingekomen op 3 maart 2004.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van de Kamer op 9 maart 2004. Daarbij waren aanwezig de klagers onder 4., 15. en 20., bijgestaan door mr. Winters, en de notarissen, bijgestaan door mr. Schenke. Beide advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd.

Kenmerk: 07.831.1/5 -2-

De feiten

In deze zaak wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. De klagers zijn (oud-)notarissen en gevestigd (geweest) te (plaats) en omgeving.

b. Notaris A is sinds 1985 notaris te (plaats). Notaris B is dit sinds medio 2000. Zij zijn geassocieerd en maken deel uit van het advocaten- en notariskantoor D met vestigingen in (plaats) en (plaats).

c. Notaris A is tot 1 januari 2000 geassocieerd geweest met notaris C te (plaats).

d. De klagers en notaris B zijn lid van de Vereniging van Notarissen in het voormalig Kanton (plaats) (verder te noemen de Vereniging). Notaris A is van de Vereniging lid geweest tot 10 maart 1993.

e. De Vereniging heeft in november 1993 bij de Kamer een klacht ingediend tegen notaris A, onder meer inhoudende dat de notaris in strijd met de Wet op het notarisambt (oud) buiten zijn standplaats een (bij)kantoor te (plaats) heeft. De Kamer heeft die klacht bij beslissing van 9 juni 1994 ongegrond verklaard, waarbij zij tevens heeft overwogen dat "er geen misverstand over (mag) bestaan dat gevallen van aantoonbare uitbreiding van de notariële dienstverlening over de grenzen van de standplaats heen, op intensieve belangstelling van de Kamer kunnen rekenen".

f. Bij brief van 29 juni 2001 heeft de Vereniging de Kamer meegedeeld dat notaris A te (plaats) kantoor houdt/is blijven houden en heeft zij de Kamer verzocht daartegen op te treden. De Kamer heeft daarop op 18 juli 2001 geantwoord dat toen onvoldoende aanleiding bestond actie te ondernemen tegen notaris A.

De klacht

De klagers verwijten notaris A en notaris B, kort gezegd:

1. het structureel verrichten van notariële werkzaamheden te (plaats) en (mede als gevolg daarvan) het aanhouden van een bijkantoor buiten de eigen plaats van vestiging;

2. het structureel verlenen van faciliteiten aan Makelaardij E en E Makelaars te (plaats);

en notaris A, kort gezegd:

3. het betalen van retourprovisies.

De notarissen hebben tegen de klacht gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal, voor zover relevant, hierna worden ingegaan.

De beoordeling van de klacht

1. Volgens art. 98 lid 1 Wna zijn notarissen aan tuchtrecht onderworpen ter

Kenmerk: 07.831.1/5 -3-

zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of

nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De Kamer dient dus te onderzoeken of de handelwijze van de notarissen in deze klachtzaak een verwijtbare handeling in de zin van dit artikel oplevert.

2. De Kamer overweegt vooraf het volgende.

De notarissen hebben erop gewezen dat de door de klagers ondertekende klachtbrief twee identieke handtekeningen vermeldt. Anders dan de notarissen stellen, leidt de Kamer hier niet uit af dat sprake is van een valse handtekening. Blijkbaar heeft, zoals ook de klagers hebben aangeven,

(oud-)notaris G de klacht, behalve voor zichzelf, ook voor zijn kantoorgenote notaris H ondertekend. Dat G daartoe niet gemachtigd zou zijn geweest is niet gesteld of gebleken.

Voorts stellen de notarissen dat de klagers in hun reactie van 5 december 2003 nieuwe klachten hebben geformuleerd. De notarissen maken daartegen bezwaar, althans verlangen een nader onderzoek door de Kamer naar die klachten. De Kamer volgt de notarissen niet in hun opvatting dat sprake is van het indienen van nieuwe klachten. Naar het oordeel van de Kamer hebben de klagers in het bedoelde stuk hun klacht nader omschreven, zonder dat zij nieuwe verwijten hebben geformuleerd. Voor een nader onderzoek op dit punt ziet de Kamer dan ook geen aanleiding.

Dit geldt ook voor de anderszins bij herhaling door de notarissen gedane verzoeken tot het instellen van nieuwe (voor)onderzoeken. De Kamer acht zich voldoende geïnformeerd om op grond van de voorliggende gegevens tot een beoordeling van de klacht te komen.

3. Het eerste verwijt van klagers stelt de vraag aan de orde of de notarissen in strijd met art. 13 Wna hebben gehandeld door buiten hun plaats van vestiging, de gemeente (plaats), een bijkantoor te houden. De Kamer overweegt daarover het volgende.

Uit de wetgeschiedenis op (art. 12 Wna later vernummerd tot) art. 13 Wna volgt dat een notaris buiten zijn plaats van vestiging ambtelijke werkzaamheden mag verrichten, maar dat dit slechts een incidenteel karakter kan hebben. Het incidentele karakter komt tot uiting doordat de vrijheid van de notaris, om op het grondgebied van Nederland de genoemde werkzaamheden te verrichten, wordt ingeperkt door het verbod buiten zijn plaats van vestiging bijkantoren te hebben. Voor het antwoord op de vraag of in dit geval sprake is (geweest) van het hebben van een bijkantoor door de notarissen, moet worden gekeken naar de aard en de hoeveelheid werkzaamheden die zij - in dit geval - te (plaats) hebben verricht.

4. Op verzoek van de Kamer is door notaris A een overzicht van aktenaantallen per jaar over de periode 1998 tot en met 24 maart 2003

Kenmerk: 07.831.1/5 -4-

verstrekt. Daaruit blijkt van de volgende percentages van de in totaal door hem in dat jaar gepasseerde akten te respectievelijk (plaats) en (plaats):

1998 1999 2000 2001 2002 2003 (t/m 24-3)

(plaats) 77,76% 73,96% 82,06% 91,59% 98,09% 96,74%

(plaats) 18,17% 22,38% 15,44% 7,99% 1,40% 1,09%

Een soortgelijk overzicht is van notaris B ontvangen over de periode 30 juni 2000 tot en met 2 april 2003, waaruit de volgende percentages blijken:

2000 (vanaf 30-6) 2001 2002 2003 (t/m 2-4)

(plaats) 86,49% 90,79% 98,79% 99,53%

(plaats) 11,85% 8,55% 0,61% 0,00%

5. Voor zover de genoemde percentages betrekking hebben op de periode sinds welke de huidige Wna van kracht is, te weten vanaf 1 oktober 1999, oordeelt de Kamer dat, wat betreft notaris A, uit de percentages kan worden afgeleid dat hij in die periode tot 2002 een bijkantoor heeft gehad in (plaats), dat wil zeggen buiten zijn plaats van vestiging. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Kamer voor notaris B over de periode 30 juni 2000 tot en met 2001. Daarbij gaat de Kamer uit van de akten die in (plaats) zijn gepasseerd in de vestiging van het kantoor van D aldaar. Ook indien zou worden aangenomen dat, naar notaris A heeft gesteld, hij (omgerekend) ongeveer eenderde van het aantal akten te (plaats) bij de cliënten thuis heeft gepasseerd, waarvan overigens niet is gebleken, blijft de Kamer van oordeel dat notaris A, gelet op het dan nog resterende percentage, op de genoemde vestiging bijkantoor heeft gehad.

Daarmee hebben de notarissen art. 13 Wna overtreden en dus gehandeld in strijd met art. 98 lid 1 Wna. Het eerste klachtonderdeel is dus gegrond.

6. Door de notarissen is nog wel aangevoerd dat (de gegrondheid van) het eerste verwijt moet afstuiten op de ne bis in idem-regel dan wel op verjaring, maar de Kamer verwerpt deze weren.

De omstandigheid dat de Kamer in haar beslissing van 9 juni 1994 de klacht van de Vereniging ongegrond heeft verklaard en op 18 juli 2001 de Vereniging heeft geantwoord dat er op dat moment onvoldoende aanleiding bestond actie te ondernemen tegen notaris A, verhindert niet dat op grond van nadien opgekomen of bekend geworden feiten een nieuwe klacht ter zake wordt ingediend. Daarvan is hier sprake.

Voorts werd in de eerdere gevallen door de Vereniging geageerd, terwijl thans individuele klagers optreden. Er bestaat onvoldoende grond de klagers te vereenzelvigen met de Vereniging, te meer daar niet alle van de huidige klagers toentertijd lid waren van de Vereniging.

Het gegeven dat het voorheen de Vereniging is geweest die is opgetreden verhindert voorts dat aan de (individuele) klagers een beroep op verjaring

Kenmerk: 07.831.1/5 -5-

kan worden tegengeworpen. Daarbij komt dat voldoende aannemelijk is geworden dat de klagers korter dan drie jaar vóór het indienen van de klacht (door middel van verkregen informatie van de voormalige associé van notaris A) hebben kennisgenomen van de thans aan de notarissen verweten gedraging.

7. Met betrekking tot het tweede verwijt, dat de notarissen structureel

faciliteiten hebben verleend aan Makelaardij E te (plaats) en E. Makelaars (verder te noemen E), overweegt de Kamer als volgt.

Makelaar E heeft bij gelegenheid van het getuigenverhoor door de plaatsvervangend voorzitter onder meer verklaard:

"Sinds vorige maand heeft ons kantoor een aansluiting bij het Kadaster. Daarvoor kreeg mijn kantoor de kadastrale uittreksels van notariskantoor A. Daarvoor moest tien gulden per aanvraag worden betaald. .... Per maand of twee maanden werd een rekening ontvangen. Deze werden in hoofdzaak verrekend met onze courtagerekening en betaald nadat het transport had plaatsgevonden. Incidenteel zijn courtagenota's, waarmee de kosten van het kadaster verrekend waren, vóór transportdatum betaald. .... Op vragen van mr. Winters antwoord ik dat de kadastrale uittreksels nodig waren voor taxaties en koopakten. Ik schat dat het gaat om 300 á 400 uittreksels per jaar. .... Waar ik hiervoor heb verklaard dat ons kantoor een soort rekening-courant verhouding had met notariskantoor A nuanceer ik dit door te zeggen dat de kosten voor de kadastrale inzages verrekend werden met de courtagenota's. Er was dus sprake van verrekening en niet van een rekening-courant. In het verleden, voor zover ik mij kan herinneren de periode 1995/1996, is het wel eens voorgekomen dat ik contant courtages van notariskantoor A heb ontvangen. In die periode verkeerde mijn bedrijf in een slechte liquiditeitspositie. De betalingen vonden meestal per transportdatum plaats, incidenteel is het voorgekomen dat voor de transportdatum aan mij contant de courtage werd betaald".

Uit deze verklaring valt in de eerste plaats af te leiden dat notaris A in het verleden, door middel van verrekening of contante betaling, aan E courtage(nota's) heeft voldaan vóór de transportdatum. Dat dit het geval is geweest wordt door notaris A ook niet betwist.

Door aldus te handelen heeft notaris A de vorderingen van E voorgefinancierd. Een notaris dient dit niet te doen. Hij bevoordeelt daarmee de ene makelaar ten opzichte van de andere op een wijze die niet behoort, en die bovendien het gevaar inhoudt van een

ongezonde financiële binding tussen notaris en makelaar. Daarbij komt dat vooruitbetaling van de courtage een financieel risico voor de notaris kan inhouden, omdat achteraf kan blijken dat de cliënt, om wiens geld het hier gaat, niet instemt met de betaling van de courtage aan de makelaar.

8. Voorts volgt uit de hiervoor geciteerde getuigenverklaring dat tot voor kort door (het kantoor van) de notarissen honderden kadastrale inzagen per jaar aan E werden verstrekt. De notarissen ontkennen ook niet dat dit

Kenmerk: 07.831.1/5 -6-

heeft plaatsgevonden. Aangenomen mag worden dat de notarissen de inzagen hebben verkregen door middel van het elektronisch raadplegen van de kadastrale registratie tot welke zij toegang hebben krachtens een met het Kadaster gesloten standaardovereenkomst. Die overeenkomst bepaalt in art. 9 lid 3 onder meer dat het een abonnee niet is toegestaan de via Kadaster-on-line verstrekte informatie openbaar te maken, te verveelvoudigen of door te leveren, waarna art. 9 lid 4 bepaalt dat het de abonnee is toegestaan om de via Kadaster-on-line beschikbaar gestelde informatie in beperkte mate te verveelvoudigen in het kader van de beroepsuitoefening van de abonnee (enkele exemplaren voor cliënt en/of dossier) of ten behoeve van beveiligingsdoeleinden (back-up).

De notarissen hebben zich niet geconformeerd aan die overeenkomst en in grote hoeveelheden kadastrale inzagen verstrekt aan E. Aldus zijn de notarissen op volstrekt ongebruikelijke wijze E van dienst geweest en hebben zij hem aansluitingskosten op het Kadaster bespaard. Daarmee is het Kadaster tevens de aansluitingsopbrengst misgelopen die het bij een abonnement van E had kunnen ontvangen.

Door aldus te handelen hebben de notarissen zich niet gedragen overeenkomstig de waardigheid van hun ambt. Terecht stellen de klagers dat de notarissen zich daarmee binden aan een aanbrenger van opdrachten, waardoor hun onafhankelijkheid in het geding kan komen.

De notarissen hebben nog betoogd dat hier sprake zou zijn van de uitzondering genoemd in art. 9 lid 4 van de standaardovereenkomst, maar naar moet worden aangenomen ziet die regel op het verveelvoudigen van kadastrale inzagen voor cliënten van de notaris, zoals koper of verkoper, en niet op derden zoals makelaars, die immers potentiële abonnees zijn van het Kadaster.

9. Uit hetgeen hiervoor onder 7. en 8. is overwogen volgt dat notaris A en in mindere mate notaris B de bij hun ambt behorende attitude onvoldoende in acht hebben genomen. Daarmee hebben zij gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk notaris betaamt. Ook het tweede klachtonderdeel is dus gegrond.

10. Het derde verwijt, dat notaris A retourprovisies heeft betaald, treft geen doel. De klagers wijzen voor hun stelling dat provisies zijn uitgekeerd naar de door mevrouw F afgelegde getuigenverklaring ten overstaan van de plaatsvervangend voorzitter. Uit deze verklaring kan echter onvoldoende bewijs worden geput voor de gegrondheid van het geuite verwijt. Ook anderszins zijn geen feiten of omstandigheden gebleken, die de juistheid van dit klachtonderdeel ondersteunen.

11. De Kamer is van oordeel dat, voor zover de verwijten doel treffen, de notarissen laakbaar hebben gehandeld. Bij de beoordeling of daarop een tuchtrechtelijke maatregel dient te volgen en zo ja welke, neemt de Kamer het volgende in overweging.

Kenmerk: 07.831.1/5 -7-

Met betrekking tot notaris A geldt het volgende. Notaris A was, door de uitspraak van de Kamer van 9 juni 1994, gewaarschuwd geen bijkantoor te starten te (plaats). Hij heeft die waarschuwing naast zich neergelegd. De Kamer rekent hem dit zwaar aan.

Dat het verstrekken van kadastrale inzagen klaarblijkelijk gebeurde op grond van de vriendschappelijke betrekkingen tussen notaris A en E en dat daar kennelijk verder geen ruchtbaarheid aan is gegeven, mag in het voordeel van notaris A pleiten, maar laat de laakbaarheid van zijn desbetreffende handelwijze onverlet. Het voorfinancieren had notaris A zonder meer achterwege dienen te laten.

Bij beslissing van 21 september 2001 van het gerechtshof te Amsterdam is in een eerdere klachtprocedure in hoger beroep, onder toepassing van de vóór 1 oktober 1999 geldende Wet op het notarisambt, aan notaris A een berisping opgelegd, waarbij het gerechtshof heeft overwogen dat, ware de huidige Wet op het notarisambt van toepassing geweest aan notaris A een schorsing zou zijn opgelegd.

Ten aanzien van notaris B geldt het volgende.

Ook notaris B heeft bijkantoor gehad in (plaats), zij het korter dan notaris A. Verder is aannemelijk dat het initiatief tot het verstrekken van kadastrale inzagen niet van notaris B is uitgegaan. Hij is niet eerder tuchtrechtelijk veroordeeld.

Beide notarissen zijn geconfronteerd met de landelijke publiciteit die de onderhavige klachtzaak heeft gekregen, waardoor zij reeds enigermate zijn gestraft.

Al het voorgaande in aanmerking genomen zal de Kamer aan notaris A de maatregel van berisping en aan notaris B geen maatregel opleggen, waarbij met betrekking tot de laatstgenoemde zijn blanco tuchtrechtelijke verleden in aanzienlijke mate heeft meegewogen.

De beslissing

De Kamer van Toezicht

ten aanzien van notaris A

verklaart de klacht tegen de notaris ten dele gegrond, zoals hiervoor is overwogen;

legt aan de notaris ter zake van het gegrond verklaarde gedeelte van de klacht de maatregel van berisping op;

bepaalt dat de opgelegde maatregel, nadat deze beslissing in kracht van

Kenmerk: 07.831.1/5 -8-

gewijsde is gegaan, zal worden uitgesproken door de voorzitter in een nader te bepalen vergadering van de Kamer, waarvoor de notaris bij aangetekende brief zal worden opgeroepen;

verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

ten aanzien van notaris B

verklaart de klacht tegen de notaris gegrond, zoals hiervoor is overwogen;

acht geen termen aanwezig de notaris een tuchtrechtelijke maatregel op te leggen;

verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.Æ. Uniken Venema, voorzitter,

mrs. H. Quispel, J.H.H. Misdorp, L.D. van Regteren Altena en J.G.T.M. Castrop (plv.), leden, en in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. Oor, secretaris, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2004.

De secretaris De voorzitter