Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO7711

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-04-2004
Datum publicatie
16-04-2004
Zaaknummer
110894 / KG ZA 04-156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het pensioenfonds heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn middelen (volledige) indexering van de ingegane pensioenen niet toelaten. Daarbij komt dat gepensioneerden niet gebonden zijn aan de na hun pensionering gesloten CAO waarin de korting op de indexering is afgesproken tussen Campina en de bonden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2004, 30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 110894 / KG ZA 04-156

Datum vonnis: 16 april 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

1. de vereniging

VERENIGING VAN GEPENSIONEERDEN CAMPINA VGC,

statutair gevestigd te Zaltbommel, feitelijk gevestigd te Weert,

2. X,

wonende te Terborg,

3. Y,

wonende te Callantsoog,

4. A,

wonende te Breda,

5. Z,

wonende te Woerden,

eisers bij dagvaarding van 22 maart 2004,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaten mr. E.E. Dijxhoorn en mr. J. Anema te Amersfoort,

tegen

de stichting

STICHTING PENSIOENFONDS CAMPINA,

gevestigd te Zaltbommel,

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. O.F. Blom te Nieuwegein.

Het verloop van de procedure

Eisers hebben gedaagde -hierna te noemen: het pensioenfonds- ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding, met dien verstande dat zij hun eis hebben aangevuld zoals hierna vermeld. Het pensioenfonds heeft zich niet verzet tegen de eiswijziging. Wel heeft het geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Zij hebben daarbij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. Eiseres sub 1 -hierna te noemen: VGC- is een vereniging die de belangen behartigt in pensioenaangelegenheden van gepensioneerden van Campina B.V. te Zaltbommel -hierna te noemen: Campina. Eisers sub 2 tot en met 5 zijn gepensioneerden van Campina.

2. Het pensioenfonds is een stichting die ten doel heeft het doen van pensioenuitkeringen aan, onder meer, gepensioneerde werknemers van Campina.

3. In de statuten van het pensioenfonds staat onder andere vermeld:

“ARTIKEL 3

(...)

1. De inkomsten van de stichting (vzr, het pensioenfonds) worden gevormd door:

a. bijdragen van de werkgever (vzr, Campina) en gelieerde ondernemingen, vast te stellen op grond van overeenkomsten gesloten met de werkgever en gelieerde ondernemingen;

(...)

ARTIKEL 6

(...)

3. Indien en voor zover bij een statutenwijziging of pensioenreglementswijziging de belangen van de deelnemers op een of meer onderdelen rechtstreeks en in negatieve zin zijn betrokken, zal deze wijziging geschieden na voorlegging aan de deelnemers en nadat ten minste de helft van de door de deelnemers uitgebrachte stemmen voor de wijziging is uitgebracht en zonder aantasting van over reeds door de deelnemers vervulde dienstjaren verkregen aanspraken of rechten, tenzij en voorzover de middelen van de stichting zulks op grond van een berekening door de actuaris vereisen, ten gevolge waarvan tot een evenredige vermindering van de pensioenaanspraken en -rechten zal worden overgegaan.

4. Door het bestuur wordt, onder goedkeuring van de werkgever, een pensioenreglement vastgesteld, waarin de pensioenaanspraken nader worden geregeld. Het bestuur is bevoegd het pensioenreglement, onder goedkeuring van de werkgever, te wijzigen.

(...)”

4. Tussen het pensioenfonds en Campina is een overeenkomst gesloten als bedoeld in artikel 3 van de statuten -hierna te noemen: de aansluitingsovereenkomst. De aansluitingsovereenkomst bepaalt in de artikelen 3 en 4:

“Artikel 3.

De onderneming (vzr, Campina) zal tijdig aan het pensioenfonds gegevens verschaffen die nodig zijn om jaarlijks de pensioenrechten en de premies van de deelnemers te bepalen. De onderneming vrijwaart het pensioenfonds voor alle financiële nadelen als gevolg van onjuiste, onvolledige of niet-tijdige opgaven.

Artikel 4.

De onderneming zal aan het pensioenfonds de premies voldoen die berekend zijn volgens de actuariële en bedrijfstechnische nota van het pensioenfonds. Deze nota kan alleen worden gewijzigd met goedvinden van de onderneming.”

5. Het in artikel 6 lid 4 van de statuten bedoelde Pensioenreglement Eindloonregeling -hierna te noemen: het pensioenreglement- bepaalt in artikel 10 lid 1:

“(...)

1. Tijdstip, niveau en maximering

Telken jare worden op 1 januari de krachtens dit reglement ingegane pensioenen en de aanspraken van gewezen deelnemers, als bedoeld in de “Regeling omschrijving gewezen deelnemers” (vzr, de gepensioneerden) voortvloeiende uit het bepaalde in artikel 8 lid 9 van de Pensioen- en spaarfondsenwet, procentueel verhoogd overeenkomstig de procentuele stijging van het prijsindexcijfer van de maand september van het voorafgaande jaar ten opzichte van de maand september van het daaraan voorafgaande jaar, mits de beschikbare middelen van de Stichting zulks toelaten. Indien het aldus vastgestelde stijgingspercentage meer dan 3% is, zal het bestuur de werkgever vooraf verzoeken middelen ter beschikking te stellen voor de verhoging die genoemde 3% overtreft.”

6. In een aanvullende CAO op de CAO inzake Pensioenen 2000 voor de Zuivelindustrie heeft Campina in het najaar van 2003 met de vakbonden onder meer afgesproken dat de indexering van de ingegane pensioenen en premievrije aanspraken met ingang van 1 januari 2004 zal worden verlaagd met 1,5%.

7. Het pensioenfonds heeft bij brief van 19 januari 2004 aan de gepensioneerden van Campina onder meer geschreven:

“In september jl. werd U een schrijven (d.d. 8 september 2003) van Campina b.v. en de vakbonden toegezonden. Hierin werd u geïnformeerd over de maatregelen dat voor gepensioneerden en gelijkgestelde groepen een tijdelijke korting van 1,5 % wordt ingevoerd op het jaarlijkse indexeringspercentage.

Omdat deze indexering deel uitmaakt van de verantwoordelijkheid van het bestuur van het pensioenfonds hebben wij deze maatregelen vanuit het pensioenfondsbestuur bekeken. Hierbij zijn wij tot de slotstom gekomen, dat het evenwichtiger is om de korting op de indexering van de jaren 2004 tot en met 2008 te stellen op 1,2 % in plaats van 1,5 %. De deelnemersraad heeft hierover een positief advies uitgebracht.

Deze korting van 1,2 % wordt alleen toegepast indien er geen sprake is van premietekort voor de werkgever. Omdat wij dit jaarlijks op basis van resultaten van het pensioenfonds moeten vaststellen, kan de korting op de indexering pas in de daarop volgende maand april definitief worden vastgesteld. Tot en met 2008 zal in januari de indexering worden vastgesteld met toepassing van de korting. Indien blijkt dat er geen korting behoeft te worden toegepast, ontvangt u in april het nieuwe hogere maandbedrag én en nabetaling over de eerste 3 maanden van dat jaar.

Op grond van het pensioenreglement is de indexering berekend op 1,9 % per januari 2004. U zult voor dit jaar van ons de pensioenuitkering ontvangen op basis van deze indexering minus de 1,2 %. Per saldo bedraagt de indexering dus 0,7 %, per januari 2004.”

8. Eisers hebben tegen het besluit van het pensioenfonds om op de indexering een korting toe te passen zoals hiervóór aangegeven, vruchteloos geprotesteerd.

9. In door eisers in het geding gebrachte verklaring van de heer B. Bijvoet van 30 maart 2004 staat onder meer het volgende vermeld:

“In mijn hoedanigheid van voorzitter van de hoofddirectie van Campina van 1995 tot medio 2000, heb ik regelmatig aan pensioenfondsbestuurders, aan de centrale ondernemingsraad (COR), aan individuele werknemers, met name divisie directeuren, en de Raad van Commissarissen van Campina meegedeeld dat -indien nodig- de premierestitutie, welke de werkgever vanaf 1991 jaarlijks heeft verkregen, zouden worden teruggestort, indien het Pensioenfonds tekort zou komen. Het pensioenreglement geeft dat overigens ook zelf aan. Datzelfde pensioenreglement heeft er ook toe geleid, dat in de jaren ’80, tengevolge van de hoge inflatie en lage rente, een aantal malen door Campina daadwerkelijk is bijgestort om tekorten aan te zuiveren.”

In de door eisers in het geding gebrachte verklaring van de heer B.J. de Lange van 26 maart 2004 staat onder andere:

“Ik heb van augustus 1985 tot en met december 1999 deel uitgemaakt van de hoofddirectie van Campina. Uit dien hoofde heb ik mij ook bezig gehouden met het opstellen van het Pensioenreglement Eindloonregeling van de Stichting Pensioenfonds Campina. Deze zijn door de toenmalige hoofddirectie goedgekeurd.

(...)

De voormalige hoofddirectie van Campina heeft bij monde van mijzelf en later de heer B. Bijvoet vanaf 1991 regelematig, ten overstaan van pensioenfondsbestuurders, COR en individuele werkgevers, meegedeeld dat, indien nodig, de premiesrestituties welke de wergever vanaf 1991 jaarlijks heeft verkregen, zouden worden teruggestort indien het Pensioenfonds tekort zou komen. Deze belofte is niets meer of minder dan het Pensioenreglement zelf ook aangeeft. Datzelfde Pensioenreglement heeft er dan ook toe geleid dat in de jaren tachtig, tengevolge van een combinatie van hoge inflatie en lage rente (is een lage reële rentevoet)een aantal malen door de werkgever daadwerkelijk is bijgestort om tekorten aan te zuiveren.”

De vorderingen

1. Eisers vorderen na aanvulling van hun eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- het pensioenfonds te verbieden tot korting op de indexering als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement in de jaren 2004 tot en met 2008 ad 1,2 % over te gaan, op verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere dag dat het verbod wordt overtreden, althans

- het pensioenfonds te bevelen zijn verplichtingen uit hoofde van het pensioenreglement jegens de gewezen deelnemers na te komen, meer in het bijzonder ten aanzien van de indexering als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement, zonder enige korting op de indexering in de jaren 2004 tot en met 2008 ad 1,2 % op verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere dag dat het bevel niet wordt opgevolgd, althans

- het pensioenfonds te verbieden de eisers sub 2 tot en met 5 te korten op de indexering als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement, zonder enige korting op de indexering in de jaren 2004 tot en met 2008 ad 1,2 % op verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere dag dat het verbod wordt overtreden, althans

- het pensioenfonds te bevelen zijn verplichtingen uit hoofde van het pensioenreglement jegens de eisers sub 2 tot en met 5 na te komen, meer in het bijzonder ten aanzien van de indexering als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement, zonder enige korting op de indexering in de jaren 2004 tot en met 2008 ad 1,2 % op verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere dag dat het bevel niet wordt opgevolgd, althans

- het pensioenfonds te verbieden tot korting op de indexering als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement in de jaren 2004 tot en met 2008 ad 1,2 % over te gaan, totdat in een bodemprocedure tussen partijen bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist dat het pensioenfonds is toegestaan tot korting op de indexering als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement in de jaren 2004 tot en met 2008 ad 1,2 % over te gaan, op verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere dag dat het verbod wordt overtreden, althans

- het pensioenfonds te verbieden eisers sub 2 tot en met 5 te korten op de indexering als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement in de jaren 2004 tot en met 2008 ad 1,2 %, totdat in een bodemprocedure tussen partijen bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist dat het pensioenfonds is toegestaan tot korting op de indexering als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement in de jaren 2004 tot en met 2008 ad 1,2 % over te gaan, op verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere dag dat het verbod wordt overtreden,

- en het pensioenfonds te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2. Eisers leggen aan hun eis ten grondslag dat het door het pensioenfonds genomen besluit tot korting op de indexering in strijd is met het gestelde in artikel 10 van het pensioenreglement. Zij voeren daarvoor aan dat niet gebleken is dat de beschikbare middelen van het pensioenfonds onvoldoende zijn om een korting op de indexering toe te passen. Zij hebben ter zitting verklaard uiterlijk op het tijdstip waarop dit vonnis wordt gewezen een bodemprocedure te zijn begonnen.

3. Het pensioenfonds voert gemotiveerd verweer tegen het gevorderde, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

De motivering van de beslissing

1. Het pensioenfonds heeft ten eerste als verweer aangevoerd dat VGC niet ontvankelijk is in haar vorderingen, stellende dat VGC geen eigen belang heeft bij de vorderingen. Dit verweer slaagt niet. In VGC heeft, naar ter zitting aannemelijk is geworden, een groot gedeelte van de gepensioneerden van Campina de belangen in pensioenaangelegenheden gebundeld. Het besluit van het pensioenfonds om te korten op de indexering van de pensioenen raakt rechtstreeks de gebundelde belangen van de leden van VGC. Om die reden is VGC als behartiger van die belangen ontvankelijk in haar vorderingen.

2. Voor de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen heeft als vertrekpunt te gelden dat artikel 10 van het pensioenreglement bepalend is voor de aanspraken van de gepensioneerden van Campina jegens het pensioenfonds. Op grond van dat artikel behoort ook de indexering van de pensioenen, in elk geval als deze beneden de 3% blijft, tot de aanspraken, mits de beschikbare middelen van het pensioenfonds indexering toelaten. Centraal in dit kort geding staat daarmee de vraag of het pensioenfonds voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de beschikbare middelen een (volledige) indexering in 2004 van 1,9% niet toelaten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het pensioenfonds dit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

3. Allereerst is van belang dat niet gesteld of gebleken is dat de dekkingsgraad te laag is. Integendeel, voldoende aannemelijk is geworden dat deze op dit moment hoger is dan de Pensioen- en Verzekeringskamer -hierna te noemen: PVK- eist. Er is dus bij het pensioenfonds geen dekkingstekort.

4. Het pensioenfonds voert aan dat wel sprake is van een reservetekort. Het gaat hierbij om de dekking van de beleggingsrisico’s. Als de beleggingsrisico’s onvoldoende door reserves worden afgedekt is er sprake van een reservetekort. Volgens het pensioenfonds doet die situatie zich voor. Dat er sprake is van een reservetekort lijkt aannemelijk, nu eisers dat niet, althans onvoldoende, hebben weersproken. Het pensioenfonds heeft begin 2003 een herstelplan ingediend bij de PVK op basis waarvan het pensioenfonds het reservetekort wil wegwerken. Evenwel is niet gebleken dat het beperken van de indexering van de pensioenen een noodzakelijk onderdeel is van het herstelplan.

5. De vraag is vervolgens of het desondanks aannemelijk is dat het herstelplan in gevaar komt als de indexering van de pensioenen niet wordt beperkt overeenkomstig het besluit dat het pensioenfonds daarover heeft genomen. Dat is op dit moment niet het geval. Het pensioenfonds heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat en waarom Campina de kosten van de indexering niet ingevolge de aansluitingsovereenkomst in rekening kunnen worden gebracht. In dit verband zijn de verklaringen van de heren Bijvoet en De Lange, inhoudende dat ten tijde van hun lidmaatschap van de hoofddirectie van Campina door Campina is toegezegd dat eventuele tekorten van het pensioenfonds -zoveel mogelijk- zullen worden aangezuiverd door terugstorting aan het pensioenfonds van door Campina ontvangen premierestitutie. Weliswaar wordt die toezegging naast de heer A.J. Ooijen, destijds en thans voorzitter van het bestuur van het pensioenfonds, betwist, evenwel door functionarissen binnen Campina in hun huidige hoedanigheden, die zij ten tijde van de betwiste toezegging niet hadden.

6. Uit het hiervóór overwogene volgt dat in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is dat het pensioenfonds wegens een tekort aan beschikbare middelen op grond van artikel 10 van het pensioenreglement de indexering van de pensioenen kan beperken. De vraag is dan of het pensioenfonds op basis van de door Campina gesloten CAO -waar het pensioenfonds aan refereert in zijn brief van 19 januari 2004- jegens de gepensioneerden kan afwijken van het thans bepaalde in artikel 10 van het pensioenreglement, en of de gepensioneerden in die zin gebonden zijn aan de CAO, die in het najaar van 2003 is gesloten, zoals het pensioenfonds betoogt. Deze vraag dient ontkennend beantwoord te worden nu de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst geen aanknopingspunten biedt voor de gebondenheid van gepensioneerden aan een CAO die is gesloten na hun pensionering.

7. Nu bovendien niet is gebleken dat op artikel 10 van het pensioenreglement een wijziging is aangebracht met inachtneming van artikel 6 van de statuten, leidt al het hiervóór overwogene tot het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het pensioenfonds jegens gepensioneerden van Campina gehouden is uitvoering te blijven geven aan het thans bepaalde in artikel 10 van het pensioenreglement. Dit betekent dat het pensioenfonds in 2004 niet mag korten op de op dat artikel gebaseerde indexering van de pensioenen. Omdat van het spoedeisend belang van eisers bij het primair gevorderde verbod voor het pensioenfonds de indexering van de pensioenen te beperken, genoegzaam is gebleken, zal het verbod worden toegewezen voor het jaar 2004, op straffe van verbeurte van een dwangsom bij overtreding. Het gevorderde verbod voor de volgende jaren voert te ver, omdat op dit moment de dan geldende regels, feiten en omstandigheden niet kunnen worden overzien. Ambtshalve zullen de dwangsommen worden gemaximeerd zoals hierna vermeld.

8. Als de in het ongelijk gestelde partij zal het pensioenfonds in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

verbiedt het pensioenfonds over te gaan tot korting op de indexering als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement in het jaar 2004 ad 1,2 %;

veroordeelt het pensioenfonds om aan eisers gezamenlijk een dwangsom te betalen van € 100.000,00 voor iedere dag dat het pensioenfonds het verbod overtreedt, zulks met een maximum van € 5.000.000,00;

veroordeelt het pensioenfonds in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers bepaald op € 311,40 voor verschotten (€ 241,00 wegens griffierecht en € 70,40 wegens betekening van de dagvaarding) en op € 703,00 voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.Æ. Uniken Venema en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde uitgesproken op 16 april 2004.