Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO7457

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
13-04-2004
Zaaknummer
105251 / FA RK 03-12314
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ontkenning vaderschap en vaststelling vaderschap gedaan door minderjarige, jonger dan twaalf jaar; Nederlands recht van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2004, 85 met annotatie van P. Dorhout
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector familierecht

zaak/rekestnummer: 105251 / FA RK 03-12314

datum uitspraak: 20 februari 2004

Beschikking

naar aanleiding van het verzoekschrift van

Robert Paul Zwarts,

als bijzonder curator over de minderjarige

Het kind,

wonende te Arnhem.

Belanghebbenden:

- De moeder, zonder bekende woon- of verblijfplaats,

- Y, zonder bekende woon- of verblijfplaats,

- De vader, wonende te Arnhem,

- de officier van justitie.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift (met bijlagen), ingekomen op 18 september 2003,

- een brief met bijlage van de bijzonder curator, ingekomen op 10 december 2003,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 21 januari 2004.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 januari 2004, alwaar aanwezig waren de bijzonder curator, de vader, mevrouw mr. M.H.C. Pinxteren namens de Raad voor de Kinderbescherming en, namens de officier van justitie, R.J. Stegink.

De moeder en de heer Y zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter zitting.

De feiten

De moeder is op 19 maart 1992 gehuwd met Y.

Tijdens haar huwelijk heeft de moeder een affectieve relatie gehad met de vader. Uit deze relatie is de minderjarige (hierna ‘Het kind’), geboren in 1994 te Arnhem. Door de ambtenaar van de burgerlijke stand is bij het opmaken van de akte van geboorte van het kind vastgesteld dat de moeder gehuwd was met Y, op grond waarvan het kind als hun dochter met de geslachtsnaam “Y” is ingeschreven.

Het kind verblijft sinds haar geboorte bij de vader, die volgens het rapport van het Centraal laboratorium van de bloedtransfusiedienst van het Nederlandse Rode Kruis, verzonden op 27 januari 1997, hoogstwaarschijnlijk de vader is van het kind (vaderschapswaarschijnlijkheid 99,98%).

Bij uitspraak van 3 mei 2001 is het huwelijk van de moeder en Y door het “High Court of South Africa” nietig (“null and void”) verklaard.

De woon- of verblijfplaatsen van de moeder en Y zijn onbekend.

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 juli 2003 is mr. Zwarts benoemd tot bijzonder curator van het kind.

Het verzoek

Het verzoek strekt er primair toe dat de ambtenaar van de burgerlijke stand te Arnhem wordt gelast in de geboorteakte en in het bevolkingsregister door te halen dat Y de vader is van het kind, dan wel dat hij de echtgenoot zou zijn van de moeder, en te gelasten dat de geslachtsnaam van het kind wordt verbeterd in die van de moeder.

Subsidiair wordt verzocht de ontkenning van het vaderschap van Y gegrond te verklaren. Ten derde wordt verzocht vast te stellen dat de vader de vader van het kind is en ten slotte vast te stellen dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal dragen.

De beoordeling van het verzoek

1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid

In zijn algemeenheid gaan de wetgever en de rechtspraak er van uit dat een minderjarige, vertegenwoordigd door een bijzonder curator, een zekere rijpheid moet hebben om een procedure tot ontkenning van het vaderschap, op grond van artikel 1:200, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), te kunnen voeren. Voor het vaststellen van de nodige rijpheid kan als aanknopingspunt dienen de in andere bepalingen gebruikte leeftijdsgrens van twaalf jaar.

Op het moment van indienen van het verzoekschrift was het kind acht jaar.

Namens het kind is primair gesteld dat de voorwaarde, dat het kind een zekere rijpheid moet bezitten, niet al te strikt moet worden gehanteerd en dat met name moet worden gekeken naar het belang van het kind. Subsidiair is aangevoerd dat het kind de benodigde rijpheid bezit. Ter zitting hebben de bijzonder curator en de vader verklaard dat zij beiden met het kind hebben gesproken over haar afstamming. Het kind begrijpt goed waar de onderhavige procedure over gaat. Zij heeft de wens te kennen gegeven dat haar juridische status in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie; zij wil dat haar biologische vader ook haar juridische vader wordt.

Namens de officier van justitie is ter zitting aangevoerd dat het kind belang heeft bij het door haar verzochte maar dat niettemin moet worden beoordeeld of zij de benodigde rijpheid bezit. Dit laatste staat naar de mening van het Openbaar Ministerie onvoldoende vast. Om die reden is namens de officier van justitie verzocht om aanhouding zodat naar dit aspect nader onderzoek kan worden gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat er gevallen denkbaar zijn waarin het belang van het kind om de afstamming te wijzigen vóórdat het kind een zekere rijpheid bezit, zwaarder dient te wegen dan het vereiste dat het kind daarvoor de leeftijd des onderscheids moet hebben bereikt. In dit verband is van belang dat artikel 1:212 BW er in voorziet dat de bijzonder curator in zaken van afstamming zelfstandig toetst of het belang van het kind is gediend met een wijziging van zijn afstamming.

In de gegeven omstandigheden dient naar het oordeel van de rechtbank niet strikt te worden vastgehouden aan de vereiste rijpheid van de minderjarige. Immers, nu zowel de moeder als Y een onbekende woon- of verblijfplaats hebben en er sinds de geboorte geen contact is tussen de minderjarige en Y is er voor het kind geen andere mogelijkheid om de juridische band tussen haar en haar biologische vader te vestigen, terwijl voor haar van belang is dat dit zo spoedig mogelijk gebeurt. Bovendien heeft de bijzonder curator vastgesteld dat het kind goed begrijpt wat het doel van het namens haar ingediende verzoekschrift is. De Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting aangegeven nader onderzoek naar de rijpheid van het kind evenmin nodig te achten.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank het aanhoudingsverzoek dat namens de officier van justitie is gedaan, afwijzen en bepalen dat verzoeker in zijn verzoek namens de minderjarige ontvankelijk is.

2. Ten aanzien van het primaire verzoek

De bijzonder curator voert aan dat uit de door hem bij het verzoekschrift overgelegde uitspraak van het “High Court of South Africa” van 3 mei 2001 blijkt dat het huwelijk tussen de moeder en Y nietig is.

De bijzonder curator concludeert dat dit huwelijk nooit tot stand is gekomen en dat om die reden Y niet als vader van het kind kan worden aangemerkt, op grond waarvan hij om correctie van de geboorteakte en de inschrijving in het bevolkingsregister verzoekt.

Het primair verzochte zal de rechtbank afwijzen, omdat op dat verzoek pas kan worden beslist als er - in rechte - duidelijkheid is omtrent de afstamming van het kind. Eerst indien die duidelijkheid er is door het in kracht van gewijsde zijn van een rechterlijke uitspraak en de ambtenaar van de burgerlijke stand zou weigeren de aktes conform die uitspraak te wijzigen, zou een dergelijk verzoek voor toewijzing gereed kunnen liggen.

3. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek

3.1 Toepasselijk recht

Gelet op de omstandigheid dat het kind haar gewone verblijfplaats heeft in Arnhem, is op grond van de artikelen 2 en 6, gelezen in samenhang met artikel 1, van de Wet Conflictenrecht Afstamming (hierna WCA) het Nederlands recht van toepassing op respectievelijk het verzoek tot ontkenning van het vaderschap en het verzoek om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, omdat een gemeenschappelijke nationaliteit of een gemeenschappelijke verblijfplaats van de moeder en Y ontbreekt, en er evenmin sprake is van een gemeenschappelijke nationaliteit of gemeenschappelijke verblijfplaats van de moeder en de vader.

3.2 Ontkenning van het vaderschap

Volgens het toepasselijke Nederlandse recht heeft de nietigverklaring van het huwelijk tussen de moeder en Y niet het gevolg dat de echtgenoot van de moeder met terugwerkende kracht niet zou gelden als de vader van het kind.

Op grond van artikel 1:200, eerste lid, aanhef en onder a, BW kan het kind het vaderschap ontkennen op de grond dat de man niet de biologische vader is van het kind.

Uit het overgelegde rapport van 27 januari 1997 van het Centraal laboratorium van de bloedtransfusiedienst van het Nederlandse Rode Kruis, blijkt dat de vader op grond van het vaderschapsonderzoek hoogstwaarschijnlijk de biologische vader is van het kind.

Gelet op de uitkomst van voornoemd onderzoek zal de rechtbank het verzoek om ontkenning van het vaderschap van Y gegrond verklaren.

3.3 Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap

Artikel 1:207, eerste lid, BW bepaalt dat het kind om vaststelling van het vaderschap van een man kan verzoeken op de grond dat deze man de verwekker is van het kind.

Gelet op de inhoud van voornoemd rapport van 27 januari 1997 staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de vader de verwekker is van het kind.

De in artikel 1:207, tweede lid, BW genoemde beletselen doen zich, gelet op het bepaalde in rechtsoverweging 3.1, niet voor.

De rechtbank zal dan ook overgaan tot de vaststelling van het vaderschap van de vader.

3.4 Wijziging van de geslachtsnaam

Het toewijzen van de ontkenning van het vaderschap van Y en het vaststellen van het vaderschap van de vader houdt niet van rechtswege een wijziging van de geslachtsnaam in de vader in. Door ontkenning van het vaderschap krijgt het kind de geslachtsnaam van de moeder. De minderjarige behoudt, ingevolge artikel 1:5 lid 2 BW, de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de vader gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. Dat is niet gebeurd. Het kind heeft de leeftijd van 16 jaar nog niet bereikt zodat zij niet zelf op grond van artikel 1:5 lid 7 BW, de keuze voor de geslachtsnaam de vader kan maken.

Deze bepaling brengt daarom met zich mee, dat verzoeker niet ontvankelijk is in zijn verzoek namens de minderjarige de geslachtsnaam Y te wijzigen in die van de vader.

4. Gezag

De Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting verzocht om het gezag over het kind aan de vader toe te wijzen. Nu in de onderhavige situatie de kantonrechter de bevoegde rechter is, zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om op dit verzoek te beslissen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de moeder, als belanghebbende, niet op de hoogte was van dit verzoek, zodat een beslissing op dit verzoek ook in strijd zou zijn met een behoorlijke procesorde.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn primaire verzoek alsmede in zijn verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige;

- verklaart het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van Y, geboren op 19 juli 1954, zonder bekende woon- en verblijfplaats gegrond;

- stelt vast dat de vader, wonende te Arnhem, de vader is van het kind geboren in 1994 te Arnhem;

- verklaart zich onbevoegd te beslissen over de gevraagde gezagsvoorziening;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking? is gegeven door mrs. A.E.M. Overkamp, voorzitter, G.M. Roerink en A.S.W. Kroon in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2004

de griffier de rechter