Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO6975

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-03-2004
Datum publicatie
02-04-2004
Zaaknummer
AWB 04/392
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwstop woonschip: gelet op wijze van verankering bouwwerk in de zin van de Woningwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 04/392

Uitspraak

van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X] en [Y], verzoekers,

wonende te [A], vertegenwoordigd door mr. S.P. Dalmolen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal, verweerder

alsmede [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], partij ex 8:26 Awb.

wonende te [A]

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2004, verzonden 3 februari 2004, heeft verweerder verzoekers aangeschreven om het bouwen van een woonboot op het perceel, plaatselijk bekend [adres], onmiddellijk te staken.

Tegen dit besluit is namens verzoekers op 25 februari 2004 bezwaar gemaakt. Gelijktijdig is de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat bovengenoemd besluit wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 16 maart 2004. Verzoekers

zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.P. Dalmolen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevr. mr.

L.C.G. Hoenselaar.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Verzoekers hebben het standpunt ingenomen dat het besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. Verweerder was volgens hen reeds sinds de verlening van de vergunning voor het maken en behouden van een woonboot op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken van

22 januari 2003 op de hoogte van de bouwwerkzaamheden aan de boot, doch is pas in januari 2004 de bouwstop opgelegd.

Hieromtrent overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat verweerder eerder op de hoogte was of had behoren te zijn van de bouwwerkzaamheden. Hierbij acht de voorzieningenrechter tevens van belang dat uit het verzoek om handhaving van derden-belanghebbenden d.d. 2 maart 2004 blijkt dat verzoekers enige weken daarvóór een werk voor hun woonark lieten plaatsen.

Ten aanzien van het standpunt van verzoekers dat de onderhavige woonark niet kan worden aangemerkt als een bouwwerk, overweegt

de voorzieningenrechter als volgt.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wow - voor zover in dit geding van belang - is het verboden te bouwen zonder een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Onder "bouwen" wordt ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wow - voor zover in dit geding van belang - verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

Het begrip bouwwerk wordt in de Wow niet nader gedefinieerd. Blijkens vaste jurisprudentie dient voor de uitleg van dat begrip te worden uitgegaan van het spraakgebruik, waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de in de modelbouwverordening gegeven definitie. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de woonark een afmeting heeft van 24 meter lang, 5,5 meter breed en 6,5 meter hoog. Het object bestaat uit twee met elkaar verbonden bakken van 10 meter, waarin zich een woon- en slaapgedeelte bevinden.

Het is de bedoeling dat [X] en [Y] permanent in de woonark gaan wonen. De woonark is met de grond verankerd door middel van twee sputpalen. Met behulp van een scharnierconstructie ligt het object aan deze palen vast. Door het losmaken van een vijftal bouten wordt het object losgekoppeld, wat ongeveer 15 minuten in beslag neemt.

Hoewel de woonark een drijvend object is, moet gelet op de solide wijze van verankering met sputpalen worden gesteld dat de woonark plaatsgebonden is, zodat moet worden gesproken van het oprichten van een bouwwerk in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wow. Steun voor dit standpunt vindt de voorzieningenrechter met name in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 oktober 2001, nr. 20004512/1 (gepubliceerd op rechtspraak.nl), waar eveneens sprake was van een bevestiging met sputpalen. Voor wat betreft de verwijzing door verzoekers naar de overgelegde uitspraak van genoemde Afdeling van 18 september 1997, nr. R03.93.2382, merkt de voorzieningenrechter het volgende op.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de onderhavige constructie, met name gelet op de eerder genoemde wijze van bevestiging, niet worden aangemerkt als een woonschip.

Mitsdien bestaat er geen aanleiding aan te nemen dat de Woningwet in dit geval niet van toepassing is.

Nu vaststaat dat verzoekers zonder bouwvergunning bouwwerkzaamheden verrichtten, heeft verweerder zich gelet op het voorgaande terecht bevoegd geacht deze stil te leggen.

Voor het overige is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van zijn besluit.

Hierbij zij nog aangetekend dat het bestuursorgaan volgens vaste jurisprudentie van de hogere rechter niet gehouden is om bij een bouwstop onderzoek te doen naar de mogelijkheid van legalisatie.

Gelet op het voorgaande komt het verzoek tot het treffen van en voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2004.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op: