Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO5914

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
19-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/996
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet voorzieningen gehandicapten. Medische advisering. In beginsel dient een arts de aanvrager in persoon te zien om zich een oordeel te vormen over diens beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 03/996

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[A], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. G. van Leeuwen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 maart 2003.

2. Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2002 heeft verweerder eisers aanvraag voor een woonvoorziening op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 27 januari 2004. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. G. van Leeuwen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R.J.A. Broeren, werkzaam bij de gemeente Lingewaard.

3. Overwegingen

Eiser leidt aan de aandoening multiple sclerose. Hij geeft aan hierdoor binnenshuis gebruik te moeten maken van een trippelstoel en buitenshuis van een rolstoel. Ter zitting heeft eiser toegelicht in slechte perioden ook binnenshuis rolstoelafhankelijk te zijn en dan gebruik te maken van zijn (sport)rolstoel. Merendeels maakt hij echter gebruik van de trippelstoel. Verzocht is om een woonvoorziening om de woning en de verschillende woonruimten toegankelijk en geschikt te maken voor het gebruik van een rolstoel.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser rolstoelgebonden is en onzeker is wanneer een degelijke situatie zich zal voordoen. Aangezien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening ten behoeve van rolstoelgebruik is verweerder van mening dat de gevraagde woonvoorzienig niet langdurig noodzakelijk is, zodat de aanvraag moet worden afgewezen op grond van artikel 1.3, eerste lid, sub b, van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Lingewaard (de Verordening).

Artikel 1.3, eerste lid, sub b, van de Verordening bepaalt dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover deze langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied van het wonen of zich buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen.

Artikel 2.4, eerste lid, van de Verordening bepaalt - voor zover van belang - dat een gehandicapte voor een woonvoorziening in aanmerking kan worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.

Ten aanzien van de door verweerder gehanteerde wettelijke grondslag overweegt de rechtbank dat artikel 1.3, eerste lid, sub b, van de Verordening is geschreven voor de situatie dat slechts een kortdurende noodzaak bestaat voor een voorziening. Alsdan kan de voorziening met toepassing van voormeld artikel worden geweigerd.

Verweerder heeft overwogen dat eiser niet rolstoelgebonden is en dat onzeker is of en binnen welke termijn dit het geval zou zijn. Uit deze conclusie volgt dat in het geheel geen ergonomische noodzaak aanwezig wordt geacht voor het aanbrengen van de woonvoorziening, zodat de aanvraag had moeten worden afgewezen op basis van artikel 2.4, eerste lid, van de Verordening. De ter zitting door de gemachtigde van verweerder gegeven toelichting op de gehanteerde afwijzingsgrond, inhoudende dat niet bestreden wordt dat eiser wel regelmatig een rolstoel gebruikt, maar niet is gebleken van een langdurige noodzaak kan de rechtbank niet volgen. Voornoemde toelichting vindt geen steun in het bestreden besluit, noch in de aan dit besluit ten grondslag liggende medische rapportage. Hierin wordt niet gesproken van enig (tijdelijk) gebruik van een rolstoel binnens- danwel buitenshuis, doch gesteld dat eiser zich goed kan redden en niet rolstoelafhankelijk is.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en komt het besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Met betrekking tot de vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten overweegt de rechtbank het volgende.

Voor de beoordeling van de medische noodzaak van de gevraagde voorziening is advies gevraagd aan het Regionaal Indicatieorgaan Nijmegen en Omstreken (hierna: RIO). Het op 9 augustus 2002 uitgebrachte advies geeft aan dat geen medisch-ergonomische noodzaak bestaat voor de aangevraagde voorziening, aangezien eiser niet rolstoel-afhankelijk is. Gezien de neurologische aandoening kan hij volgens het advies wel rolstoel-afhankelijk worden, maar wanneer dit zal gebeuren is niet te voorzien. In het RIO-advies is vermeld dat dit advies is opgesteld nadat een huisbezoek heeft plaatsgevonden.

Naar aanleiding van het uitgebrachte advies heeft verweerder bij het RIO geïnformeerd of informatie is opgevraagd bij de behandelend huisarts. Dit is zijdens het RIO bij schrijven van 22 augustus 2002 bevestigd.

In zijn advies heeft de Commissie bezwaar- en beroepschriften van verweerders gemeente ten aanzien van het RIO-advies vervolgens opgemerkt dat hieruit onvoldoende naar voren komt of de adviseur ook een arts heeft geraadpleegd. Op verzoek van verweerder heeft het RIO bij brief van 3 februari 2003 aangegeven dat de adviseur-verpleegkundige het advies heeft verzorgd onder verantwoordelijkheid van arts en sociaal geriater M.A.J.A. Beltman-Verbeek.

Bij de gedingstukken bevindt zich verder een schrijven van het RIO met dagtekening 21 mei 2003. Hierin is vermeld dat een door de arts K. van Rijn opgesteld advies van 11 september 2001 is betrokken bij de nieuwe aanvraag en dat uit dit advies naar voren kwam dat reeds sinds drie jaar sprake was van een stabiele situatie.

Volgens verweerder is bij de totstandkoming van het RIO-advies gewerkt volgens het Protol Wvg procedure Overbetuwe. Dit protocol geeft aan dat een indicatieadviseur na afspraak een huisbezoek aflegt. Middels een standaardbrief of telefonisch wordt daarna zonodig informatie bij de behandelend sector opgevraagd. De verkregen informatie wordt in rapportage vastgelegd die aan een arts wordt voorgelegd. De laatste leest de rapportage en plaatst daarbij zonodig op- en aanmerkingen. Vervolgens wordt het rapport besproken in het multidisciplinair overleg, waarna het rapport desgewenst wordt aangepast.

Zijdens eiser is aangevoerd dat de wijze van totstandkoming van het RIO-advies als onzorgvuldig moet worden aangemerkt. Hiertoe is ondermeer aangevoerd dat eiser door de arts niet is gezien en uit het advies van het RIO niet blijkt dat het advies door een arts is gefiatteerd.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

In artikel 3:2 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Ingevolge artikel 3:9 van de Awb dient een bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat het onderzoek dat door een adviseur is verricht op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Gelet op het bepaalde in de voornoemde artikelen kan ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) slechts sprake zijn van een deugdelijke advisering, indien uit de adviezen ten minste blijkt op basis van welke gegevens deze tot stand zijn gebracht en welke procedure bij het tot stand brengen is gevolgd.

Uit het betrokken advies blijkt niet dat er een arts bij het advies waarop verweerder zich baseert betrokken is geweest, de paraaf die door de arts op het Onderzoeksformulier wordt gezet ontbreekt. Verweerder heeft in bezwaar dit gebrek echter alsnog geheeld. Uit de overgelegde brief van het RIO van 3 februari 2003 blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat het advies tot stand is gekomen onder verantwoordelijkheid van arts en sociaal geriater M.A.J.A. Beltman-Verbeek.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit om de navolgende reden niet in stand kunnen blijven.

Indien – zoals in zaken als de onderhavige- advies wordt ingewonnen dient blijkens artikel 6.1., vierde lid, van de Verordening de adviseur te beschikken over kennis op de volgende gebieden:

1. medische kennis op het niveau van een arts;

2. sociale kennis;

3. ergonomische kennis;

4. technische kennis.

Nu ingevolge de toelichting op de Verordening voornoemde kennisgebieden niet in één adviesfunctie verenigd behoeven te zijn gaat de rechtbank gegeven de door verweerder ter zitting gegeven toelichting er van uit dat met adviseur de betreffende adviesinstantie wordt bedoeld.

Niet in geschil is dat het verrichte onderzoek niet door een arts is uitgevoerd, doch onder diens (eind)verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden. De in geding zijnde vraag of met een dergelijke fiattering achteraf kan worden volstaan beantwoordt de rechtbank ontkennend.

In zijn uitspraak van 6 november 2002, RSV 2003/19 overwoog de CRvB dat de in het kader van de Ziektewet en andere arbeidsongeschiktheidswetten ontwikkelde jurisprudentie met betrekking tot het objectiveringsvereiste van medische klachten ook van toepassing is op de bij en krachtens de Wvg genomen besluiten. Uit deze jurisprudentie volgt dat een arts zich een eigen oordeel dient te vormen over de gezondheidstoestand van betrokkene. Daarbij zal de zorgvuldigheid als regel vereisen dat niet zonder meer wordt afgegaan op informatie van derden, maar dat de gegevens worden getoetst aan de eigen opgaven van de betrokkene. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de beschikbare medische gegevens is in dat kader tevens het verrichten van een geneeskundig onderzoek vereist (zie o.a. CRvB 28 juli 1999, RSV 1999/260).

Voorts heeft de CRvB in haar uitspraak van 28 mei 2003, RSV 2003/240 overwogen dat indien een gehandicapte in het kader van de Ziekenfondswet een bepaalde voorziening aanvraagt, in beginsel (eerst) een onderzoek door een medicus dient plaats te vinden, en de betreffende medicus zonodig informatie dient in te winnen bij, dan wel overleg dient plaats te vinden met de behandelend arts(en). Het gaat daarbij immers om het vaststellen van lichamelijke of geestelijke beperkingen, tot welke beoordeling een medicus in het bijzonder is opgeleid. Dat deskundigen uit andere disciplines daarbij een belangrijke ondersteunende rol kunnen vervullen doet daar niet aan af.

De rechtbank concludeert dat vorengenoemde uitgangspunten er in beginsel aan in de weg staan dat een arts de aanvrager niet in persoon ziet en zich door de opgave van betrokkene een eigen oordeel kan vormen omtrent zijn beperkingen. Voor een uitzondering op dat uitgangspunt heeft de rechtbank in het onderhavige geval geen aanknopingspunten kunnen vinden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de ziekte M.S. naar haar aard een progressief ziekteverloop kent en eiser heeft aangegeven dat zijn situatie is verslechterd. Voorts had dit een completer en juister beeld kunnen geven van de (mogelijke) rolstoelafhankelijkheid van eiser.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit eveneens is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb. De rechtbank zal het besluit vernietigen en verweerder opdragen opnieuw te besluiten op de bezwaren van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- zijnde kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder opnieuw besluit op de bezwaren van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- en wijst de gemeente Lingewaard aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

gelast voorts dat de gemeente Lingewaard het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Barrau rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2004, in tegenwoordigheid van mr. G. Christiaanse als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: