Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO5417

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
11-03-2004
Zaaknummer
39351 / HA ZA 98-1687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na ongeval. Diverse posten gesteld zoals verlies van arbeidsvermogen. Bij beoordeling van de vraag of op de schadevergoeding een door X ontvangen bedrag uit een ongevallenverzekering in mindering moet worden gebracht komt geen beslissende betekenis toe aan het feit dat X de premie van de ongevallenverzekering niet zelf betaalde. In beginsel is voor voordeelstoerekening geen plaats als er sprake is van een zuivere sommenverzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak/rolnummer: 1998/1687

Datum uitspraak: 18 februari 2004

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te A,

hierna te noemen: X,

eiser bij dagvaarding van 18 augustus 1998,

procureur mr. H.M.G. van Lotringen,

advocaat mr. I.R.M. Goedings,

beiden te Ede,

tegen

de naamloze vennootschap

STERPOLIS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Arnhem,

hierna te noemen: Sterpolis,

gedaagde bij genoemde dagvaarding,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. R.P.H. Elzas,

beiden te Arnhem.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 18 juni 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit vonnis is op 15 december 2003 een comparitie van partijen gehouden. Daaraan voorafgaand heeft X bij brief van 4 december 2003 een zevental producties aan de rechtbank en aan de andere partij gezonden. Deze stukken maken deel uit van het dossier. Op de comparitie hebben de partijen een voorwaardelijke regeling in der minne getroffen volgens welke Sterpolis aan X als slotuitkering de tegenwaarde in euro's zou betalen van f 155.000,- met betrekking tot, kort gezegd, alle door X tot 1 januari 2004 geleden schade hoe ook genaamd. X kon binnen 24 uur na de comparitie op de bereikte regeling terugkomen. Dat heeft hij binnen die termijn gedaan. Vervolgens is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 Er is aanleiding om aan de vaststaande feiten, waarvan in het tussenvonnis van 18 juni 2003 onder 1 tot en met 10 reeds een opsomming is gegeven, het hierna volgende toe te voegen.

1.2 Op de comparitie van 15 september 1999 hebben de partijen de hierna volgende overeenkomst gesloten:

A

1. Zij geven opdracht aan een arbeidsdeskundige om een onderzoekstrajekt uit te zetten en in dat kader een onderzoek te doen naar de mate van arbeidsongeschiktheid van X en zijn eventuele mogelijkheden tot reintegratie in het arbeidsproces in de meest ruime zin. Aan deze vraagstelling kunnen geen erkenningen van partijen worden ontleend.

2. De arbeidsdeskundige wordt door partijen aangewezen als de centrale persoon in het onderzoek. Deze heeft de bevoegdheid om andere deskundigen in dit onderzoek te betrekken. Partij X denkt daarbij met name aan een onderzoek naar de feitelijke fysieke mogelijkheden.

3. Aan de arbeidsdeskundige wordt verzocht om tussentijds te rapporteren aan de beide advocaten en steeds de eisen in acht te nemen die zijn neergelegd in de aan dit proces-verbaal te hechten standaardbrief van de rechtbank aan deskundigen. Allereerst wordt gevraagd dat de arbeidsdeskundige binnen zes weken na heden rapporteert welk plan met welke termijnen deze voor ogen heeft.

4. Voorts wordt aan de arbeidsdeskundige de vraag voorgelegd hoe de arbeids- en inkomenssituatie van X geweest zou zijn, dus hypothetisch gedacht.

5. Als arbeidsdeskundige wordt aangezocht de heer B van Terzet te Leusden.

6. Sterpolis zal de voorschotten voor de kosten van de arbeidsdeskundige en diens hulpdeskundigen voor haar rekening nemen.

7. Beide advocaten zullen aan Terzet inzenden: afschrift van proces-dossier en voorts de door hen relevant geachte informatie, vanzelfsprekend met afschrift aan de tegenpartij.

8. Partijen gaan er van uit dat de arbeidsdeskundige ook bij complicerende onderzoeken maximaal binnen zes maanden na heden zal rapporteren.

B

Los van de opdracht onder A aan de arbeidsdeskundige spreken partijen met elkaar af dat zij door een arts zullen laten onderzoeken of er sprake is van verergering ten opzichte van de situatie van 17 januari 1995 toen X de vaststellingsovereenkomst tekende. Daarin is bepaald dat van verergering in de toekomst eerst dan wordt gesproken “indien er uitsluitend ten gevolge van onderhavig ongeval sprake is van een stijging van het b.i. percentage van minimaal 7,5 uitgaande van het huidige b.i. percentage van de gehele mens van 31, alvorens het voorbehoud in werking treedt”.

1.3 Op 23 februari 2001 heeft de door partijen aangewezen arbeidsdeskundige B aan de verzekeringsarts C gevraagd te rapporteren over, kort gezegd, de arbeidsmogelijkheden van X.

C heeft daartoe gesproken met X. Ook heeft hij hem lichamelijk onderzocht en de beschikbare medische informatie bestudeerd. In het over dit een en ander door C op 19 maart 2001 uitgebrachte rapport staat o.a.:

[…]

4.2 Probleemanalyse

De heer X ervaart ingrijpende gevolgen van het inmiddels meer dan elf (!) jaar oude ongeval. Er is niet alleen sprake van langzaam toenemende artrose van de rechter heup met als gevolg pijn en bewegingsbeperking die een consequentie is van iedere fractuur door een gewrichtsvlak. Er is echter ook sprake van uitval van meerdere spiergroepen van het boven- en onderbeen. De voet is deels verlamd. Tenslotte heeft hij nog lichte restverschijnselen van de vegetatieve stoornis die hij als complicatie van de fractuur destijds aan de voet heeft doorgemaakt. Dit alles maakt het volkomen verklaarbaar dat de heer X zijn rechter dominante been niet goed kan gebruiken en verklaart met name het uitgesproken slechte loopvermogen en de klachten bij langer staan. De rugklachten en de knieklachten zijn waarschijnlijk het gevolg van overbelasting c.q. onnatuurlijke belasting door compensatie; mogelijk geldt dit ook de heupklachten aan de linker kant. De dossiergegevens noch het functie-onderzoek wijzen op duidelijke artrose aan die kant. Psychische factoren spelen zeker een rol maar dan meer in die zin dat de heer X de moed verloren heeft - onder meer door de uitzichtloze procedure. Van psychische factoren in de zin van overdrijving van zijn beperkingen heb ik niets gemerkt. Wel denk ik dat de heer X gemakkelijker met zijn klachten en beperkingen zal kunnen functioneren als hij uiteindelijk duidelijkheid krijgt en zich hierdoor weer op zijn toekomst kan richten.

4.3 Samenvatting

[…] Hij kan niet ver lopen, niet lang staan, redelijk fietsen en autorijden, niet heel lang zitten en slecht knielen, hurken en bukken. Onbelast traplopen gaat redelijk, klimmen en klauteren niet.

In de conclusie van zijn rapport is C gedetailleerd ingegaan op de diverse aspecten van de mogelijkheden/beperkingen van X. Daarin staat ten aanzien van het aspect ‘functioneren hele dagen’:

Onder de aangegeven randvoorwaarden kan de heer X mijns inziens hele werkdagen functioneren. Soms zal hij meer klachten hebben en soms minder, maar dat betekent niet dat hij ook niet duurzaam zou kunnen functioneren, met name niet na een gewenningsperiode en als hij er weer plezier in heeft.

Het rapport van C besluit als volgt:

Nader medisch onderzoek is mijns inziens niet nodig. De huidige beperkingen & mogelijkheden van de heer X zijn vanuit medische optiek een volstrekt logisch en aannemelijk gevolg van de ongevalsletsels en ook als zodanig onderkend door de beide rapporterend medisch specialisten inmiddels ruim 7 jaar geleden. Nieuw medisch onderzoek zal niets aan dat inzicht kunnen toevoegen maar de procedure alleen opnieuw vertragen.[…]

1.4 Door de voor X optredende schaderegelaar Weggemans is vervolgens mr. drs. D ingeschakeld. In een op 16 april 2001 uitgebrachte ‘verzekeringsgeneeskundige analyse’ heeft D kritiek geuit op het rapport van C dat wegens formele en materiële gebreken niet zou kunnen dienen als uitgangspunt voor afhandeling van de letselschadezaak. D bepleit een expertise door een revalidatiearts.

1.5 In een brief van 15 mei 2001 is C ingegaan op de kritiek van D. C houdt daarin vast aan zijn eerdere beoordeling en schrijft dat de arbeidsdeskundige ‘daar goed mee uit de voeten kan’.

1.6 Nadat X bleef aandringen op onderzoek door een revalidatie arts en Sterpolis dat niet nodig vond heeft de arbeidsdeskundige B op 30 juni 2001 zijn opdracht teruggegeven. Aan het slot van een daarover op de vermelde datum aan de advocaten van partijen gezonden brief staat:

Sinds het moment van de opdracht, en het punt waarop wij nu staan, is een periode van bijna 2 jaar verstreken. In de tussenliggende periode zijn er geen activiteiten geweest die tot de oplossing van de problemen van betrokkene daadwerkelijk effectief zijn ingezet c.q. hebben geleid. Dat maakt dat de patstelling die kennelijk tussen partijen bestaat, een situatie creëert waar vanuit het onmogelijk is om betrokkene verder te begeleiden dan wel de vraagstelling, zoals verwoord door partijen bij aanvang van de werkzaamheden door ondergetekende, naar eer en geweten te kunnen beantwoorden. De huidige situatie is er een waarbij partijen het apert oneens zijn ten aanzien van de uitgangspunten. Verdere stappen onderzijds zullen dan ook niet bijdragen tot oplossing van de heersende problematiek dan wel de beantwoording van de gestelde vragen. Ik zie mij genoodzaakt de opdracht terug te geven, en leg het dossier af. Ik wens partijen veel wijsheid bij de verdere afhandeling.

1.7 Door Gelder Groep, adviseurs voor opleiding en beroep, is op 19 februari 2002 over X aan Kliq Arbeidsintegratie een rapport van loopbaanonderzoek uitgebracht. In de conclusie daarvan staat o.a.:

Uit de testresultaten blijkt dat de heer X over uitstekende intellectuele capaciteiten op taalkundig en exact terrein beschikt. […] Uit de persoonlijkheidsvragenlijsten blijkt dat de heer X op dit moment weinig vertrouwen in de toekomst heeft en nog moeite heeft om een duidelijke richting te bepalen. Een en ander heeft te maken met de nog lopende juridische procedure n.a.v. het ongeluk, daarnaast speelt mee dat hij weinig kennis en inzicht heeft in beroepen die buiten zijn vakgebied liggen. Het advies is om in het vervolgtraject aandacht te besteden aan het vergroten van zijn kennis en inzicht in beroepen en het werkveld. Wij achten het tevens van belang dat hij zijn sterke kanten en kwaliteiten onder ogen leert zien en leert om datgene te willen wat hij wel kan (i.p.v. te willen wat niet lukt/kan).

1.8 In opdracht van de voor X optredende schaderegelaar Weggemans is door het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL) op 30 augustus 2002 een berekening vervaardigd van het verlies van arbeidsvermogen. In deze berekening, met als kapitalisatiedatum 1 januari 2003, is de verschenen en toekomstige schade gesteld op een bedrag van

€ 484.484,- (f 1.067.663,-). Daarbij is in de situatie zonder ongeval uitgegaan van het loon van een docent met als CAO Kunstzinnige vorming.

1.9 Bij beslissing van 28 maart 2003 van UWV GAK is de WAO uitkering van X per 29 juli 2002 voortgezet op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% tot 29 juli 2007.

Het geschil

2. Er is aanleiding terug te komen op de weergave van het geschil in rechtsoverweging 11 van het tussenvonnis van 18 juni 2003. Daarin zijn toen slechts de door X bij dagvaarding ingestelde vorderingen weergegeven en is, hoewel in de kop van de conclusie van repliek wel een eiswijziging is aangekondigd maar dat niet daadwerkelijk aan het einde van diezelfde conclusie tot een herformulering van de eis heeft geleid, geen rekening gehouden met de schadeposten die overigens bij repliek wel concreet zijn benoemd en behandeld. In het licht van het tussen de partijen gevoerde debat, dat nadrukkelijk mede op deze schadeposten betrekking heeft gehad moet -bij nader inzien- aangenomen worden dat X op de geschetste wijze (die geen schoonheidsprijs verdient) wel zijn eis heeft vermeerderd. In elk geval heeft X het zo wel bedoeld en, belangrijker nog, heeft Sterpolis het zo begrepen en is zij bij dupliek daarop ook ingegaan. Daarbij past dan ook dat de rechtbank daarover een beslissing geeft.

3. De rechtbank begrijpt het zo dat X in plaats van het bij dagvaarding gevorderde bedrag van f 600.342,- terzake verlies van arbeidsvermogen thans vergoeding vordert van een bedrag van € 484.484,- en dat hij voorts in plaats van de in de dagvaarding bij staat gevorderde vergoeding voor overige geleden en te lijden schade thans vergoeding van de in het schadeoverzicht bij repliek gevorderde bedragen vordert, te weten:

A. Medische kosten € 10.000,-;

B. Reiskosten € 25.000,-;

C. Huishoudelijke hulp € 25.000,-;

D. Verlies van arbeidsvermogen 1 (pensioenopbouw) € 75.000,-;

E. Verlies van arbeidsvermogen 2 (inkomen) € 484.484,-;

F. Verlies van arbeidsvermogen 3 (schnabbelen) € 187.500,-;

G. Zelfwerkzaamheid € 21.460,-;

H. Diversen 1 (bijzondere voorzieningen) € 35.000,-;

I. Diversen 2 (gemis vergoeding ziekenfondspremie) € 10.000,-;

J. Diversen 3 (hogere premie en/of uitsluitingen verzekeringen) € 20.000,-;

K. Diversen 4 (hogere vakantiekosten) € 20.000,-;

L. Wettelijke rente over alle schadeposten vanaf schadedatum;

M. Smartengeld nader in te vullen.

4. Daarbij komen dan nog de (niet opnieuw bij repliek vermelde) bedragen die X vordert wegens buitengerechtelijke kosten en ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, waarvan aangenomen wordt dat X daarvan geen afstand heeft gedaan. Voor de overzichtelijkheid worden die posten hierna als volgt weergegeven:

N. Kosten ter voldoening buiten rechte € 3.038,97 (f 6.697,-);

O. Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid € 7.313,68

(f 16.117,24).

De verdere beoordeling van het geschil

5. Zoals reeds in het tussenvonnis van 18 juni 2003 voorop is gesteld diende in deze slepende zaak (waarin het gaat om een ongeval uit 1990 waarover sinds 18 augustus 1998 wordt geprocedeerd) al het mogelijke te worden ondernomen om -alsnog- zo spoedig mogelijk tot daadwerkelijke afwikkeling van de kwestie te komen. De rechtbank heeft daarom mediation gesuggereerd en/of schikkingsoverleg op de comparitie. Beide mogelijkheden zijn door de partijen na het tussenvonnis serieus beproefd maar hebben uiteindelijk niet tot resultaat geleid. Dat zo zijnde rijst de vraag hoe het nu verder moet.

6. Daarbij neemt de rechtbank allereerst in overweging dat X aanzienlijke bedragen aan schadevergoeding vordert wegens verlies aan arbeidsvermogen (zie hierboven onder 3 D, E en F) over de resterende (nog lange) periode van zijn arbeidszaam leven. Dat vergt een zo zorgvuldig mogelijke beoordeling van de door X gestelde gezondheidsklachten en in het bijzonder komt het er daarbij op aan of kan worden aangenomen dat X -zoals hij aan zijn vorderingen op dit onderdeel ten grondslag legt- geen enkele loonvormende arbeid meer zal kunnen verrichten. Voor dat uitgangspunt bestaat geen grond.

7. Daartoe is het volgende van belang. Reeds op de comparitie van 15 september 1999 hebben de partijen over dit cruciale verschil van mening met elkaar een overeenkomst gesloten die inhield dat de arbeidsdeskundige B daarnaar onderzoek zou verrichten. B mocht daartoe een hulppersoon inschakelen (een medicus) die -kort gezegd- eerst de reeds in een eerder stadium op verzoek van beide partijen uitgebrachte rapporten van de medisch deskundigen prof. E en prof. F diende te vertalen in een concreet beperkingenprofiel. Dat is een gang van zaken waarvan de rechtbank reeds in overweging 17 van het tussenvonnis van 18 juni 2003 in algemene zin heeft gezegd dat die gebruikelijk en aangewezen is. Op de geschetste wijze is ook feitelijk gehandeld en het heeft geleid tot het onder 1.3 vermelde resultaat.

Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de door partijen gemaakte afspraak voort dat zij het daarmee in beginsel verder dan ook moesten doen. Het was derhalve voor partijen niet meer mogelijk om, behoudens klemmende bezwaren, (alsnog) afstand te nemen van een onwelgevallige uitkomst van de uitgebrachte rapportage en verder op zoek te gaan naar een bij de eigen stellingen passende rapportage van een derde.

Dat heeft X echter feitelijk wel gedaan doordat hij na het ten behoeve van B door de verzekeringsarts C uitgebrachte rapport is gaan aandringen op een expertise door een revalidatie arts.

De daarvoor (door de adviseurs van X) gebezigde gronden overtuigen niet tegenover het behoorlijk gemotiveerde en begrijpelijk gestelde rapport van C en hetgeen daartegen is ingebracht wordt in elk geval niet als zodanig klemmend aangemerkt dat X niet meer gebonden zou zijn aan de overeenkomst van 15 september 1999.

8. Vastgesteld moet worden dat de opstelling van X ertoe heeft geleid dat B zijn opdracht heeft terug gegeven. Aldus is verhinderd dat het is gekomen tot een arbeidsdeskundige vertaling van het door de verzekeringsarts G opgestelde beperkingenprofiel. Daardoor is een gerichte reïntegratie van X (nog) niet van de grond gekomen. Aangenomen wordt op grond van de rapportage van C, maar ook op grond van wat de loopbaanadviseur van de Gelder Groep over de capaciteiten van X heeft geschreven, dat X ondanks de forse ongevalsgevolgen nog wel restcapaciteit heeft. Die restcapaciteit dient hij aan te spreken. Dat volgt uit de op X rustende schadebeperkingsplicht jegens Sterpolis. Het gegeven dat X keer op keer in het kader van de WAO-keuringen volledig arbeidsongeschikt is verklaard maakt dat niet anders. Nog afgezien van het feit dat Sterpolis bij die keuringen niet betrokken is geweest geldt immers dat die keuringen niet maatgevend zijn voor de mate waarin de verdiencapaciteit in het kader van een letselschaderegeling geacht wordt verminderd te zijn.

Wel moet naar redelijkheid aan de omstandigheid dat Sterpolis pas in een laat stadium -serieus- heeft aangedrongen op onderzoek naar eventuele restcapaciteit van X en dat dan ook eerst op de comparitie van 15 september 1999 heeft geleid tot de toen daarover gemaakte afspraken, het gevolg worden verbonden dat met de restcapaciteit niet eerder dan vanaf oktober 1999 rekening wordt gehouden bij de vaststelling van het verlies van arbeidsvermogen. Of er daadwerkelijk mogelijkheden waren (en zijn) voor X om vervangend werk te krijgen kan nu niet worden uitgemaakt. Daarover had de arbeidsdeskundige B nu juist mede moeten rapporteren. Bij het ontbreken van die rapportage zijn onvoldoende zekere aanknopingspunten beschikbaar om te kunnen oordelen over de door X gestelde schade wegens verlies van arbeidsvermogen gerekend vanaf 1 oktober 1999.

9. Om de tussen partijen ontstane impasse te doorbreken is de rechtbank voornemens de arbeidsdeskundige B tot deskundige te benoemen. Aan hem zullen in elk geval de in het proces-verbaal van de comparitie van 15 september 1999 onder A sub 1 tot en met 4 geformuleerde vragen worden gesteld. Bij de beantwoording daarvan zal de deskundige zich in beginsel kunnen baseren op het reeds door de verzekeringsarts G op 19 maart 2001 aan hem uitgebrachte rapport waarbij het aan de deskundige wordt overgelaten te bepalen of het nodig is dat rapport te doen actualiseren. Omdat het niet ondenkbaar is dat de partijen thans behoefte hebben aan het stellen van nadere vragen aan de deskundige worden zij nog in de gelegenheid gesteld zich daarover bij akte uit te laten. Daartoe zal de zaak naar de rol worden verwezen.

10. Met de hiervoor vermelde beslissing wijkt de rechtbank af van het op de comparitie van 15 december 2003 geuite voornemen om alle door X gestelde schade tot 1 januari 2004 te beoordelen en hem met betrekking tot de gevorderde vergoeding van de daarna geleden en te lijden schade ambtshalve te verwijzen naar de schadestaatprocedure.

Die afwijking is bij nader inzien nodig omdat de partijen nu eenmaal op 15 september 1999 mede hebben afgesproken door de arbeidsdeskundige te laten beoordelen hoe de arbeids- en inkomenssituatie van X geweest zou zijn, het ongeval weggedacht. Die beoordeling strekt zich ook uit tot de gestelde schade tot 1 januari 2004 zodat de rechtbank, wil zij recht doen aan de overeenkomst tussen de partijen, het rapport van de deskundige op dit punt nodig heeft.

11. Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek door de te benoemen arbeidsdeskundige wordt omtrent een aantal geschilpunten tussen partijen alvast het volgende overwogen.

12. De onder 3 weergegeven vorderingen van X sub A, B, C, H, I, J en K tot een totaal beloop van € 145.000,- zijn in de door X gegoten vorm, waarbij hij telkens aangeeft ‘bereid te zijn’ beweerdelijk geleden en te lijden schade te fixeren op een bepaald bedrag, niet toewijsbaar. Wat X daarmee doet is abstracte schadevergoeding vorderen. Dat is niet in overeenstemming met de aard van de persoonsgebonden schadeposten waarvoor X vergoeding vordert. Die schade moet concreet zijn en/of worden geleden en daartoe voldoende zijn onderbouwd en gespecificeerd. X zal in de gelegenheid worden gesteld om bij zijn nog te nemen akte gegevens daaromtrent in het geding te brengen.

13. X zal verder niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering onder 3 sub M (het smartengeld) omdat hij daarover op 15 september 1999 met Sterpolis een regeling heeft getroffen en niet is gesteld of gebleken dat van de zijde van Sterpolis de nakoming van die regeling is of wordt verhinderd.

14. Sterpolis heeft aangevoerd dat er sprake is van kosteloos meerijden door X in de auto van haar verzekerde waaraan een overeenkomst tot vervoer ten grondslag lag. Deze overeenkomst valt volgens Sterpolis onder de werkingssfeer van Afdeling 3, Titel 13 van Boek 8 BW (Wegvervoer) waardoor eventuele aansprakelijkheid van Sterpolis is beperkt tot een bedrag van f 300.000,-. In de visie van Sterpolis staat de in artikel 8:81 BW geregelde aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood of letsel als lex specialis aan een beroep op het algemene onrechtmatige daad artikel 6:162 BW in de weg.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Er is hier geenszins sprake van een vervoerovereenkomst in de zin van artikel 8:80 BW. Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van boek 8 BW en meer specifiek de daarin vervatte regeling van de overeenkomst van personenvervoer blijkt dat de wetgever een bedrijfsmatige vervoerovereenkomst met de rechten en verplichtingen tussen de vervoerder en de vervoerde persoon (de reiziger) vandien op het oog heeft gehad. Dat blijkt onder meer uit de verplichtingen van de vervoerder jegens de reiziger en omgekeerd, neergelegd in de artikelen 8:86 t/m 91 BW. Ook de wijze waarop toenmalige onderdelen van het Wetboek van Koophandel, zoals het vervoer over zee, in die artikelen werden opgenomen en de wijze waarop het bij B bepaalde bedrag van

f 300.000,-- tot stand is gekomen -namelijk uitgaande van 20 passagiers van een autobus, met een verplichte WA-verzekering van f 6.000.000,-- zoals uit de parlementaire geschiedenis van de invoering van Boek 8 BW blijkt- duiden daarop. In de onderhavige zaak is echter geen sprake van een bedrijfsmatige vervoerovereenkomst in de zin van Boek 8 BW. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

15. Bij de beoordeling van de vraag of op de aan X uit te keren schadevergoeding het (ook door Sterpolis) uitgekeerde bedrag ad f 12.000,- van de ongevallenverzekering in mindering moet worden gebracht komt, anders dan Sterpolis meent, geen beslissende betekenis toe aan de omstandigheid dat X niet zelf de premie voor de ongevallenverzekering betaalde. Dat is slechts één van de relevante omstandigheden. In beginsel is voor voordeelstoerekening geen plaats als sprake is van een zuivere sommenverzekering. Om te kunnen bepalen of de ongevallenverzekering in kwestie een zeker schadevergoedend karakter heeft dient Sterpolis bij haar akte de betreffende polis in het geding te brengen.

16. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Tussentijds hoger beroep van dit vonnis staat niet open.

De beslissing

De rechtbank,

verwijst de zaak naar de vierde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor uitlating bij akte door de beide partijen zoals in rechtsoverweging 9 is overwogen, waarbij X tevens in de gelegenheid is zich uit te laten naar aanleiding van rechtsoverweging 12 en Sterpolis over rechtsoverweging 15,

bepaalt dat beide partijen daarna op een termijn van vier weken nog op elkaars akten kunnen reageren,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en uitgesproken in het openbaar op woensdag 18 februari 2004.

De griffier: De rechter: