Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO5204

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-01-2004
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
99997 / HA ZA 03-836
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident; EEX-verordening; kalimijnen-arrest, Hof van Justitie 30-11-1976, NJ 1997, 474; Marinari-arrest, Hof van Justitie 19-9-1995, NJ 1997, 52.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 99997 / HA ZA 03-836

Datum vonnis: 7 januari 2004

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres, verweerster in het incident,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

naar Duits recht

MÜHLINGHAUS & HILDESHEIM GMBH & CO,

gevestigd te Wuppertal,

gedaagde, eisers in het incident,

procureur mr. W.H.B.M. Litjens,

advocaat mr. W.J.H.M. Lejeune te Maastricht.

Partijen zullen hierna ook aangeduid worden als Delta Lloyd en Mühlinghaus.

Het verloop van de procedure

Na het uitbrengen van de dagvaarding zijn de volgende processtukken gewisseld:

* een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

* een conclusie van antwoord in het incident.

De vaststaande feiten en de vordering

1. Op 6 februari 1999 heeft een hengst, genaamd It’s me du Mesnil, zich verwond aan zijn been in een trailer als gevolg van een afgebroken borstboompen. De trailer en de hengst behoorden in eigendom toe aan de vennootschap onder firma M. Dressage v.o.f. (hierna: de v.o.f.). De v.o.f. heeft de trailer ruim een half jaar eerder gekocht van de vennootschap Henra Fabricage B.V. (hierna: Henra).

2. De hengst moest naar aanleiding van zijn verwonding geopereerd worden aan zijn been en vervolgens revalideren. De v.o.f. stelt hierdoor schade geleden te hebben die bestaat uit veterinaire kosten, waardevermindering, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

3. De v.o.f. heeft Henra aangesproken tot vergoeding van haar schade. Delta Lloyd heeft in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van Henra, aan de v.o.f. een bedrag van f. 197.305,24 (€ 89.533,21) als vergoeding voor schade en kosten uitgekeerd. De v.o.f. heeft al haar aanspraken jegens derden terzake van de door haar geleden voornoemde schade aan Delta Lloyd gecedeerd bij akte d.d. 29 december 1999.

4. Delta Lloyd heeft in haar hoedanigheid van cessionaris van de v.o.f. vervolgens Mühlinghaus aangesproken aangezien Mühlinghaus door Henra is aangewezen als de leverancier van de door haar gebruikte borstboompennen. Mühlinghaus weigert over te gaan tot betaling aan Delta Lloyd van het door Delta Lloyd aan de v.o.f. uitgekeerde bedrag.

5. Delta Lloyd vordert dat de rechtbank Mühlinghaus zal veroordelen om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag van € 89.533,21 te voldoen. Voorts vordert Delta Lloyd de veroordeling van Mühlinghaus tot vergoeding van alle verdere schade en buitengerechtelijke kosten, door Delta Lloyd tegen cessie op basis van koop aan de v.o.f. nog uit te keren, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Tot slot vordert Delta Lloyd om Mühlinghaus te veroordelen in de kosten van dit geding en tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 1.542,-- ter zake van de door Delta Lloyd gemaakte en nog te maken buitengerechtelijke kosten in verband met deze schade en de regeling daarvan. Over voornoemde vergoedingen vordert Delta Lloyd tevens wettelijke rente vanaf 29 december 1999, althans en subsidiair vanaf 30 december 1999, althans en meer subsidiair vanaf 23 juli 2002, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het incident

6. Mühlinghaus werpt voor alle weren een exceptie van onbevoegdheid op stellende dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid toekomt omdat zij als gedaagde partij in Duitsland (Wuppertal) is gevestigd en deze bevoegdheid ook niet gestoeld kan worden op art. 5 aanhef en sub 3 van de EG-verordening nr. 44/2001 (hierna: EEX-verordening).

7. Mühlinghaus onderbouwt deze stelling met een beroep op het in de jurisprudentie neergelegde beginsel dat de bijzondere bevoegdheidsregels van art. 5 EEX-verordening beperkt uitgelegd moeten worden. Mühlinghaus doet daarbij onder andere een beroep op het zogenoemde Marinari-arrest van het Hof van Justitie van de EG van 19 september 1995 (NJ 1997, 52) waarin is uitgemaakt dat ook de plaats waar de schade is ingetreden restrictief uitgelegd moet worden. Volgens Mühlinghaus is Nederland het land waar de schade zich toevallig heeft geopenbaard, want de schade had ook in negen andere Europese landen kunnen ontstaan nu de litigieuze borstboompen naar tien landen wordt geëxporteerd. Daarom kan Nederland niet gelden als de plaats waar de schade is ingetreden, aldus Mühlinghaus.

8. Bovendien, zo heeft Mühlinghaus gesteld, is de schade van Delta Lloyd geen directe schade en bestaat de schade louter uit financieel nadeel toegebracht aan het vermogen van het slachtoffer. Ook op grond daarvan kan Delta Lloyd geen beroep doen op de toepasselijkheid van art. 5 aanhef sub 3 EEX-verordening. Voorts heeft Mühlinghaus gesteld dat uit de akte van cessie niet blijkt welke vorderingsrechten zijn overgedragen en derhalve niet vast staat dat de vorderingen van de v.o.f. op grond van onrechtmatige daad zijn overgedragen. Eveneens een reden om te concluderen dat art. 5 aanhef sub 3 EEX-verordening toepasselijkheid mist, aldus Mühlinghaus.

9. Tot slot heeft Mühlinghaus nog opgemerkt dat blijkens het overgelegde expertise rapport van Agveetax, niet Nijmegen maar ‘s-Hertogenbosch de plaats is waar de v.o.f. de schade heeft geleden.

10. Delta Lloyd heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling in het incident

11. Naar het oordeel van de rechtbank kan er – zoals ook door Delta Lloyd is betoogd - geen misverstand bestaan over het feit dat de vordering van Delta Lloyd is gebaseerd op onrechtmatige daad. De v.o.f. heeft bij akte van cessie d.d. 29 december 1999 al haar aanspraken jegens derden terzake van de door haar geleden schade aan Delta Lloyd gecedeerd. Delta Lloyd heeft duidelijk gemaakt dat zij haar vordering baseert op deze uit de akte van cessie voortvloeiende aanspraken en niet op aanspraken die zij mogelijk heeft als verzekeraar van Henra.

12. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat partijen het er over eens zijn dat de plaats waar de schade (van het slachtoffer, te weten de v.o.f.) is ingetreden, in ieder geval in Nederland is gelegen, te weten Nijmegen of ’s-Hertogenbosch.

Het Hof van Justitie heeft in het Kalimijnen arrest (30 november 1976, NJ 1997, 474) overwogen dat ingeval de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan meebrengen (Handlungsort), en de plaats waar door dit feit schade is ontstaan (Erfolgsort), niet samenvallen, de uitdrukking ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in artikel 5, sub 3 van het Verdrag aldus moet worden verstaan dat zowel de plaats waar de schade is ingetreden als de plaats van de veroorzakende gebeurtenis is bedoeld.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval Handlungsort en Erfolgsort samenvallen, maar ook als dat niet zo zou zijn komt de Nederlandse rechter reeds bevoegdheid toe omdat de schade is ingetreden in Nederland.

13. Het beroep van Mühlinghaus op het eerdergenoemd Marinari-arrest doet aan de voorgaande conclusie niet af. In dit arrest speelde de vraag of voor de invulling van het begrip ‘plaats waar de schade is ingetreden’ ook in aanmerking komt de plaats waar het slachtoffer vermogensschade lijdt, wanneer deze plaats gelegen is in een ander land dan waar de aanvankelijke schade is opgetreden. Daarvan is hier echter geen sprake. Evenmin is aan de orde dat de schade zich toevallig in Nederland heeft geopenbaard. Mühlinghaus heeft de borstboompen immer in Nederland in het verkeer gebracht.

14. Ook de stelling van Mühlinghaus dat de schade van Delta Lloyd geen directe schade is, moet verworpen worden. Nu Delta Lloyd alle aanspraken van de v.o.f. terzake van de door de v.o.f. geleden schade heeft verkregen, betreft het wel degelijk de directe schade, te weten de schade geleden door de v.o.f..

15. Nu de bevoegdheid van de Nederlandse rechter vast staat behoeven de overige verweren van Delta Lloyd in het incident geen bespreking.

16. Betreffende de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank merkt de rechtbank nog op dat Mühlinghaus er terecht op heeft gewezen dat blijkens het Agveetax-rapport de schade is ingetreden in ‘s-Hertogenbosch en niet in Nijmegen. Echter, nu Mühlinghaus zich beperkt tot een constatering en geen beroep doet op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank en een verwijzing naar een andere rechtbank niet in haar belang is omdat dat uitsluitend resulteert in vertraging van de procedure, acht de rechtbank zich ook relatief bevoegd in deze procedure.

17. Als de in het incident in het ongelijk gestelde partij zal Mühlinghaus worden veroordeeld in de kosten van het incident.

In de hoofdzaak

18. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol voor antwoord aan de zijde van Mühlinghaus.

19. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

De beslissing

De rechtbank:

In het incident:

verklaart zich bevoegd om van de vordering kennis te nemen;

veroordeelt Mühlinghaus in de kosten van dit incident; deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van Delta Lloyd gevallen, bepaald op € 771,-- wegens salaris procureur.

In de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 18 februari 2004 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Mühlinghaus;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Jansen en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2004.

de griffier de rechter