Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO5086

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
05-03-2004
Zaaknummer
98455 / HA ZA 03-580
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hier gaat het om de vraag of een publiekrechtelijke instelling ook bij de burgerlijke rechter schade kan vorderen van een ambtenaar in verband met het feit dat hij inkomsten van derden heeft genoten. Nu een civiele vordering de publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist ligt het in de rede dat van de Universiteit, althans van haar College van bestuur, wordt verlangd dat zij in dit verband ook de publiekrechtelijke weg volgt door, indien daartoe termen aanwezig worden geacht, een besluit te nemen waarin van X schadevergoeding wordt gevorderd, waarna daarover eventueel in een bestuursrechtelijke procedure - die met voldoende waarborgen is omkleed - kan worden gedebatteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Rolnummer: 03/580

Datum uitspraak: 25 februari 2004

Vonnis

In de zaak van

DE WAGENINGEN UNIVERSITEIT,

gevestigd te Wageningen,

eiseres,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. B. van Bon te Utrecht,

tegen

X,

wonende te

gedaagde,

procureur en advocaat mr. A.F. van Dam te Arnhem.

Het beslag en het verloop van de procedure

Na daartoe op 25 februari 2003 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de Universiteit op 6 maart 2003 ten laste van X beslag gelegd op diens woonhuis. Het verzoekschrift tot beslaglegging met daarop de beschikking van de voorzieningenrechter en het proces-verbaal van beslaglegging zijn op 10 maart 2003 aan X betekend.

Bij dagvaarding van 19 maart 2003 met producties heeft de Universiteit een eis tegen X ingesteld. Vervolgens heeft X zich bij akte beroepen op de niet-ontvankelijkheid van de Universiteit. Daarop heeft de Universiteit bij akte geantwoord. Vervolgens heeft X geconcludeerd voor antwoord, onder overlegging van producties, waarna de Universiteit heeft gerepliceerd en X tot slot gedupliceerd, onder overlegging van producties. Daarna is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 X, geboren ..-..-.., was aangesteld als hoogleraar Industriële Microbiologie bij de Universiteit. In 1998 is in het kader van een reorganisatie besloten tot opheffing van deze leerstoel. Vervolgens heeft X met de Universiteit overleg gevoerd. Dit heeft uiteindelijk in de zomer van 2000 geleid tot de afspraak dat hij tot 1 april 2002 met behoud van salaris vrijgesteld zou worden van het verrichten van werkzaamheden voor de Universiteit en dat hij op detacheringsbasis van 1 september 2000 tot 1 april 2002 bij Bird Engineering zou gaan werken. In verband met deze detachering heeft de Universiteit met Bird een detacheringsovereenkomst gesloten waarin onder meer is bepaald dat Bird voor de detachering de Universiteit maandelijks f 1.000,00 plus omzetbelasting zou betalen. Voorts is X toen (zomer 2000) met de Universiteit overeengekomen dat hij met ingang van 1 april 2002 van de zogenoemde pré-FPU-regeling gebruik zou maken. Op grond daarvan zou hij een uitkering van 80% van zijn laatste salaris ontvangen tot zijn 62e verjaardag en zou hij daarnaast neveninkomsten mogen ontvangen.

1.2 X heeft vanaf 1 september 2000 voor Bird gewerkt.

1.3 Op 23 februari 2002 heeft X bij de Universiteit een schriftelijke aanvraag ingediend voor toekenning van de pré-FPU-uitkering. In die aanvraag heeft X bekend gemaakt dat hij in 2000 f 56.830,00 aan inkomsten heeft genoten uit zijn werk voor Bird en in 2001 f 149.996,00.

1.4 Naar aanleiding hiervan heeft de Universiteit X bij brief van 15 maart 2002 medegedeeld voornemens te zijn hem disciplinair te ontslaan. X is de gelegenheid geboden daar zijn reactie op te geven. Bij besluit van 27 maart 2002 heeft het College van bestuur van de Universiteit X met ingang 28 maart 2002 de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd, stellende dat X zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door zijn inkomsten bij Bird niet te melden en hij aldus de Universiteit ernstig heeft benadeeld.

1.5 Bij brief van 26 april 2002 heeft X tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank om een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 17 juni 2002 het ontslagbesluit geschorst en bepaald dat aan X bij wijze van terugvorderbaar voorschot een uitkering ter hoogte van de pré-FPU-uitkering moet worden verstrekt met ingang van 1 april 2002.

1.6 Bij brief van 2 oktober 2002 is namens het College van bestuur van de Universiteit aan X geschreven dat besloten is de bezoldiging terug te vorderen in de periode dat X bij Bird gedetacheerd is geweest “en met name het bedrag waarmee de som van de bezoldiging en Bird inkomsten de bezoldiging van Wageningen Universiteit te boven gaat”. X is verzocht zijn inkomsten bij Bird nader te specificeren en medegedeeld dat daarna een “voornemenbesluit” wordt genomen waarna hij in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren alvorens een definitief besluit zal worden genomen.

1.7 Bij besluit van 14 februari 2003 heeft het College van bestuur van de Universiteit het bezwaar van X tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard en het ontslagbesluit gehandhaafd. Daartegen heeft X – zo is ambtshalve bekend – beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank.

Het geschil

2.1 De Universiteit vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, X te veroordelen tot betaling aan haar van € 113.212,94, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van ontvangst van de inkomsten van Bird, met veroordeling van X in de kosten.

2.2 De Universiteit stelt daartoe dat zij aanspraak kan maken op het geld dat X van Bird heeft ontvangen nu hij was aangesteld als ambtenaar in overheidsdienst en bij een derde was gedetacheerd. De opbrengsten daaruit vallen toe aan haar als overheidswerkgever, aldus de Universiteit.

3. X heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling van het geschil

4. X heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank de Universiteit niet-ontvankelijk moet verklaren in haar vordering omdat de Universiteit met betrekking tot haar vordering een terugvorderingsbesluit had moeten nemen waartegen, zo begrijpt de rechtbank, X als ambtenaar bij de bestuursrechter zou moeten kunnen opkomen. De Universiteit heeft daartegen ingebracht dat het haar vrij staat om te kiezen voor de bestuursrechtelijke dan wel de civielrechtelijke weg.

5. Niet in geschil is dat X aangesteld was als ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet. De Ambtenarenwet geldt zowel ten aanzien van ambtenaren als ten aanzien van gewezen ambtenaren, zo volgt uit artikel 2 van die wet.

6. In deze zaak gaat het om een overheidslichaam dat van een ontslagen ambtenaar geld vordert ten titel van schadevergoeding. Uit de stellingen van de Universiteit blijkt dat zij aanspraak maakt op het geld dat X heeft verdiend met zijn werk voor Bird. Het gaat hier dus niet om een terugvordering van beweerdelijk teveel betaald salaris. Op welke grond de Universiteit meent aanspraak te kunnen maken op het geld dat X van Bird heeft ontvangen, is niet geheel duidelijk. Vastgesteld kan wel worden dat de overeenkomst die zij in verband met de zogenoemde detachering van X met Bird heeft gesloten haar als zodanig geen aanspraak geeft op het geld dat Bird aan X heeft betaald. Uit hoofde van die overeenkomst kan de Universiteit slechts aanspraak maken op de vergoeding van f 1.000,00 plus omzetbelasting per maand. Verder geldt dat de Universiteit deze overeenkomst ook niet met X heeft gesloten; hij heeft die overeenkomst slechts voor akkoord mede ondertekend, maar daarmee is hij geen partij bij deze overeenkomst geworden. Tegen deze achtergrond is er geen grond om aan te nemen dat de Universiteit uit hoofde van de zogenoemde detacheringsovereenkomst of uit hoofde van enige andere overeenkomst aanspraak maakt op het geld dat Bird aan X heeft betaald.

7. Ten aanzien van de vraag of de Universiteit, zoals zij stelt, vrij is in de keuze om het geld langs publiekrechtelijke dan wel langs privaatrechtelijke weg terug te vorderen, wordt als volgt overwogen.

8. Voorop gesteld zij dat het hier niet gaat om een schadeclaim als bedoeld in artikel 8:73 Awb. De leerstukken die de Hoge Raad in zijn rechtspraak op dit gebied heeft ontwikkeld (met name in HR 17 december 1999, NJ 2000, 87 (A) en HR 15 november 2002, NJ 2003, 617 (C)) zijn voor deze zaak dan ook niet relevant.

9. In deze zaak gaat het om de vraag of een overheidslichaam mag kiezen voor de privaatrechtelijke weg wanneer het schadevergoeding wil vorderen van een (gewezen) ambtenaar. Hierbij geldt dat de overheid wanneer zij de keuze heeft tussen een privaatrechtelijke en een publiekrechtelijke weg, alleen mag kiezen voor de privaatrechtelijke weg wanneer zij daarmee de publiekrechtelijke regelgeving daarmee niet op een onaanvaardbare wijze doorkruist. Bij de beantwoording van deze vraag moet onder meer worden gelet op de inhoud en strekking van de toepasselijke (wettelijke) regelingen, met name de Ambtenarenwet en de CAO Nederlandse Universiteiten, alsmede op de wijze waarop en de mate waarin daarin de belangen van de ambtenaar zijn beschermd.

10. In dit verband is mede van belang op welke grondslag de Universiteit haar vordering tot schadevergoeding heeft gebaseerd. Er zijn in deze zaak verschillende grondslagen denkbaar. Zoals hiervoor al is aangegeven heeft de Universiteit zich over de grondslag van haar vordering niet duidelijk uitgelaten. Wel kan worden vastgesteld dat zij niets heeft gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij aanspraak maakt op schadevergoeding vanwege een ongerechtvaardigde verrijking van X, terwijl er in haar stellingen evenmin aanknopingspunten te vinden zijn voor de conclusie dat zij in verband met onverschuldigde betalingen aanspraak maakt op daardoor geleden schade. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat zij haar vordering tot schadevergoeding heeft willen baseren op de stelling dat X toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen dan wel dat hij onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

11. De aanstelling van X als ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet moet worden aangemerkt als een eenzijdige publiekrechtelijke rechtshandeling. Het burgerlijk recht is daarop niet zonder meer van toepassing. Dit is uitdrukkelijk bepaald ten aanzien van de bepalingen inzake de arbeidsovereenkomst van boek 7 van het BW in artikel 7:615 BW terwijl in de rechtspraak al lang geleden is beslist dat ook het overeenkomstenrecht uit boek 6 van het BW niet van toepassing is op de ambtelijke dienstverhouding, nu deze zich kenmerkt door eenzijdigheid (vgl. Hoge Raad 29 januari 1926, NJ 1926, p. 231), terwijl uitgangspunt van het overeenkomstenrecht de tweezijdigheid van de rechtshandeling is. Vanwege die tweezijdigheid komt ook aan de sinds 1 januari 1992 in werking getreden schakelbepalingen uit het overeenkomstenrecht voor het ambtenarenrecht geen betekenis toe.

12. Uit het voorgaande volgt dat er van een toerekenbaar tekortschieten van X in de nakoming van zijn verplichtingen in de zin van het BW dus geen sprake kan zijn nu hij is aangesteld als ambtenaar. Dit betekent dat de Universiteit haar vordering tot schadevergoeding daar dus niet op kan baseren. De rechtbank houdt het er daarom voor dat zij haar vordering tot schadevergoeding heeft willen baseren op de stelling dat X onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

13. In dit verband is het volgende van belang. Op Xs aanstelling is de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) van toepassing. Voor deze zaak is dat deel 1 van de CAO NU die liep van 1 juni 2000 tot en met 31 mei 2002, zo is tussen de partijen niet in geschil. Deze zogenoemde CAO geldt voor de rechtsverhouding tussen de Universiteit - zijnde een openbare universiteit - en X echter niet als een Collectieve arbeidsovereenkomst in de zin van de Wet op de CAO, zij het dat de bepalingen van de Wet op de CAO blijkens het hoofdstuk “Partijen en karakter CAO” voorzover mogelijk van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op de rechtsverhouding tussen X en de Universiteit. Verder blijkt uit Bijlage 2 bij deze CAO NU dat er bij de totstandkoming daarvan bewust is afgezien “van een overgang naar privaatrecht”. Het mag er dan ook voor worden gehouden dat ten aanzien van de ambtenaren van de openbare universiteiten het publiekrechtelijk karakter van het ambtenarenrecht onder de werking van deze CAO NU onverkort is blijven gelden.

14. De CAO NU kent een bijzondere regeling met betrekking tot schadevergoeding. In artikel 2.9 is namelijk bepaald dat de werknemer die bij de uitoefening van zijn functie schade toebrengt aan de instelling, daarvoor niet aansprakelijk is, tenzij die schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Voorts is in het derde lid van genoemd artikel bepaald dat de werkgever terzake van dit artikel nadere regels kan stellen. Wat opvalt is dat deze bepaling een veel restrictiever karakter heeft dan bijvoorbeeld artikel 66 van het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR) op grond waarvan een ambtenaar kan worden verplicht tot vergoeding van alle schade voorzover die aan hem te wijten is. In deze zaak kan men zich afvragen of de in geding zijnde schade wel door X in de uitoefening van zijn functie is toegebracht nu hij zijn ambt als hoogleraar feitelijk niet meer uitoefende. Vervolgens is dan de vraag of dit wellicht betekent dat schade die niet in de uitoefening van de functie is veroorzaakt wel kan worden gevorderd. Niet alleen kan dan ook geconcludeerd worden dat de CAO NU een bijzondere publiekrechtelijke regeling geeft met betrekking tot de gevallen waarin van een ambtenaar schadevergoeding kan worden gevorderd, maar ook dat deze regeling in dit geval vragen oproept die om uitleg vragen.

15. Nu bij de totstandkoming van deel 1 van de CAO NU bewust de keuze voor het publiekrecht is gemaakt en die regeling bovendien een bijzondere schadevergoedingsbepaling bevat, is de rechtbank van oordeel dat een privaatrechtelijke vordering tot vergoeding van schade de bijzondere publiekrechtelijke regeling zoals vastgelegd in de CAO NU op onaanvaardbare wijze doorkruist. Tegen deze achtergrond staat het de Universiteit niet vrij te kiezen voor het privaatrecht, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 1999, NJ 1991, 393 (Y), laatstelijk herhaald in HR 30 januari 2004, RvdW 2004, 25.

16. Het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2002 (NJ 2003, 617), waarin is geoordeeld dat de regel van het arrest A ook van toepassing is op ambtenarenzaken, doet aan het voorgaande niet af. Uit het arrest volgt namelijk niet dat geen betekenis meer toekomt aan de in het arrest B gegeven regel dat de bevoegdheid van de bestuursrechter om van een geschil kennis te nemen in het algemeen niet afdoet aan de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, maar wel meebrengt dat de eiser door de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk moet worden verklaard wanneer de bestuursrechtelijke rechtsgang voldoende bescherming biedt. Uit het arrest van 15 november 2002 kan uitsluitend worden geconcludeerd dat de ambtenarenrechter ten aanzien van de schade die een ambtenaar ten gevolge van een ten aanzien van hem genomen besluit heeft geleden, sinds de inwerkingtreding van de Awb niet langer exclusief bevoegd is te oordelen over die schade omdat vanaf 1 januari 1994 de bijzondere (en unieke) regeling uit de Ambtenarenwet 1929 met betrekking tot de mogelijkheden van schadevergoeding niet langer gold en ambtenaren vanaf die datum uitsluitend nog op grond van de Awb schadevergoeding kunnen vorderen. Uit de wetsgeschiedenis van de Awb volgt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft gewild dat wat betreft de daarin gegeven mogelijkheden van schadevergoeding zowel de civielrechtelijke als de bestuursrechtelijke weg open zouden staan. Dit leidt ertoe, aldus de Hoge Raad, dat sinds 1 januari 1994 tevens een einde is gekomen aan de exclusieve bevoegdheid van de ambtenarenrechter om te oordelen over schadevergoeding die een ambtenaar heeft geleden ten gevolge van ten aanzien van hem genomen besluiten. Zoals hiervoor al is aangegeven, is dergelijke schade in deze zaak evenwel niet aan de orde. Hier gaat het om de vraag of een publiekrechtelijke instelling ook bij de burgerlijke rechter schade kan vorderen van een ambtenaar in verband met het feit dat hij inkomsten van derden heeft genoten. Nu een civiele vordering de publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist ligt het in de rede dat van de Universiteit, althans van haar College van bestuur, wordt verlangd dat zij in dit verband ook de publiekrechtelijke weg volgt door, indien daartoe termen aanwezig worden geacht, een besluit te nemen waarin van X schadevergoeding wordt gevorderd, waarna daarover eventueel in een bestuursrechtelijke procedure - die met voldoende waarborgen is omkleed - kan worden gedebatteerd.

17. De Universiteit zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

18. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Universiteit in de kosten worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank, recht doende,

verklaart de Universiteit niet-ontvankelijk in haar vordering,

veroordeelt de Universiteit in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van X begroot op € 925,00 wegens vast recht en op € 2.450,00 wegens salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en uitgesproken in het openbaar op woensdag 25 februari 2004.

de griffier: de rechter:

coll: mv