Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO5032

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
05-03-2004
Zaaknummer
107889 / KG ZA 03-848
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser wordt veroordeeld om voor doorhaling van het beslag bij het kadaster te zorgen omdat de procedure voor de rechtbank Utrecht niet heeft te gelden als de "hoofdzaak" in de zin van art. 700 lid 3 Rv. In de procedure voor de rechtbank Utrecht vordert eiser namelijk een verklaring voor recht, te weten vaststelling van schadeplichtigheid. Die vordering ziet niet op het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening van de vordering waarvoor conservatoir beslag is gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 320

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 107889 / KG ZA 03-848

Datum vonnis: 30 januari 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

X,

wonende te A,

eiser,

procureur mr. T.J. van Veen,

advocaat mr. A. Robustella te Ede,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.J.P. VAN REE BEHEER B.V.,

gevestigd te Ede,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWBEDRIJF J.J.P. VAN REE B.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagden,

procureur en advocaat mr C.A. Hage te Ede.

Eiser zal verder worden aangeduid als “X” en gedaagden als “Van Ree c.s.”.

1. Het verloop van de procedure

X heeft Van Ree c.s. ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Van Ree c.s. hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van de partijen hebben de zaak bepleit; de advocaat van X overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 X heeft op 24 oktober 2003 de hem in eigendom toebehorende onroerende zaak aan de B-straat 0 te C verkocht. Op grond van de koopovereenkomst dient X de onroerende zaak op 2 februari 2004 in eigendom over te dragen.

2.2 Van Ree c.s. hebben op 1 december 2003 X gedagvaard bij de Rechtbank Utrecht. In de dagvaarding hebben Van Ree c.s. gevorderd dat:

“X bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld tot vergoeding van de door Van Ree geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 september 1999 tot en met de dag der algehele voldoening, op te maken bij staat, alsmede X te veroordelen in de kosten van het geding.”

2.3 Van Ree c.s. hebben op 2 december 2003, na voorafgaand verkregen verlof van de voorzieningenrechter te Utrecht, conservatoir beslag doen leggen op de onroerende zaak aan de B-straat 0 te C.

Het verzoek tot het leggen van het conservatoir beslag luidde:

“1. Verlof te verlenen tot het leggen van het hiervoor in alinea 6

aangeduide beslag. (de voorzieningenrechter: het conservatoir

beslag op de onroerende zaak aan de B-straat 0 te C)

2. Het verlof uitvoerbaar bij voorraad te verklaren op de minuut en op

alle dagen en uren.

3. De vordering te begroten op € 200.000,=.“

2.4 De voorzieningenrechter van rechtbank Utrecht heeft dit verzoek op 2 december 2003 als volgt gehonoreerd:

“Toegestaan als verzocht, met begroting van de vordering op

€ 200.000,= zegge tweehonderdduizend euro, verstaat dat verzoeksters

de eis in de hoofdzaak hebben ingesteld. “

3. Het geschil

3.1 X vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair: Van Ree c.s. te gebieden binnen één dag na betekening van het te dezen te wijzen vonnis voor doorhaling van de registratie van het op 2 december 2003 op de X in eigendom toebehorende onroerende zaak aan de B-straat 0 te C gelegde conservatoir beslag in de registers van het kadaster zorg te dragen en bij gebreke van nakoming van dat door de voorzieningenrechter aan Van Ree c.s. op te leggen gebod door Van Ree c.s. te bepalen dat X gemachtigd wordt voor doorhaling van de registratie van het op 2 december 2003 op de onroerende zaak B-straat 0 te C door Van Ree c.s. gelegde conservatoir beslag in de registers van het kadaster zorg te dragen;

subsidiair: het door Van Ree c.s. ten laste van X op de X in eigendom toebehorende onroerende zaak aan de B-straat 0 te C op 2 december 2003 gelegde conservatoir beslag op te heffen alsook Van Ree c.s. te gebieden binnen één dag na betekening van het te dezen te wijzen vonnis voor doorhaling van de registratie van het op 2 december 2003 op de X in eigendom toebehorende onroerende zaak aan de B-straat 0 te C gelegde conservatoir beslag in de registers van het kadaster zorg te dragen en bij gebreke van nakoming van dat door de voorzieningenrechter aan Van Ree c.s. op te leggen gebod door Van Ree c.s. te bepalen dat X gemachtigd wordt voor doorhaling van de registratie van het op 2 december 2003 op de onroerende zaak B-straat 0 te C door Van Ree c.s. gelegde conservatoir beslag in de registers van het kadaster zorg te dragen;

Van Ree c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 X stelt hiertoe kort gezegd dat de vordering van Van Ree c.s. in de bodemprocedure bij de Rechtbank Utrecht, daar waar het betreft de daarin geformuleerde vordering “X uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld tot vergoeding van de door Van Ree geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 september 1999 tot en met de dag der algehele voldoening, op te maken bij staat, alsmede X te veroordelen in de kosten van het geding,” niet kan worden aangemerkt als eis in de hoofdzaak, als bedoeld in de artikelen 700 lid 3 en 704 Rv. Toewijzing van die vordering strekt niet tot het verkrijgen van een executoriale titel, aldus X.

Voorts stelt X dat als de Voorzieningenrechter toch van mening mocht zijn dat er sprake is van een eis in de hoofdzaak ex artt. 700 lid 3 en 704 Rv, het conservatoir beslag opgeheven dient te worden omdat X een groter belang heeft bij de opheffing van het conservatoir beslag dan Van Ree c.s. bij de instandhouding van dat beslag, aldus X. X wijst er op dat als het beslag niet wordt opgeheven hij niet in staat is te voldoen aan de op hem rustende leveringsverplichting jegens de koper van zijn onroerende zaak.

3.3 Van Ree c.s. voeren gemotiveerd verweer, waarop hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van X en is voorts niet betwist.

4.2 Artikel 700 lid 3 Rv eist dat binnen een door de rechter, in het kader van een voorwaarde voor het verlof voor het beslag, te stellen termijn na de beslaglegging een eis in de hoofdzaak wordt ingesteld, tenzij dit al gebeurd is. Volgens de voorzieningenrechter die verlof voor het beslag heeft gegeven, was de eis in de hoofdzaak al ingesteld.

4.3 In dit geschil is de vraag aan de orde of de bij de rechtbank Utrecht ingestelde vordering inderdaad een eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 Rv is. Met deze eis is bedoeld een eis, gericht op de verkrijging van een voor tenuitvoerlegging vatbare titel.

Kernpunt van het geschil is dan ook de vraag of de vordering ingesteld door Van Ree c.s. strekkende tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, leidt tot een voor tenuitvoerlegging vatbare titel c.q. resulteert in een executoriale titel.

X stelt zich op het standpunt dat het door Van Ree c.s. in de schadestaatprocedure gevorderde nimmer in een voor een tenuitvoerlegging vatbare veroordeling kan resulteren. De schadevergoeding dient immers in een afzonderlijke (schadestaat)procedure te worden vastgesteld, aldus X. Van Ree c.s betogen daarentegen dat uit artikel 613 Rv volgt dat ook een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat tenuitvoergelegd kan worden. Hiermee valt de vordering die ziet op een dergelijke veroordeling onder de definitie van “een eis in de hoofdzaak”, aldus Van Ree c.s..

4.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door Van Ree c.s. ingestelde vordering in verband met de beslaglegging niet als eis in de hoofdzaak kan worden aangemerkt. Indien een conservatoir beslag is gelegd ter verzekering van de voldoening van een geldvordering is een “hoofdzaak” in de zin van artikel 700 lid 3 Rv een procedure die strekt tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening van de vordering waarvoor het conservatoir beslag is gelegd (vgl HR 16 februari 1999, NJ 1999, 717, rov. 3.4.2, slotzin). Een procedure waarin een verklaring voor recht is gevorderd is niet een zodanige hoofdzaak, omdat toewijzing van die vordering niet leidt tot het verkrijgen van een executoriale titel waarmee een vordering direct geïnd kan worden. De door Van Ree c.s. ingestelde vordering ziet op verkrijging van een verklaring van recht, te weten vaststelling van schadeplichtigheid van X.

Aan dit oordeel staat niet in de weg dat de voorzieningenrechter te Utrecht overeenkomstig het verzoek van Van Ree c.s. de nader bij staat op te maken schadeclaim heeft begroot op € 200.000,= in de beslagbeschikking. De vaststelling van de intrinsieke waarde van de vordering staat los van het oordeel, dat deze voorzieningenrechter niet volgt, dat de ingestelde eis als eis in de hoofdzaak kan worden gezien.

4.5 Nu reeds uit het bovenstaande volgt dat de door X gevorderde voorzieningen op basis van de primair aangevoerde grondslag moeten worden toegewezen, behoeft de subsidiair aangevoerde grondslag van X geen bespreking.

4.6 Van Ree c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

De beslissing

de voorzieningenrechter

gebiedt Van Ree c.s. binnen één dag na betekening van dit vonnis voor doorhaling van de registratie van het op 2 december 2003 op de X in eigendom toebehorende onroerende zaak aan de B-straat 0 te C gelegde conservatoire beslag in de registers van het kadaster zorg te dragen,

geeft machtiging aan X om bij gebreke van nakoming van dit gebod door Van Ree c.s., voor doorhaling van de registratie van het op 2 december 2003 op de onroerende zaak aan de B-straat 0 te C door Van Ree c.s. gelegde conservatoir beslag in de registers van het kadaster zorg te dragen;

veroordeelt Van Ree c.s. tot betaling aan X van de kosten van deze procedure, hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, tot aan deze uitspraak aan de zijde van X begroot op € 703,= voor salaris procureur en € 288,70 voor verschotten,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Djebali op 30 januari 2004.

de griffier de voorzieningenrechter