Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO5024

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
05-03-2004
Zaaknummer
94951 / HA ZA 03-15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen grondslag voor een dorpsgebod en verhuisverplichting. Een belangenafweging leidt ook niet tot toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 94951 / HA ZA 03-15

Datum vonnis: 21 januari 2004

Vonnis

in de zaak van

X,

wonende te A, gemeente B,

eiser in de hoofdzaak bij dagvaarding van 19 december 2002,

tevens eiser in het incident,

procureur mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune,

advocaat mr. M.A. Smits te Nijmegen,

tegen

Y,

wonende te A, gemeente B,

gedaagde in de hoofdzaak,

tevens verweerder in het incident,

procureur mr. P.C. Plochg,

advocaat mr. A.J. Zeyl te Zutphen.

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak en in het incident

Krachtens een beschikking van de president van deze rechtbank van 16 augustus 2001 heeft X bij proces-verbaal van 13 december 2002, aan Y betekend op 19 december 2002, conservatoir beslag doen leggen op de hem in eigendom toebehorende onroerende zaken (huis met tuin) gelegen aan de Cstraat 0 te A, kadastraal bekend gemeente A sectie E nummer 408, groot 13 are en 25 centiare. In de vervolgens door X bij dagvaarding aangevangen procedure zijn de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie van antwoord;

* een akteverzoek van de zijde van Y;

* een conclusie van repliek, tevens incidentele eis tot het treffen van een voorlopige voorziening;

* een conclusie van dupliek, tevens conclusie van antwoord in voornoemd incident;

* een akteverzoek van de zijde van X;

* een akteverzoek van de zijde van Y.

Hieraan moet nog worden toegevoegd dat van de zijde van Y op 3 november 2003 een productie ter griffie van de rechtbank is gedeponeerd onder depotnummer 23/2003. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 X en Y zijn dorpsgenoten. Hun woningen bevinden zich op een afstand van ongeveer 400 meter van elkaar in het dorp A, gemeente B.

1.2 Op 20 juli 2000 heeft Y de echtgenote van X, Z, door verwurging om het leven gebracht, op een bosperceel achter het slot K te A.

1.3 Y is direct na zijn daad naar zijn woning gegaan en heeft toen aan zijn echtgenote en zijn zwager verteld dat hij Z ‘iets ergs’ had aangedaan. De politie werd ingeschakeld en nog diezelfde dag is Y in voorarrest genomen. X bevond zich ten tijde van de doodslag in Duitsland te Hannover, waar hij aan het werk was.

1.4 Y heeft tegenover zijn echtgenote, zijn zwager, politiefunctionarissen, leden van het openbaar ministerie en zijn advocaat verklaard dat hij gedurende vier jaar met Z een geheime seksuele relatie heeft gehad. Het strafrechtelijk onderzoek heeft zich in verband met het ophelderen van het mogelijke motief van Y voor de doodslag mede op dit aspect gericht. In dat kader zijn onder meer vele dorpsgenoten, familieleden en kennissen van Z, X en Y door de politie gehoord. Ook zijn tijdens de behandeling van de strafzaak tegen Y berichten in het lokale dagblad verschenen waarin dit aspect wordt genoemd.

1.5 Y is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 1 november 2000 wegens doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren onder aftrek van voorarrest. Tegen dit vonnis heeft Y geen hoger beroep ingesteld.

1.6 Na de dood van zijn echtgenote is X arbeidsongeschikt geraakt en heeft hij hulp gezocht bij zijn huisarts en het RIAGG wegens psychische klachten.

Het geschil in de hoofdzaak en in het incident

2.1 X heeft in de hoofdzaak gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. Y zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 13.511,-- wegens uitvaartkosten op grond van art. 6:108 lid 2 BW, te verhogen met de wettelijke rente over dit bedrag tot 27 september 2002 ad € 1.533,75 en de nadien vervallen wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening;

b. Y zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 20.461,-- wegens kosten voor huishoudelijke hulp op grond van art. 6:108 lid 1 onder d BW, te verhogen met de wettelijke rente daarover met ingang van 20 juli 2000;

c. Y zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 46.200,-- wegens verlies aan arbeidsvermogen ten gevolge van geestelijk letsel op grond van art. 6:107 BW, te verhogen met de wettelijke rente met ingang van 20 juli 2000;

d. Y zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 20.000,-- wegens immateriële schade uit hoofde van art. 6:106 lid 1 onder c en/of b BW, te verhogen met de wettelijke rente met ingang van 20 juli 2000, met de bepaling dat deze schadevergoeding ex artikel 6:103 BW in andere vorm wordt opgelegd, te weten dat Y wordt bevolen vóór 1 december 2003 zijn woning aan de Cstraat 0 te A definitief te verlaten en er ook niet meer in terug te keren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van eenmalig € 50.000,-- als hij niet vóór 1 december 2003 zijn woning heeft verlaten alsmede dat het Y wordt verboden zich op te houden in A, althans het gebied omgrensd door de A50, de Cstraat tot en met D en Estraat, F, G, H, Iweg; deze wegen en de aanliggende erven daaronder begrepen met uitzondering van de A50 en de Jweg, alsmede in het gebied rondom het landgoed bij kasteel K te A, omgrensd door de Lweg, een naamloze onverharde weg alsmede de Mstraat te A, met ingang van de dag van betekening van de inleidende dagvaarding van deze procedure, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere keer dat Y zich toch in de genoemde gebieden vertoont;

e. subsidiair, ingeval de verhuisplicht en het dorpsverbod zoals onder d. gevorderd niet op die grondslag worden toegewezen, Y zal gebieden op grond van artikel 6:162 BW zijn woning aan de Cstraat 0 te A definitief te verlaten en er niet meer in terug te keren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van eenmalig € 50.000,-- alsmede Y zal verbieden zich op te houden in A, zoals hiervoor onder d., beschreven met ingang van de dag van betekening van de inleidende dagvaarding van deze procedure;

f. Y zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 7.986,33 wegens kosten van deskundige bijstand op grond van art. 6:96 lid 2 onder b BW, te verhogen met de wettelijke rente over € 4.764,69 vanaf 1 augustus 2001 tot de dag van dagvaarding en over € 7.986,33 met ingang van de dag van dagvaarding;

g. Y zal veroordelen in de kosten van deze procedure, die van het beslag daaronder begrepen.

2.2 Gelijktijdig met zijn conclusie van repliek heeft X een incidentele eis tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Deze vordering strekt tot oplegging aan Y voor de duur van het geding van een verhuisplicht en een dorpsverbod zoals hiervoor onder d. is weergegeven.

2.3 X heeft aan zijn vorderingen in de hoofdzaak en in het incident ten grondslag gelegd dat Y jegens hem en/of jegens (de nagedachtenis van) Z onrechtmatig heeft gehandeld.

2.4 Y heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling van de gevorderde voorlopige voorziening

3. In verband met de beëindiging van de detentie van Y heeft X gevorderd bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding een verhuisplicht en dorpsverbod jegens Y uit te spreken.

4. Vooropgesteld moet worden dat voor een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening op de voet van art. 223 Rv is vereist dat een bodemprocedure aanhangig is, dat samenhang bestaat tussen hetgeen bij wijze van voorlopige voorziening wordt gevorderd en het gevorderde in de bodemzaak en dat de eiser een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering in die zin dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Aan de eerste twee vereisten is zonder meer voldaan, zo volgt uit het voorgaande. Ook aan het derde vereiste is voldaan, nu ervan moet worden uitgegaan dat Y inmiddels – per medio november 2003, zo wordt uit de stukken afgeleid – in vrijheid is gesteld.

5. Daarmee wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering, waarbij de belangen van de beide partijen zullen moeten worden afgewogen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de bodemzaak en de proceskansen daarin. Gelet op de aard van de te geven beslissing – het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening – bevat het hierna volgende slechts voorlopige oordelen.

6. Aan de vordering tot het opleggen van een verhuisplicht en een dorpsverbod aan Y heeft X, zowel in het incident als in de hoofdzaak, ten grondslag gelegd dat Y jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hij Z om het leven heeft gebracht, omdat hij in strijd met de waarheid heeft beweerd dat hij (Y) een geheime relatie met Z had en omdat hij niet uit eigen beweging is verhuisd en weggebleven uit A. X heeft in dit verband verder nog aangevoerd de gedachte Y in A tegen te komen niet te kunnen verdragen. Ook wil hij niet dat door de aanwezigheid van Y in A de zaak weer wordt opgerakeld. Verder vindt hij het vanzelfsprekend dat Y uit A dient te verdwijnen nu door zijn toedoen Z uit A is verdwenen.

7. Y heeft hier tegenin gebracht dat hij uit zichzelf bereid is contact met X zo veel mogelijk te vermijden en weg te blijven van het landgoed K. Hij heeft aangevoerd dat hij en zijn echtgenote niet weg willen uit A, waar zij hun hele leven al hebben gewoond en waar hun gehele sociale leven zich afspeelt. Bij een belangenafweging behoren volgens Y zijn belang en dat van zijn echtgenote bij het blijven wonen in hun woning te A zwaarder te wegen dan die van X bij een gedwongen verhuizing van Y uit A en een dorpsverbod. Tot slot heeft hij aangevoerd dat hij, nadat hij zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten, recht heeft op rehabilitatie.

8. Vooropgesteld moet worden dat X geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade, in welke vorm dan ook, voor het verdriet om het overlijden van Z als zodanig. Evenmin is er grond voor vergoeding van de door X gestelde psychische schade, veronderstellenderwijs aannemende dat die schade zich heeft voorgedaan en voordoet in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, nu X niet rechtstreeks is geconfronteerd met de feitelijke omstandigheden waaronder de doodslag heeft plaatsgevonden. Voorts levert, anders dan X meent, het niet uit zichzelf vertrekken en wegblijven uit A door Y evenmin een onrechtmatige daad jegens hem op. Y is hiertoe immers rechtens niet gehouden. Ook valt niet in te zien dat Y jegens X onrechtmatig heeft gehandeld door – al dan niet in strijd met de waarheid – te beweren dat hij in het geheim een relatie had met Z. Gesteld noch gebleken is dat Y deze bewering heeft gedaan met het oogmerk X te kwetsen of schade te berokkenen. Niet X, maar Z is het onderwerp van de bewering. Daarom kan niet worden gezegd dat de eer en goede naam van X daardoor zijn aangetast, terwijl voorshands evenmin aannemelijk is dat de bewering heeft geleid tot geestelijk letsel in de hiervoor al beschreven zin dat moet worden beschouwd als een aantasting in zijn persoon. X is dus ook niet de ‘benadeelde’ zoals bedoeld in art. 6:106 lid 1 aanhef en onder a of b. Ook op grond van deze bepalingen bestaat dus geen recht op immateriële schadevergoeding. Wel is voorstelbaar dat door de bewering – veronderstellenderwijs aannemend dat die onjuist is, hetgeen thans overigens nog niet vast staat – de eer en goede naam van Z zouden zijn aangetast als zij nog in leven zou zijn. Aangezien Z is overleden zou de bewering een aantasting van haar nagedachtenis kunnen opleveren, zoals bedoeld in art. 6:106 lid 1 aanhef en onder c BW. Enkel op grond van deze bepaling zou X Y kunnen aanspreken tot het betalen van een naar billijkheid te bepalen bedrag aan immateriële schadevergoeding. Voor het omzetten hiervan in een verhuisplicht en dorpsverbod bij wijze van schadevergoeding in natura (art. 6:103 BW) bestaat echter geen aanleiding. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

9. Allereerst kan niet gezegd kan worden dat de veronderstelde aantasting van de eer en goede naam van Z thans nog voortduurt. Als hierover al anders zou moeten worden geoordeeld, dan geldt dat die niet effectief tegengegaan of ongedaan gemaakt kan worden door Y weg te houden uit A. Reeds daarom gaat het niet aan om aan Y een zo ingrijpende en verstrekkende maatregel op te leggen. Bovendien zou de te maken afweging van de aan beide zijden bij de kwestie betrokken belangen in het voordeel van Y uitvallen. Ook al wordt zonder meer voor waar aangenomen dat de terugkeer van Y in A bij X emoties en pijnlijke herinneringen oproept en mogelijk de kwestie in het dorp weer wordt opgerakeld, dit rechtvaardigt nog niet het gedwongen vertrek – ook niet voor de duur van het geding, dat zich immers nog jarenlang zou kunnen voortslepen – van Y uit A. Die heeft er, mede gelet op zijn leeftijd en die van zijn echtgenote, belang bij terug te kunnen keren naar zijn echtgenote en naar het dorp waar hij al zo lang woont en waar hij en zijn echtgenote hun sociale contacten hebben. Dit belang weegt zwaarder dan dat van X, temeer waar Y heeft aangeboden X vrijwillig zoveel mogelijk te zullen ontwijken.

10. Op grond van het voorgaande, waaruit volgt dat niet alleen geen grondslag bestaat voor het opleggen van een verhuisplicht en dorpsverbod aan Y, maar ook dat een belangenafweging daaraan in de weg zou staan, zal de gevorderde voorlopige voorziening worden geweigerd.

11. Als de in het ongelijk gestelde partij zal X in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

12. Ingevolge art. 337 lid 1 Rv kan tegen dit vonnis afzonderlijk hoger beroep worden ingesteld.

De beoordeling van het geschil in de hoofdzaak

13. Ambtshalve zal de zaak naar de rol worden verwezen voor beraad.

14. Hoger beroep van het vonnis in de hoofdzaak staat slechts open tegelijk met dat van het eindvonnis.

15. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende

in het incident:

1. weigert de gevorderde voorziening;

2. veroordeelt X in de kosten van de procedure in het incident, tot deze uitspraak aan de zijde van Y bepaald op € 390,-- voor salaris procureur;

in de hoofdzaak:

3. verwijst de zaak ambsthalve naar de tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor beraad;

4. verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis;

5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004.

De griffier De rechter

Coll.: CL