Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AO4904

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2004
Datum publicatie
04-03-2004
Zaaknummer
Registratienummer: AWB 03/1641
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en i.s.m. artikel 46 lid 3 Ww genomen daar niet is beooordeeld of voor het bouwplan vrijstelling kan worden verleend.

De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van verweerder dat met een beroep op artikel 4:6 Awb het beroep van eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 03/1641

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

A, eiser,

wonende te B, vertegenwoordigd door mr. W. Kattouw,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 3 juni 2003.

2. Procesverloop

Op 16 mei 2001 heeft verweerder aan eiser bouwvergunning verleend voor het wijzigen/vergroten van een aanbouw ten behoeve van opslag, op het perceel plaatselijk bekend [ … ].

Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door omwonenden.

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft verweerder deze bezwaren gegrond verklaard en de gevraagde bouwvergunning alsnog geweigerd.

Ook op 14 augustus 2001 heeft eiser een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het bouwen van een magazijn-opslagruimte op het perceel als voornoemd.

Bij besluit van 2 oktober 2001 heeft verweerder deze bouwvergunning geweigerd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 20 januari 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W. Kattouw, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.C.G. Hoenselaar, werkzaam bij de gemeente West Maas en Waal.

3. Overwegingen

Verweerder heeft, met een beroep op artikel 4:6 van de Awb, betoogd dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat aan dit betoog voorbij moet worden gegaan en overweegt daartoe het volgende.

De bouwaanvraag van 14 augustus 2001 verschilt van de aanvraag van 16 mei 2001 voor wat betreft de hoogte van het bouwplan (3,5 meter in plaats van 3,9 meter). In de ogen van partijen en van de omwonenden was dit op het moment van de aanvraag een wezenlijk verschil met de aanvraag van 16 mei 2001, omdat men er van uitging dat een bouwhoogte van 3,9 meter in strijd met het bestemmingsplan was, maar een bouwhoogte van 3,5 meter niet. Er is derhalve geen sprake van dat eiser gepoogd heeft misbruik te maken van de mogelijkheid om een tweede bouwaanvraag in te dienen. Bovendien is de aanvraag van 14 augustus 2001 niet gedaan na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking. De aanvraag van 16 mei 2001 was immers gehonoreerd en op het daartegen gemaakte bezwaar was nog geen besluit genomen.

Overigens merkt de rechtbank op dat, zo artikel 4:6 van de Awb al van toepassing zou zijn geweest op de aanvraag van 14 augustus 2001, dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het onderhavige beroep zou leiden.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan en dat vrijstelling van dit plan niet mogelijk is.

De rechtbank stelt vast dat niet in geding is dat het perceel waar het bouwplan betrekking op heeft, ingevolge het geldende bestemmingsplan “Dreumel-dorp, herziening 1998-1”, de bestemming “erf” heeft en dat het bouwplan in strijd is met deze bestemming.

Ter zitting is gebleken dat het aangevraagde bouwplan inmiddels grotendeels gerealiseerd is. Dit bouwwerk zal in het navolgende worden aangeduid als “de opslagruimte”.

Eiser heeft aangevoerd dat met toepassing van het in artikel 3.1. van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht wel bouwvergunning had moeten worden verleend.

Artikel 3.1. van de planvoorschriften luidt - voor zover hier ter zake -

als volgt:

“Bouwwerken, welke ten tijde van het-in-ontwerp-ter-inzage-leggen van-het-plan aanwezig zijn… en welke van dit plan afwijken, mogen, mits de bestaande afwijking naar de aard niet wordt vergroot;

naar de oppervlakte respectievelijk inhoud worden uitgebreid met maximaal 15% van de oppervlakte respectievelijk inhoud der bestaande bouwwerken ten tijde van het-in-ontwerp-ter-inzage-leggen-van-het-plan,…;

gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

geheel worden vernieuwd, indien het bouwwerk door een calamiteit is verwoest…”.

Eiser is van mening dat voor het ter inzage leggen van het gewijzigde plan, reeds ter plaatse de nodige bebouwing aanwezig was en van deze bebouwing in ieder geval de achtermuur opnieuw is gebruikt voor de opslagruimte en mitsdien het overgangsrecht van toepassing is. Deze mening deelt de rechtbank niet. De opvatting van eiser strookt niet met het gegeven dat artikel 3.1. uitsluitend ziet op een gedeeltelijke uitbreiding, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken en een gehele vernieuwing enkel mogelijk is bij een verwoesting van het bestaande bouwwerk door een calamiteit. Op grond van de gedingstukken is de rechtbank evenals verweerder van oordeel dat de opslagruimte in feite een geheel nieuw gebouw is op een nieuwe fundering. Dat de opslagruimte tegen een bestaande (achter)muur is gebouwd doet daaraan niet aan af. Aangezien voorts de voorheen aanwezige bebouwing niet door een calamiteit is verwoest volgt uit het vorenstaande dat het in het bestemmingsplan “Dreumel-dorp, herziening 1998-1” vervatte overgangsrecht de verlening van een bouwvergunning niet mogelijk maakt.

Met betrekking tot de vraag of vrijstelling van het bestemmingsplan kan worden verleend overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 46, lid 3, van de Woningwet (Ww) - voor zover hier ter zake - wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

De rechtbank constateert dat bij het bestreden besluit niet is beoordeeld of voor het bouwplan vrijstelling kan worden verleend en dat geen besluit omtrent de verlening van vrijstelling is genomen. Het bestreden besluit is derhalve onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 46, lid 3, van de Ww genomen.

Hoewel de voorschriften van het geldende bestemmingsplan geen vrijstellingsmogelijkheid lijken in te houden, zal verweerder zulks nog moeten beoordelen.

Aangezien duidelijk is dat het bouwplan niet als tijdelijk bedoeld is, is een vrijstelling op grond van artikel 17 van de WRO niet aan de orde.

Hoewel een vrijstelling op grond van artikel 19, leden 2 of 3, van de WRO niet aan de orde lijkt te zijn, zal verweerder zulks nog moeten beoordelen.

In het verweerschrift is door verweerder nog wel aandacht besteed aan de vraag of vrijstelling op grond van artikel 19, lid 1, van de WRO verleend moet worden.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Voor verlening van vrijstelling is (onder meer) vereist dat het bouwplan van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Hieromtrent heeft adviesbureau SAB op 8 april 2002 advies aan verweerder uitgebracht.

In het advies wordt een voorkeur uitgesproken om het bouwplan te realiseren door middel van een wijziging van het geldende bestemmingsplan. Uit de stukken blijkt dat verweerder aan de raad van de gemeente heeft voorgesteld om het bestemmingsplan te wijzigen, maar dat de raad zulks heeft afgewezen. Het feit dat de gemeenteraad aldus heeft besloten en dat SAB een voorkeur voor wijziging van het bestemmingsplan heeft uitgesproken, neemt echter niet weg dat verweerder op grond van artikel 46, lid 3, van de Ww gehouden is om een besluit te nemen omtrent verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, lid 1, van de WRO.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het advies van SAB niet zonder meer dat een goede ruimtelijke onderbouwing niet mogelijk is.

Naar het de rechtbank voorkomt wordt in het advies van SAB van de veronderstelling uitgegaan dat verlening van vrijstelling voor de opslagruimte tot gevolg zou kunnen hebben dat eiser in de supermarkt het aantal m2 verkoopvloeroppervlak (vvo) zou kunnen uitbreiden. Ter zitting echter is door eiser desgevraagd met grote stelligheid naar voren gebracht dat de supermarkt die aanwezig is binnen de bestemming “winkels” zowel voor als na de realisering van de opslagruimte, volledig in gebruik was en is voor de verkoop en dat binnen die bestemming geen opslagruimte aanwezig was of is, met uitzondering van een kleine laad- en losgelegenheid bij de slagerijafdeling. Vóór de realisering van de opslagruimte werd slechts de voorheen op die plek aanwezige bebouwing voor opslag gebruikt, ná realisering van de opslagruimte is deze ruimte eveneens de enige opslagplaats voor de supermarkt, aldus eiser.

Indien deze stelling van eiser juist is, dan kan er geen sprake van zijn dat het vvo binnen de bestemming “winkels” zou kunnen toenemen ten gevolge van de realisering van de opslagruimte. Naar het de rechtbank voorkomt, is in dat geval de veronderstelling in het advies van SAB niet juist.

Gelet op het belang van hetgeen door eiser ter zitting naar voren is gebracht, zal verweerder daarnaar onderzoek moeten doen en zulks moeten betrekken bij de beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen.

Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 oktober 2001 met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 oktober 2001 met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-- en wijst de gemeente West Maas en Waal aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de gemeente West Maas en Waal het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,-- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2004, in tegenwoordigheid van mr. R. Zijmers als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: